Maar de afkeer van de slak wint van de schoonheid

Peter Porter en Christopher Hope (samenstellers): New Writing 5. Vintage, London; importeur Nilsson & Lamm. 509 blz. - ¿ 26,95.

CHARLES FORCEVILLE

Dit jaar komt de keuze voor rekening van Peter Porter en Christopher Hope. De laatste schrijft in de inleiding dat er geen sleutelidee aan de selectie van de 'New Writing' ten grondslag heeft gelegen, en merkt op: “If we have a prejudice, and editors are a bundle of prejudices, it is for the vigorous and unexpected. But is this new?” Verder constateert Hope dat wat tegenwoordig onder de vlag van 'Britse literatuur' gepresenteerd wordt steeds meer elders in de wereld geschreven, of tenminste gesitueerd, is - maar ook dat is geen nieuws.

De tweeëntwintig verhalen zijn eerlijk verdeeld over onbekende auteurs en gevestigde namen. Van de oude garde beviel mij onder meer William Trevor's 'Timothy's Birthday'. Hierin wordt de moeizame verhouding tussen een alternatief ouderpaar op leeftijd en hun homoseksuele zoon op knappe wijze indirect verbeeld doordat de zoon met de traditie breekt om zijn verjaardag bij zijn ouders te vieren. Hij vaardigt zijn jonge vriend af die zich weer op Timothy wreekt door zich bij de ouders te misdragen.

De in Nieuw-Zeeland wonende C. K. Stead steekt in zijn verhaal mild de draak met het in Engeland nog immer functionerende klassesysteem: een op-en-top gentleman heeft een affaire met een serveerster - totdat hij er genoeg van krijgt.

Veel schokkender zijn de relatieproblemen van de jonge Indiase Ravi Shastri in Nalinaksha Bhattacharya's verhaal. Als haar vader weigert haar echtgenoot verder financieel te steunen, tracht deze zijn schoonvader onder druk te zetten door Ravi te mishandelen. Als Ravi's vader niet toegeeft, kan eigenlijk alleen haar dood de impasse doorbreken. De jerrycan met benzine is al in huis gehaald.

Candia McWilliam's 'A revolution in china' woordspeelt aardig op 'china' in de betekenis van 'porselein'. Op de desbetreffende afdeling in een warenhuis heeft Miss Montanari, 60-plus, zich immer als uitstekend inkoopster onderscheiden door altijd die spullen te bestellen die ze zelf foeilelijk vond. Nu haar pensioen nadert, realiseert ze dat dit wegcijferen van haar eigen mening haar hele leven gedomineerd heeft. En besluit dat het nooit te laat is om te veranderen.

In Hilary Mantels 'The ties that bind' beklaagt een vrouw zich tegenover een vriendin over haar saaie leven. De vriendin realiseert zich, eerder dan de vrouw zelf, dat een spannend leven vooral bepaald wordt door het besef dat andere mensen je leven spannend vinden, en besluit tot een originele hulpactie.

Even opmerkelijk is Sarah Lefanu's 'Quail' ('Kwartel'). Een vrouw met twee kinderen, vastbesloten haar echtgenoot te verlaten, regelt met de moed der wanhoop de verhuizing, maar heeft ook nog aan de juf op school beloofd om op twee jonge kwartels te passen. Pas in het elegante slot beantwoordt Lefanu de vraag wat die kwartels nu in het verhaal moeten.

Innemend vind ik ook de opzet van 'Fifty/fifty orange juice and oxtail soup' van Simon Burt. Van verliefdheid, zegt de verteller, zijn de twee belangrijkste momenten die waarop het begint, en die waarop het eindigt. In tweeëntwintig ultrakorte stukjes, waarboven telkens een naam (meestal die van een man) staat, probeert hij die twee momenten te vangen. In de slotpassage heeft hij nog een verrassing voor de lezer in petto.

Een bekende naam is die van A. S. Byatt. Haar verhaal deed me eens te meer realiseren dat ik met haar werk weinig affiniteit heb. Eruditie en originele ideeën te over; maar emotioneel raken doet het me niet. Ook Louis de Bernières is na zijn uitverkiezing (in 1993, door het tijdschrift Granta) tot Engelands beste jonge schrijver geen onbekende meer. Net als zijn bijdrage in Granta indertijd bewijst ook 'Liver' zijn heerlijke humor - maar wederom blijft deze erg anekdotisch, en staat niet ten dienste van een groter geheel. Of moeten we dit gebrek aan eenheid als 'postmodern' voor lief nemen?

Wie de romans van de Engels-Chinese Timothy Mo kent, zal in diens essay 'Fighting their writing' veel bekends tegenkomen. Mo wijdt zijn beschouwing vooral aan een evaluatie van de pro's en contra's van verschillende vechtsporten, maar geeft en passant interessante inzichten in zijn terugkerende thematiek van de mens tussen twee culturen en zijn fascinatie met de 'lafaard'. En Mo is nooit te beroerd voor een paar provocerende statements. “The vilest racists in the world. . . are drawn from the ranks of the Japanese and the Chinese. . . Ask any African who studied in Peking.”

D. J. Taylor (1960) helpt de aspirant-schrijver in 'A young person's guide to the modern English novel' van een paar illusies af. Met luchthartig cynisme waarschuwt Taylor dat als boekbesprekers bijklussende schrijvers zich dienen te realiseren dat ze elke negatieve recensie dubbel en dwars op hun brood krijgen als hun eigen boek verschijnt. De respectabele Guardian krijgt een veeg uit de pan omdat het een boek bij voorkeur zou laten bespreken door recensenten van wie te verwachten valt dat ze er niets aan zullen vinden. Op de vraag waarom zoveel mensen desondanks schrijver willen worden, heeft hij een interessant antwoord: “writing a novel is one of the few modern activities that has any kind of intellectual glamour attached to it.”

Tja, en dan de poëzie - zeventig verzen van zesendertig dichters. Meer nog, denk ik, dan dat voor proza geldt, hangt de waardering voor poëzie samen met persoonlijke smaak. Bovendien blijft ook na herhaalde lezing soms de vraag hangen: wat wil de dichter hier mee? Of zelfs: waar gaat dit in vredesnaam over? En ten slotte blijft het lezen van gedichten in een andere dan de moedertaal extra lastig. Maar toch. Aardig vond ik gedichten van onder meer Jamie McKendrick, Charles Tomlinson, Michael Hofmann ('Hotel New York, Rotterdam') en Dannie Abse.

In 'Bed and breakfast' schetst Fleur Adcock een jaren vijftig setting waarin een jonge vrouw en haar minnaar netjes ieder een eigen kamer betrekken - en hij 's nachts stiekem naar de hare sluipt. 'And to do what?/ Not sex,/ but what you did when you weren't quite doing sex./ It made you a bit sticky and sweaty,/ but it didn't make you pregnant'.

Een enkele keer sprong mijn hart op van vreugde: bij de drie gedichten van Lavinia Greenlaw (1962) en dat van Carole Satyamurti. Greenlaw's verzen zijn raadselachtig - maar van het fascinerende, niet het irritante soort; als schilderijen van Edward Hopper, waarop alles zo duidelijk is afgebeeld, maar het essentiële toch onzichtbaar blijft, en alleen gesuggereerd wordt.

Met een waterval aan klinkerrijmen, alliteraties en verrassende beeldspraak maakt Satyamurti in 'Spring offensive' optimaal gebruik van stijlmiddelen om poëtisch de vrees te verwoorden voor een slakkenaanval tegen de bladeren in een lentetuin. 'You stumble out at dawn and catch them at it,/ scrawling silver sneers on wall and path,/ and snatch them from their twigs, impervious to/ endearing horns, their perfect picture bookness./ You crush them, or worse; lay down poisonous snacks.' Anderzijds kan de 'you' geen weerstand bieden aan de schoonheid van de slakkenhuisjes, 'lovely as petunias, patterned like ceramic works of art/ from a more coherent age'.

Maar de afkeer van de slakken wint het. De laatste regels (even doordenken!) luiden: 'Asleep, you dream a world where, very slowly,/ children, friends, are running out of air'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden