Maarten van Rossem weet hoe het zit

Vroeger stond er – zeker in tijden van crisis – altijd wel een gezaghebbende historicus op die de ivoren toren van de wetenschap verliet en die, al dan niet in driedelig pak, voor radio, tv of in de krant de ernstige situatie analyseerde en met een verlossend woord een aanzet tot een oplossing gaf. Ze heetten Johan Huizinga, Pieter Geyl, Jan Romein of Loe de Jong.

Stel je voor dat de geboorte van Christus een televisie-event zou zijn geweest, voor de Nederlandse televisie verslagen door Maarten van Rossem. Wat zou de welbekende historicus en commentator dan gezegd hebben? Dat het een ’typisch provinciaal oriëntaals spektakel’ was, drukte om niks omdat er in dat soort gebieden om de paar weken een Messias geboren werd, en dat ’die sufferd’ naast Maria ene Jozef was, het soort man dat zich door een vrouw alles liet wijsmaken, zelfs zoiets ’totaal krankjorums als een kunstmatige inseminatie door een of andere God’.

Van Rossem zou het allemaal gezegd kunnen hebben. Hij is het type historicus dat allereerst vertelt wat iets níet is. De aanslag op de Twin Towers door voormalige woestijnhangjongeren, legde hij ooit uit, was niet het Armageddon; Saddam Hoessein bleek, vergeleken bij Hitler een kneusje; en ook al zijn de taliban gevaarlijke heikneuters, we moeten ze niet verwarren met de ruiters uit de Apocalyps, aldus Van Rossem. Zo kent Nederland Maarten. Als de historicus die een beetje werkelijkheidszin bromt in een samenleving die op hol slaat.

Van een historicus verbaast ons dat ook niet. Want al is er onder de geschiedkundigen maar één Maarten van Rossem, in de beroepsgroep is het relativerende vertoog bijna een tweede natuur geworden. Een serieus beschouwend commentaar bij de kerstkrib is uit deze hoek niet te verwachten, behalve dan misschien van de Nederlands-Amerikaanse historicus en christen James Kennedy die in de geboorte wellicht het begin van een wereldwijde gemeenschap zou hebben gezien.

Nederlandse historici zijn honkvast in hun wetenschap, altijd gereed om te vertellen hoe het in het verleden zit, maar over het heden in het openbaar opvallend weinig spraakzaam, hooguit zijn ze, in het voetspoor van Maarten, bereid wat laconieke opmerkingen te maken over de toestand in de wereld. Dat is tenminste de indruk die er van de beroepsgroep bestaat.

„Dat de dingen nu eenmaal zus zijn en niet zo”, is de wijsheid die je onder collega’s het meest aantreft, schreef de zelfhater onder de historici, Eelco Runia, onlangs in een artikel waarin hij zijn vakgenoten verwijt om de grote vragen des levens heen te lopen.

Eerder constateerden de historici André Gerrits en Ido de Haan dat de beroepsgroep opvallend afwezig is in het publieke of politieke debat. „De geschiedkundigen die zich wel tot publieke stellingnames laten verleiden, zijn op de vingers van twee handen te tellen”, schreven zij. En ze vroegen zich af: „Voelt de Nederlandse historicus zich niet eerder een ambtenaar dan een intellectueel?”

Het is de oude, veelgehoorde klacht, de welbekende schets van de historicus als onderduiker in zijn vak, die zich buiten het archief even onveilig voelt als de priester buiten het altaar. Maar klopt dit beeld ook met de werkelijkheid? Soms hebben historici de schijn inderdaad tegen. Bijvoorbeeld toen een drietal van de nieuwe generatie geschiedkundigen te gast was in Buitenhof. De drie zaten er wat afwachtend bij. Anders dan hun oudere collega Herman Walter von der Dunk die in dergelijke situaties ongeduldig vingertikkend het heft in handen neemt, vonden ze het blijkbaar heel gewoon het initiatief te laten aan de interviewer, ook al ging het gesprek over de verwarring na Fortuyn, een onderwerp waar de drie veel behartigenswaardig over te melden hadden.

Onwennigheid is echter nog geen onwil. Vraag is of de geschiedkundigen van nu het buiten spelen over laten aan Maarten van Rossem en of ze werkelijk de actualiteitsmijders zijn waar ze vaak voor gehouden worden. Komen ze, anders gezegd, uit ’de ivoren toren der wetenschap’ die volgens Jan Romein in 1949 ’onder hoogspanning’ stond? En als ze eruit komen, met welk soort historicus krijgt het publiek dan te maken?

Indien een wetenschapper ’zijn dubbeltje offerde voor elk op straat aangeboden speldje ten behoeve van een goed doel’, was dat prijzenswaardig, schreef Romein. Mooi was het vanzelfsprekend ook als hij ’op Oudejaarsavond een girobiljet invulde voor liefdadigheid naar vermogen of soortgelijke verenigingen’. Maar het ging uiteindelijk om iets anders: namelijk, om het ’zakelijk verantwoordelijkheidsbesef’ van de academicus. Daarvan kon men getuigen als wetenschapper die ten bate van de mensheid zijn eenzame onderzoek deed. Die mogelijkheid wilde de marxistische historicus die van zichzelf zeker wist dat hij ’in opdracht van de tijd’ schreef niet uitsluiten.

Maar men moest wel beseffen: de maatschappij bevond zich in deze koude oorlogstijd in een crisis. Ze kon zich zus of zo ontwikkelen, ten goede of ten kwade, het was een kwestie van erop of eronder. „Wie deed de wetenschappelijk werker in de 19de eeuw tekort, wanneer hij zich uitsluitend aan zijn wetenschap wijdde? Hoogstens zijn gezin”, schreef Romein, die zijn vrouw de was liet doen en de lastigste stukken liet schrijven in hun gezamenlijke publicaties. Dat was nu anders, meende hij eind jaren veertig. „Misschien voor het eerst in de geschiedenis voelt de geleerde de menselijke nood, omdat hijzelf in nood zit”, aldus Romein. De conclusie laat zich raden: de historicus mocht niet aan de kant blijven staan.

En dat deed hij welbeschouwd ook niet. Vóór Romein niet, in de tijd van de marxist zelf niet, daarna niet en tegenwoordig niet. Vanzelfsprekend is het altijd maar een klein percentage van de geschiedkundigen geweest dat het rumoer van het avond- en ochtendblad zocht. Alleen: de stijl van de actualiserende historicus verschilde van tijd tot tijd, deze was vroeger anders dan nu, de vanzelfsprekendheid van een optreden in de wereld was groter, en zo ook de invloed en status van de historicus.

In de ernstige tijden van Romein en zijn voorgangers droegen historici, op de truidragende marxist na, een deftig driedelig pak. Zo nu en dan lieten zij zich ertoe verleiden in de krant een voornaam stuk te schrijven of voor de radiomicrofoon een doorwrochte causerie te houden. Meestal was dat als de samenleving weer eens in een crisis verkeerde. Zij spraken dan het verwachte verlossende woord dat een gezag kreeg toegedicht dat nog het best te vergelijken is met de huidige preken van Al Gore over de opwarming van de aarde. Historici wisten hoe de wereld in elkaar zat en voelden even weinig aarzeling als heden ten dage Maarten van Rossem daar met grote stelligheid kond van te doen.

Zo gaf Huizinga in de donkere totalitaire dagen van 1935 ’een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd’ -- „We leven in een bezeten wereld. En wij weten het”, luidden de openingszinnen van zijn voordracht, waarin hij opriep tot innerlijke reiniging. En de Utrechtse historicus Pieter Geyl, die van zichzelf zei dat hij moest ’wekken en waarschuwen’, fulmineerde in 1958 in zijn rede ’de vitaliteit der westerse beschaving’ tegen allerhande fellow-travellers-gedrag ten opzichte van de Sovjet-Unie. Hij deed dat met de zelfverzekerdheid die geen tegenspraak verdroeg, als de gebildete die tot de dankbare ungebildete burgerij sprak.

De historicus was de schoolmeester die er borg voor stond dat de natie haar geestelijke ordeproblemen de baas werd. Een van de laatste die in die traditie opereerde was de Groningse historicus Ernst Kossmann, de meest kenmerkende was Loe de Jong. „De historicus als betweter is een vertrouwd personage, denk aan prof Loe de Jong”, schreef een journalist-historicus (Bas Blokker) over hem. De oorlogshistoricus werd ook daadwerkelijk ’de grootste schoolmeester van Nederland’ genoemd (door de linkse journalist Jan Rogier). Zelf omschreef De Jong, die jarenlang buitenlandcommentaren verzorgde voor de Vara-radio en -televisie, zijn betekenis als volgt: „Ik heb altijd geprobeerd het democratisch bewustzijn te versterken en ik geloof ook wel dat ik daar succes mee heb gehad. De grote massa ging min of meer hetzelfde denken als ik. Je hebt dus mensen nodig die het vertrouwen erin houden.”

Zo overtuigd van zichzelf is bijna geen historicus meer (hooguit –- het wordt inderdaad eentonig -– op Maarten na dan). Evenmin lijkt de bereidheid om de maatschappij op sleeptouw te nemen zomaar aanwezig. „De samenleving heeft zichzelf in de war verklaard” en nu mag een te simpele burgerlijke interpretatie van de geschiedenis haar uit de brand komen helpen, zei historicus Piet de Rooy nog niet zo lang geleden. De landgenoten mochten dan, om met Jan Romein te spreken, het gevoel hebben dat het ’erop of eronder’ was, voor een dergelijke hulpverlening, zei De Rooy, was zijn vak nou ook weer niet bedoeld. Kortom: de geschiedenis, opgevat als historisch proces, geeft geen pasklare antwoorden, en in tegenstelling tot het grote publiek is de vakman zich daarvan bovenbewust. De historicus is zogezegd van betweter tot meedenker geworden, iemand die adviseert in plaats van beleert. Maar ondanks die nivellering bestaan er van het vak geschiedenis nog altijd hoge verwachtingen, zeker nu het er in er in Nederland en de wereld na 9/11 niet bepaald rustiger op is geworden.

De vraag is, hoe historici met die verwachtingen omgaan. Zijn ze er nog, die net als Loe de Jong ’ het vertrouwen erin houden’, en hoe doen ze dat, nu het driedelig pak en de causerie als oudbakken worden gevoeld?

Een kleine steekproef leert dat als het land in last is historici er weer staan. Bescheiden in aantal en optreden weliswaar, maar ze staan er, of beter gezegd, ze zitten erbij, en doen meer dan ernaar kijken. „Ik heb erg mijn best gedaan om de Nederlandse identiteit te vinden, maar het is me niet gelukt”, sprak Máxima bij de presentatie van het WRR-rapport september dit jaar.

Het kwam de prinses op bijval en kritiek te staan van historici. James Kennedy -- het zonnetje in het wat bewolkte historische Nederlandse landschap -- schreef dat ’Máxima Nederland een compliment gaf’. „Het divers geworden Nederland vraagt om nieuwe vormen van verbinding”, aldus de Nederlandse Amerikaanse historicus, wiens steevast zinnige bijdragen aan de actualiteit altijd opvallen door de wil om vooruit te kijken en er gemeenschappelijk uit te komen.

Anderen waren minder complimenteus voor de prinses. De Groningse hoogleraar Frank Ankersmit bijvoorbeeld betichtte Máxima en de WRR van een ’denkfout’, ze snapten gewoon niet dat identiteit wel degelijk bestond, schreef de geschiedfilosoof, die al eerder in een beschouwing voor deze krant minister Vogelaars integratiepolitiek als een zinloos project had afgeserveerd. En vanzelfsprekend, zou je bijna schrijven, namen de paar bekende namen op de bekende wijze deel aan het maatschappelijk debat, al dan niet gerelateerd aan Máxima’s uitspraak. Zo was er, de historicus die nooit verstek laat gaan, Thomas van der Dunk (’Neem islamitische wensen serieus’ en ’laat lastige thema’s niet aan Wilders’, om een paar van zijn bijdragen te noemen), en zo was er Arend Jan Boekestijn -- ’De Nederlandse vrienden van de taliban’, was een van zijn kenmerkende opiniestukken dit jaar.

Waar het om gaat, is dat de geschiedkundigen meededen, niet bepaalden. De historicus met (aldus Huizinga) ’een zeker idee van Nederland’ en van de wereld, en waar publicist Bart Jan Spruyt na Máxima’s zogenaamde faux pas in Opinio om vroeg, de historicus dus, die een grote jas aantrekt en doet alsof hij de weg weet, is de soort waar de meeste vakbroeders zich verre van houden.

Eigenlijk zijn er maar drie die voor een nationaal schoolmeesterschap in aanmerking komen. Allereerst is er Maarten van Rossem, maar die pepert zijn landgenoten liever in dat een ’zeker idee van Nederland’ op zijn Huizinga’s flauwekul is, en legt verder gewoon uit hoe de wereld wel en niet in elkaar steekt.

Dan is er nog Hermann Walter von der Dunk, tegenwoordig ook wel als Von der Dunk senior omschreven. Hij publiceerde dit najaar een pamflet waarin hij ronduit boos is op het Nederland met zijn ’slappe knieën, waarin een buitenstaander als Hirsi Ali als een ’intellectuele huurling de kastanjes uit het vuur moest halen’ -- Von der Dunk is eigenlijk de enige die nog rechtstreeks aansluit bij de traditie van Loe de Jong, maar ook hij komt tot de conclusie dat het in ons land een rommeltje is waar het zelfs voor een geboren leraar als hem moeilijk orde houden is.

En niet te vergeten is er nog ene Geert Mak, een historiserend publicist, met een zeker idee van Europa, wat hem -- het mag bekend zijn -- niet door alle vakhistorici in dank is afgenomen.

Alle drie verhelderen het heden door zeer regelmatig op betrouwbare, eenduidige wijze voor de tv-camera of op papier op zeer eigen wijze ’hun ding’ te doen, bijna alsof het een kunstje is.

De rest van de historici reageert zo nu en dan op de actualiteit en vult verder op zijn best met oudjaar een biljet in voor moderne liefdadigheidsorganisaties als Greenpeace of Natuurmonumenten. De historicus is als figuur gedemocratiseerd. Hij mag meedoen in het koor van kundigen.

Op een Loe de Jong hoeft niemand meer te rekenen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden