Maar hoe nu verder met die Arabische Lentes? Opstand West

Twee jaar na het begin heeft de Arabische Lente alles van een pril Nederlands voorjaar: koud, met een ijzig briesje. Leveren de revolutionaire bewegingen nog iets positiefs op? Dat hangt ervan af in welke richting je kijkt.

Het ziet er zorgelijk uit, maar er is potentie voor verbetering
Dat was even schrikken, afgelopen zaterdag in Tripoli. Het Libische parlement besprak een wetsvoorstel toen een betogende menigte de zittingshal belegerde. De demonstranten, deels gewapend, weerhielden de circa honderd parlementariërs er urenlang van het gebouw te verlaten. Toen de parlementsvoorzitter er uiteindelijk in slaagde te ontkomen, werd er op zijn auto geschoten.

Het was niet voor het eerst dat Libische parlementariërs doelwit waren van gewapende figuren. Integendeel. Bij voortduring wordt hun het vergaderen onmogelijk gemaakt. De bijeenkomst van vorige week vond al niet plaats in het reguliere parlementsgebouw - dat moet nog altijd hersteld worden van een recente bezetting door militieleden die gewond raakten tijdens de revolutie en daarvoor compensatie eisten.

Het is het verhaal van het nieuwe, democratische Libië: er is een verkozen parlement, er zijn politici, maar de macht ligt nog grotendeels bij de milities die het regime van kolonel Moammar Kadafi in 2011 wisten te verdrijven. Elk dorp en elke stad heeft wel één gewapende groep (of twee, of drie, of vier), die de lakens uitdeelt. Geregeld raken milities slaags met elkaar en vallen er doden en gewonden.

De 'politiek', de verkozen volksvertegenwoordigers en de regering, heeft er nauwelijks greep op, en fungeert voornamelijk als kop-van- Jut. In de strijd om de macht trekt in Libië daarom degene met de meeste wapens nog vaak aan het langste eind, niet degene met de meeste stemmen of de beste ideeën.

Alle begin is moeilijk, zou je optimistisch kunnen stellen. Democratie is een ingewikkeld systeem voor een land dat tientallen jaren repressie, dictatuur en het recht van de sterkste gewend is. Vraag het maar aan de Oost-Europeanen of de inwoners van Zuid-Amerika: democratisering is een kwestie van lange adem, van het langzaam opbouwen van instituties en processen.

Ook Libiërs, Egyptenaren en Tunesiërs komen daar nu achter. "De Arabische Lente is een proces, geen uitkomst", schreef de politicoloog Hicham Ben Abdallah er onlangs over in een essay in Le Monde Diplomatique. "De fundamentele vraag voor de landen die vooroplopen in de regionale transformatie is: kan de democratie geïnstitutionaliseerd worden?"

In vergelijking met Latijns-Amerika en Oost-Europa hebben de Arabische landen handicaps. Ze zitten economisch aan de grond in tijden van wereldcrisis, en een lonkend perspectief - bijvoorbeeld in de vorm van toetreding tot de Europese Unie - ontbreekt.

Ook lastig: democratie is in de eerste plaats een systeem van vertrouwen, vertrouwen dat iedereen zich aan de spelregels zal houden. Democratie werkt het best als partijen bereid zijn soms met elkaar samen te werken. Dat is een houding die niet vanzelfsprekend is in landen waar wantrouwen lang de norm was. Waarom zou je je wapens inleveren als je niet weet wie er straks aan de macht komt?

Het zijn obstakels die Libië parten spelen, maar ook Egypte en Tunesië - de Arabische landen die er in 2011 als eerste in slaagden om hun dictators te verdrijven.

Deze twee landen kampen met hevige maatschappelijke polarisatie tussen twee partijen die elkaar niet vertrouwen: islamisten en seculieren. Neem Egypte. De islamistische moslimbroeders, die geen voorhoede vormden bij de opstand, wonnen alle verkiezingen na de revolutie en drukten eind vorig jaar een zware stempel op de totstandkoming van de grondwet. Het overtuigde de seculieren ervan dat de islamisten de macht willen grijpen - niet voor één democratische cyclus, maar voor altijd. Zij vrezen een theocratie.

In een poging dit doemscenario af te wenden, kiezen de seculieren echter niet voor de democratische weg. De verkiezingen wilden ze boycotten, de gekozen strategie is die van de revolutie: de macht van de straat. Het resultaat is chaos. Al maanden is er hevig straatprotest, de politie staakt, het leger moet in sommige steden de orde bewaren, er vallen bijna dagelijks doden bij rellen, de verkiezingen zijn uitgesteld. President Morsi dreigt de greep op het land te verliezen.

De seculieren hopen zo misschien de islamisten tot nederigheid of compromissen te bewegen, maar ze spelen hoog spel: met hun tactieken ondermijnen ze de legitimiteit van het democratische systeem waar ze zo hard voor gestreden hebben. Ze werken een situatie in de hand waarin mensen zichzelf gaan bewapenen en knokploegen oprichten. Waarin het leger de macht kan grijpen, of waarin de roep om een sterke man weer harder wordt.

Zo ver is het nog niet. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de bevolking van Libië, Egypte of Tunesië op dit moment een coup of een terugkeer naar een autocratisch regime zou accepteren. En alle politieke partijen omarmen, verbaal althans, nog altijd het idee van democratie - ook de meeste islamisten. Zelfs de orthodoxe salafisten spelen in Egypte mee in het spel om de democratische macht.

Vooral het sluiten van compromissen blijkt moeilijk. Maar het is niet onmogelijk, zo bleek in Tunesië, nadat maatschappelijke spanningen vorige maand culmineerden in de liquidatie van een oppositieleider. De straten vulden zich met betogers die de regerende islamisten de schuld gaven van de moord, er was geweld, en toen de premier opstapte, leek de politieke en maatschappelijke crisis compleet. Maar deze week trad een nieuwe coalitieregering aan - van islamisten, seculieren en een enkele partijloze technocraat - die groen licht kreeg van het parlement.

Dat is geen garantie dat de spanningen in Tunesië voorbij zijn. Integendeel. Maar zolang de politici in ieder geval een poging doen er in overleg uit te komen, is de democratie nog niet ten dode opgeschreven. En bestaat er een kans dat de naakte strijd om de macht plaatsmaakt voor een strijd tussen politieke ideeën.

Oost
Het ziet er verschrikkelijk uit, en het wordt er waarschijnlijk niet beter
Een schokkend detail in een rapport van Save the children deze week: drie op de vier Syrische kinderen met wie de organisatie sprak, verloren een naaste in de burgeroorlog. Geen wonder dat Unicef enkele dagen eerder al waarschuwde voor een verloren generatie. Kinderen die opgroeien in een omgeving van louter geweld, lopen het risico trauma's op te lopen die hen de rest van hun leven zullen achtervolgen.

De omvang van dat geweld kennen we al, van de kille cijfers in de krantenkolommen. Neem de tellingen van lokale activisten op een gemiddelde dag als woensdag 13 maart. Aantal doden: 103, onder wie zes vrouwen en vijf kinderen. Bombardementen en beschietingen door het regime: 234, waaronder zeven luchtaanvallen, één Scud-aanval en één aanval met clustermunitie. Botsingen tussen regime en rebellen: 114. De totaalcijfers na twee jaar opstand: meer dan 80.000 doden, meer dan één miljoen officiële vluchtelingen.

Waarom ging in Syrië zo mis wat in Egypte, Tunesië en zelfs Libië relatief snel werd volbracht? Het antwoord ligt misschien wel iets verder naar het oosten: in Bahrein. In dat kleine Golfstaatje kwam in februari 2011 de (overwegend sjiitische) bevolking in opstand tegen het (soennitische) koningshuis, gebruikmakend van de bekende leuzen van de Arabische Lente: een roep om vrijheid, gerechtigheid en waardigheid.

De betogers - percentueel meer dan waar ook in de Arabische wereld - kwamen van een koude kermis thuis. Hun opstand werd met grof geweld neergeslagen. De Bahreinse autoriteiten kregen hulp van Saoedische militairen, die in een intimiderende colonne de brug overstaken die Bahrein van Saoedi-Arabië scheidt.

Dat laatste zette de toon voor wat zich daarna in het oostelijke deel van de Arabische wereld zou voltrekken. De Saoediërs toonden ermee dat ze niet van plan waren meegevoerd te worden in de golf van opstanden, en dat ze bereid waren daarvoor hun gewicht in de strijd te gooien - desnoods met geweld, en, misschien belangrijker nog, met een giftig, sektarisch discours. Dat dook voor het eerst op in Bahrein, waar het soennitische regime (op instigatie van Riad?) de betogers afschilderde als sjiitische extremisten en handlangers van Iran.

De 'straf' voor de demonstranten had ook een duidelijk sektarische component. Niet alleen werden de sjiitische betogers op grote schaal opgesloten, gemarteld en ontslagen, direct na het begin van de opstand maakten bulldozers van de overheid ook tientallen sjiitische heiligdommen met de grond gelijk. De brokstukken waren enkele maanden na dato nog hier en daar te zien.

De gebeurtenissen in Bahrein zetten de trend voor het oosten van de Arabische wereld, stelde de Amerikaans-Iraanse analist Vali Nasr vorig jaar al vast in deze krant. De strijd van sjiieten versus soennieten - met op de achtergrond de machtsstrijd tussen regionale grootmachten Iran (sjiitisch) en Saoedi-Arabië (soennitisch) - werd er hét referentiekader voor regimes die niet gediend waren van ontevreden burgers of ingrijpende politieke hervormingen.

Zij konden er een beeld van geweld en intrige mee oproepen, dat veel mensen in de regio helder op het netvlies staat. Iedereen herinnert zich er de sektarische strijd die aan de oppervlakte kwam na de Amerikaans-Britse invasie van Irak in 2003 en de val van het soennitische minderheidsregime van Saddam Hoessein. De erop volgende democratische machtsgreep van de sjiitische meerderheid bracht spanningen naar boven die tussen 2006 en 2008 eindigden in een bloedige burgeroorlog tussen soennitische en sjiitische milities.

'Irak' was dan ook het angstbeeld dat de Syrische president Assad, zelf behorend tot een sjiitische sekte (het alawisme), van meet af aan opriep om de betogingen in zijn land te smoren. Hij schilderde de opstand af als een extremistisch soennitisch complot om de maatschappelijke vrede in het etnisch en religieus diverse Syrië te verstoren.

Dat bleek een self-fulfilling prophecy. Want hoewel het buiten kijf staat dat de Syrische opstand aanvankelijk vreedzaam en non-sektarisch was - net als elders in de Arabische wereld - zwermt het in het land inmiddels van de soennitische extremisten. De belangrijkste stoottroepen van de gewapende opstandelingen zijn djihadistische milities, die steun krijgen van buitenlandse fanatiekelingen en gesponsord worden vanuit de Golfstaten - Saoedi-Arabië voorop.

Extremisten, bijvoorbeeld van het Noesra-front (gelieerd aan Al-Kaida in Irak, op de Amerikaanse terreurlijst), lopen voorop bij de inname van dorpen en steden. Moordpartijen uit sektarische haat en het vernielen van religieuze bouwwerken zijn inmiddels aan de orde van de dag in Syrië. Niets wijst erop dat de val van het regime, als die al aanstaande is, deze cyclus van geweld zal stoppen.

Zorgelijk is ook dat het sektarische denken in de hoofden van de Arabische bevolking gaat zitten. Een recente grootschalige peiling in twintig overwegend islamitische landen, wees uit dat Iran in de Arabische publieke opinie dramatisch in populariteit is gezakt. Die ontwikkeling gold voor soennitische Arabieren, maar helemaal niet voor sjiieten. Mentaal staat er tussen sjiieten en soennieten in de Arabische wereld inmiddels een IJzeren Gordijn.

Dat is een dramatische trend, en niet alleen voor Syrië. Ook Libanon, met zijn tientallen religieuze en etnische groepen loopt gevaar meegesleurd te worden in sektarisch geweld. Irak slaagt er nu al nauwelijks in om de spanningen tussen soennieten en sjiieten in bedwang te houden. In Bahrein woedt een veenbrand van verzet, en hoeft het koningshuis er niet op te rekenen dat het zijn legitimiteit op korte termijn kan herwinnen onder de sjiitische bevolking.

Zelfs Saoedi-Arabië zou zichzelf kritische vragen kunnen stellen over het moedwillig opstoken van het sektarische vuur. Ook binnen de eigen landsgrenzen woont een substantiële sjiitische minderheid. Op de langere termijn kan het vervreemden, kleineren en buitensluiten van die groep als een boemerang terugkomen.

Noord-Afrika is verder dan Midden-Oosten
Eén blik op de kaart van de Arabische wereld en je ziet het meteen: de landen in Noord-Afrika hebben meer resultaten geboekt met hun opstanden dan die in het oosten. Tunesië was het eerste land dat zijn president verdreef (14 januari 2011), Egypte (11 februari 2011) volgde. Libië deed er iets langer over om zich van dictator Moammar Kadafi te ontdoen (20 oktober 2011). Begin 2011 waren er ook protesten in Marokko. Daar wist de koning de gemoederen te bedaren met een nieuwe grondwet en het inperken van zijn eigen macht.

In het oosten liep het anders. Alleen in Jemen stapte president Saleh uiteindelijk op (23 november 2011), maar anders dan in de Noord-Afrikaanse landen ging het hier om een 'geleide' revolutie, bekokstoofd door Saoedi-Arabië. Saleh kreeg onschendbaarheid. In Oman, Jordanië, Bahrein en Koeweit deden de monarchen kleine toezeggingen voor politieke veranderingen, maar keerde de rust slechts deels weer. In Syrië is het oorlog.

De rijke Golfstaten Saoedi-Arabië, Katar en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) bleken vastbesloten om het überhaupt niet tot onrust te laten komen. Demonstraties in Saoedi-Arabië - in hoofdstad Riad en later in het sjiitische oosten van het land - werden met groot vertoon van macht de kop ingedrukt, en kritiek wordt niet getolereerd. Onlangs kregen een dichter (in Katar) en twee activisten (Saoedi-Arabië) nog lange celstraffen voor kritische opmerkingen over respectievelijk de emir en het koningshuis, en begon in de VAE een proces tegen 94 oppositiefiguren.

In enkele landen gingen mensen slechts mondjesmaat de straat op: in Algerije, Libanon en Irak. Dat zijn waarschijnlijk niet geheel toevallig de drie landen die in de afgelopen decennia een burgeroorlog hebben meegemaakt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden