Maar het ís niet 'gewoon'. Het is theatraal! Jochum ten Haaf speelt titelrol in 'Het belang van Ernst'

Zijn personage draagt 'een niksige naam': 'Jack' of desgewenst 'John'. Maar als je in een toneelstuk van Oscar Wilde een van de twee titelrollen vertolkt, weet je subiet dat er achter die 'niksige naam' wel wat wijdvertakters zal schuilen. Een dubbelleven, bijvoorbeeld, of beter nog: twee dubbellevens. En dan is het fundament van Wilde's klucht nog niet eens benoemd: dubbele bodems alom.

Jochum ten Haaf speelt de lanterfanter John of Jack Worthing in Wilde's zedenkomedie 'Het belang van Ernst', de welgestelde nietsnut die als vondeling aanvankelijk geen achtergrond of identiteit bezit.

,,'Het belang van Ernst' is een lastiger stuk dan je denkt. Eerst dacht ik: dat schud ik even uit m'n mouw. Vooral in het begin gaat het over niks. De personages keuvelen over sneetjes komkommer, toostjes met boter of over een rondslingerende sigarettenkoker. Maar ook die 'nietszeggende' monologen moeten scherp zijn. En moet je oppassen niet in klankjes of toontjes te vervallen.“

'Het belang van Ernst' is doordrenkt van homoseksuele toespelingen, die het huidige theaterpubliek niet zo omfloerst uitgespeeld krijgt voorgeschoteld als in de dagen van Oscar Wilde.

,,Dat kan ook niet“, weet Ten Haaf, ,,het moet niet nuffig worden. Maar je kunt al die verwijzingen er, ook nu, niet allemaal uitgooien. Het Engelse publiek van destijds kwam het stuk zien om die verwijzingen op te vissen. Dat wist dat 'mijn nichtje Cecily' anderszins naar 'nicht' verwijst: naar een schandknaap. 'Trouwens, nu ik weet dat jij een verklaarde bunburyist bent moet ik natuurlijk met je praten over bunburysisme.' is synoniem voor: 'Ik weet dat jij van de familie bent'.“

Als Lady B rackwell wil weten of John 'een huis in de stad heeft', antwoordt die: ,,Ja, maar dat wordt verhuurd aan Lady Bloxen.“ Elke theaterganger uit het begin van de vorige eeuw wist dat die Lady Bloxham geen 'tamelijk bejaarde dame' maar een bekende pooier met een stal van mannelijke hoeren was.

Moet het stuk daar ook nu nog over gaan, vroegen regisseur en spelers zich af. Ten Haaf speelt 'Het belang van Ernst' het liefst als klucht, waarin het vooral over het hebben of verwerven van de eigen identiteit gaat. ,,Want het is een briljant stuk: geestig, scherp en met een mooie structuur. En allerminst gedateerd, want het gaat ook over de oppervlakkigheid van het bestaan. Over mensen die louter genot najagen, over het verlies van religie en van idealen. Over het niet meer streven of zoeken naar 'een absolute waarheid'.“

Het is aan de hedendaagse spelers vervolgens om te voorkomen dat er 'een toontjesmanier' in sluipt. Ten Haaf: ,,Oscar Wilde is wat dat betreft moeilijker te spelen dan Shakespeare. Met diens alliteratie en poëzie (uit bijvoorbeeld 'The Tempest') kom je al een heel eind door alleen al te zéggen: 'The isle is full of noises, sounds and sweet airs.'

Bij Wilde weten de personages dat ze declameren, mooipraten. Dat is lastig. Je kunt dat ook niet onderkoeld terloops spelen, want ze wéten dat zij elkaars welbespraaktheid tonen en testen. Als je dat goed doet, ziet het er heel gemakkelijk uit.“

Niet toevallig zegt Jochum ten Haaf Shakespeare's Stormcitaat in het Engels. De Engelse taal past hem als een handschoen. Anders had hij ook geen zegetocht op West End kunnen vieren met 'Vincent in Brixton', waarin hij Vincent van Gogh speelde.

De Britse regisseur Richard Eyre had aan castingdeskundige Hans Kemna gevraagd 'een paar jongens op te trommelen' die de Vincentrol zouden kunnen doen. Toen Ten Haaf in Londen ter auditie verscheen, was Richard Eyre op het eerste gezicht verkocht. Al bleek dat Ten Haaf zelf pas 'na drie doodzenuwachtige dagen wachten'.

De regisseur heeft nooit gezegd dat hij Ten Haaf (mede) wegens diens gelijkenis met Van Gogh verkoos. Berustend-neutraal voegt Ten Haaf zich in Van Goghs schaduw: ,,Ik heb rood haar, ik loop niet altijd rechtop, en heb een beetje grof gezicht.“

Met Eyre had hij een waardevolle samenwerking, ze lagen in elkaars verlengde. ,,Heel verlegen leidde hij me met een soort zijden handdoek door het stuk.“

Die klassieke tweespannen van meester-gezel mist hij in Nederland. ,,Ja; Johan Simons-Fedja van Huêt, Theu Boermans-Halina Reijn, en misschien Gerardjan Rijnders-Pierre Bokma. Jonge acteurs moeten nu meteen beroemd en 'hot' zijn en geld hebben. Iedereen moet 'speciaal' zijn, niemand mag meer 'gemiddeld' wezen. Tja, er zijn ook te veel opleidingen; je hoeft maar een steen om te draaien, en je vindt er een acteur onder. Ze krijgen niet meer de rust en aandacht voor spelontwikkeling, voor het waarborgen van het ambacht.“

Hij schiet in de lach: ,,Ze kunnen niet meer praten, ze kunnen niet meer staan.“ Maar meteen daarop even vurig als hartgrondig: ,,Alles moet maar 'gewoon' zijn. Maar het ís niet 'gewoon'. Het is theatraal! Het is de uitvergroting; dat móet het ook zijn!“

Tijdens zijn jaren aan de toneelschool van Maastricht, woonde hij in een huis met een Duitse jongen. Onderling spraken ze Engels, en dan 'goed Engels, geen gebroken Duits-Engels.' Dagelijks verbeterden zij elkaar en breidden ze elkaars woordenschat uit. Daarnaast is hij ervan overtuigd dat Limburgers (zelf geboren in Maastricht) een aanleg bezitten om accentloos vreemde talen te spreken. ,,Ook de Nederlanders die goed Engels spreken, praten toch vaak staccato-Engels. Het Limburgs zingt meer hè, daardoor spreekt een Limburger vloeiender Engels.“

Door gehannes over produktiekosten kwam 'Vincent' nooit in Nederlandse theaters. Wel speelde Ten Haaf het in België, in het Frans.Vijf maanden lang werkte hij 'woord voor woord, zin voor zin' om zijn Frans rimpelloos te krijgen.

Bevreesd dat Nederland hem na langere buitenlandse afwezigheid zou verstoten, keerde hij terug. Gesterkt door zijn buitenlandse 'Vincent', maar allerminst overmoedig: ,,Op een dag gaan ze er achter komen dat ik het niet kan. Ik hou ervan om mezelf te kunnen verliezen. Maar het is toch ook wel interessant om te zien: hij weet hoe het moet.“

Vóór Engeland was bij verbonden aan het Noord Nederlands Toneel, nu speelt hij bij het Nationale Toneel van Den Haag. Hij weet zich een typische 'repertoirespeler': ,,Ik ben niet acteur geworden om in montagestukken te gaan staan. 'We gaan een bewerking van Richard III doen', zegt zo'n montageregisseur dan. Een bewérking? Dat stuk lígt er toch! Daar ga je toch niets meer aan veranderen!“

Shakespeare en Tsjechov zijn z'n grote schrijvers. Maar op een Hamletrol zit hij weer niet te wachten. ,,Het is een mooi stuk, maar ik vind er vaak geen zak aan om naar te kijken. Iets moet je toch wel met je personage hebben. Macbeth prikkelt mij meteen: een soort kluns, die bij z'n vrouw onder de duim zit. Maar Oom Wanja blijft m'n favoriet. Hoe die, aan het slot, als iedereen van het landhuis is vertrokken, bijna onhoorbaar uitspreekt: ,,Ik ben zó ongelukkig.“

Dat is van een schoonheid waar ik van blijf genieten.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden