Maanlicht, griffioenen en de kreeft van Nerval

De Amerikaanse filosoof Isaiah Berlin, die in november 1997 op 88-jarige leeftijd overleed, verscheen dit voorjaar een boek over de oorsprong van de romantiek. Niet dat hij dit boek ooit schreef: het is samengesteld uit lezingen die Berlin in 1965 in Washington hield, maar die hij nooit op schrift stelde. Wel waren er transscripties van radio-uitzendingen van de BBC, die de lezingen uitzond. Berlin maakte zijn voornemen een groot boek over de romantiek te schrijven nooit waar, maar zou het geschreven zijn, zo merkte Berlins uitgever Henry Hardy op, dan zou het frisse en het directe van de tekst verduisterd zijn door de bewerking en de uitbreiding. Lees en proef: Isaiah Berlin, wervelend, analyserend. Over de duizelingwekkend rijke facetten van de romantiek en het grote verschil tussen Duitsers en Fransen.

Romantiek is het primitieve, het ongekunstelde, zij is jeugd, leven, het uitbundige levensgevoel van de natuurlijke mens, maar zij is ook bleekheid, koorts, ziekte, verval, de maladie du siècle, La Belle Dame Sans Merci, de Dodendans, ja de Dood zelf. Romantiek is Shelley's koepel van veelkleurig glas, en ook zijn witte schittering van de eeuwigheid. Zij is de verward wemelende volheid en rijkdom van het leven, Fülle des Lebens, onuitputtelijke veelvormigheid, onstuimigheid, geweld, strijd, chaos, maar zij is ook vrede, eenheid met het grote 'Ik Ben', harmonie met de natuurlijke orde, de muziek der sferen, het opgaan in de eeuwige, alomvattende geest. Zij is het vreemde, het exotische, het groteske, het mysterieuze, het bovennatuurlijke, ruïnes, maanlicht, betoverde kastelen, jachthoorns, elven, reuzen, griffioenen, watervallen, de oude molen aan de Floss, duisternis en de machten van de duisternis, fantomen, vampiers, naamloze verschrikking, het irrationele, het onuitsprekelijke. Ook is zij het vertrouwde, het besef van de eigen unieke traditie, het plezier in de stralende aanblik van de alledaagse natuur, en in de welbekende beelden en geluiden van tevreden en eenvoudig plattelandsvolk - de gezonde en gelukkige wijsheid van de rozewangige zonen van de aarde.

Romantiek is het ouderwetse, het historische, zij is gotische kathedralen, de nevels van de oudheid, antieke wortels en de oude orde met haar onanalyseerbare eigenschappen, haar diepe maar onverwoordbare bindingen, het ontastbare, het onberekenbare. Zij is ook het streven naar het nieuwe, naar revolutionaire verandering, de preoccupatie met het vlietende heden, het verlangen om in het ogenblik te leven, de verwerping van kennis, verleden en toekomst, de pastorale idylle van gelukkige onschuld, de vreugde van het voorbijgaande moment, een gevoel van tijdloosheid. Zij is nostalgie, mijmering, bedwelmende dromen, zij is zoete melancholie en bittere melancholie, eenzaamheid, de pijn van de ballingschap, het gevoel van vervreemding, het ronddwalen op verre plaatsen, vooral in het Oosten, en in verre tijden, vooral de Middeleeuwen.

Maar zij is ook de voorspoedige samenwerking in een gemeenschappelijke creatieve onderneming, het besef deel uit te maken van een Kerk, een klasse, een partij, een traditie, een grote en alomvattende symmetrische hiërarchie, ridders en vazallen, de rangen van de Kerk, organische sociale banden, mystieke eenheid, één geloof, één land, één bloed. Zij is het primitieve, onbedorvene, de schoot der natuur, groene weiden, koeiebellen, murmelende beekjes, de oneindige blauwe hemel. Maar zij is evenzeer dandyisme, het verlangen zich op te doffen, rode vesten, groene pruiken, blauw haar, zoals in Parijs de volgelingen van mensen als Gérard de Nerval droegen, in een bepaalde periode. Zij is de kreeft die Nerval aan een touw met zich meevoerde door de straten van Parijs.

Romantiek is wild exhibitionisme, excentriciteit, zij is de slag bij Ernani, zij is ennui, zij is taedium vitae, zij is de dood van Sardanapalus, of die nu is geschilderd door Delacroix, getoonzet door Berlioz of beschreven door Byron. Zij is de laatste stuiptrekking van grote wereldrijken, zij is oorlogen, slachtpartijen, de botsing van werelden. Zij is de romantische held - de rebel, l'homme fatal, de verdoemde ziel, de Corsairs, Manfreds, Giaours, Lara's, Kains, al degenen die Byrons heroische gedichten bevolken. Zij is het drinken uit een menselijke schedel, zij is Berlioz die zei dat hij de Vesuvius wilde beklimmen om zich één te voelen met een verwante ziel. Zij is Satanische braspartijen, cynische ironie, duivels gelach, zwarte helden, maar ook Blake's visioen van God en zijn engelen, de grote christelijke gemeenschap, de eeuwige orde, en 'de sterrenhemels die amper de oneindigheid en eeuwigheid van de christelijke ziel tot uitdrukking kunnen brengen'.

Romantiek, kortom, is eenheid en veelheid. Zij is getrouwe weergave van het individuele, zoals in de schilderijen van de natuur, en ook mysterieuze, verwachtingsvolle vaagheid van contouren. Zij is schoonheid en lelijkheid. Zij is de kunst omwille van de kunst, en kunst als een instrument voor het maatschappelijke heil. Zij is kracht en zwakheid, individualisme en collectivisme, zuiverheid en bederf, revolutie en reactie, vrede en oorlog, liefde voor het leven en liefde voor de dood.

Misschien is het niet zo verrassend dat A.O. Lovejoy, die stellig een van de meest gewetensvolle en sprankelende geleerden is die zich met de ideeëngeschiedenis van de laatste twee eeuwen hebben beziggehouden, bijna wanhopig raakte toen hij al deze facetten van de romantiek onder ogen zag.

De Duitsers en de Fransen

De waarheid over de Duitsers in de zeventiende en achttiende eeuw is dat ze een enigszins achtergebleven volk vormden. Zij zien zichzelf niet graag in dit licht, maar hen in zulke termen te beschrijven blijft niettemin overeenkomstig de waarheid. In de zestiende eeuw waren de Duitsers even vooruitstrevend en even dynamisch en even gul in hun bijdragen aan de Europese cultuur als wie dan ook. Dürer was ongetwijfeld een even groot schilder als elke grote Europese schilder van zijn tijd. Luther evenaarde ongetwijfeld alle grote religieuze figuren in de Europese geschiedenis. Maar als we kijken naar het Duitsland van de zeventiende eeuw (vooral het einde daarvan) en van de achttiende eeuw, dan is het -afgezien van die ene grote figuur, Leibniz, die stellig een filosoof van wereldformaat is - heel moeilijk om onder de Duitsers ook maar iemand te vinden die op het denken of zelfs op de kunst een invloed van mondiaal belang heeft uitgeoefend.

De reden hiervoor is nogal moeilijk aan te geven. Omdat ik geen competente historicus ben, wil ik niet uit de losse pols allerlei verklaringen gaan opperen. Maar om een of andere reden slaagden de Duitsers er niet in een gecentraliseerde staat te vestigen, zoals Engeland en Frankrijk en zelfs Nederland dat deden. De Duitsers werden in de achttiende, en ook in de zeventiende eeuw, geregeerd door driehonderd vorsten en twaalfhonderd landheren. De keizer had in Italië en elders belangen die hem wellicht verhinderden om gepaste aandacht te schenken aan zijn Duitse gebieden; en bovenal was er de gewelddadige ontwrichting van de Dertigjarige Oorlog, in de loop waarvan de troepen van Lodewijk XIV en anderen een zeer groot deel van de Duitse bevolking ruïneerden of doodden, en elke mogelijke culturele ontwikkeling smoorden in zeeën van bloed.

Deze rampspoed was zonder weerga in de Europese geschiedenis; een slachting op dergelijke schaal was sinds de dagen van Djengis Khan niet meer voorgekomen. Voor Duitsland was deze rampspoed verpletterend. Zij deed zeer veel afbreuk aan de levenskracht, met het gevolg dat de Duitse cultuur een provinciaal karakter kreeg, uiteenviel in die minuscule, verstikkende provincie-hoven.

Er was geen Parijs, er was geen centrum, er was geen levenslust, geen trots, geen besef van groei, geen dynamiek en kracht. De Duitse cultuur gleed ofwel af naar een extreme schoolmeesterachtige pedanterie van het lutherse soort -nauwgezette maar nogal droge eruditie - ofwel juist naar een verzet tegen deze eruditie, naar het innerlijke leven van de menselijke ziel. Dit werd ongetwijfeld bevorderd door het lutheranisme als zodanig, maar in het bijzonder door het enorme nationale minderwaardigheidscomplex dat in die periode ontstond, door de vergelijking met de grote, vooruitgestrevende westerse staten, en vooral met de Fransen, die briljante, schitterende staat, die erin was geslaagd de Duitsers te verpletteren en te vernederen, dat grote land dat de wetenschappen en de kunsten en alle domeinen van het mensenleven domineerde, met een arrogantie en een succes die hun weerga in de geschiedenis niet kenden.

Hierdoor schoot in Duitsland een blijvend gevoel van droefheid en vernedering wortel, een gevoel dat kan worden herkend in de tamelijk naargeestige Duitse populaire literatuur en volksliedkunst van het einde van de zeventiende eeuw, en zelfs in de kunsten waarin de Duitsers uitblonken - zelfs in de muziek, die neigt tot huiselijkheid, religiositeit, gepassioneerdheid en innerlijkheid, en die bovenal verschilt van de schitterende hofkunst en de prachtige wereldlijke prestaties van componisten als Rameau en Couperin.

We hoeven maar componisten als Bach, Telemann en hun tijdgenoten te vergelijken met Franse componisten van die periode; er is geen twijfel aan dat de hele atmosfeer en toon van de muziek van bij voorbeeld Bach, ook al is zijn genie onvergelijkbaar veel groter, toch veel... ik zal niet zeggen 'provincialer' is, maar toch veel meer is beperkt tot de kringen van het religieuze leven in Leipzig (of waar hij ook verbleef), en dat zijn muziek niet was bedoeld als een bijdrage aan de schittering van de Europese hoven, of voor de algemene bewondering van de mensheid, zoals dat wel duidelijk het geval was met de schilderijen en de muziek van de Engelsen, de Nederlanders, de Fransen en de andere leidende naties van de wereld.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat de piëtistische beweging, die de ware wortel is van de romantiek, in Duitsland diep verankerd raakte. Piëtisme was een tak van het lutheranisme, en bestond in zorgvuldige bijbelstudie en diep respect voor de persoonlijke relatie tussen mens en God. Daarom lag er een nadruk op het spirituele leven, bestond er minachting voor geleerdheid, voor ritueel en vorm, voor ceremonieel en pracht en praal, en lag er een enorme druk op de individuele relatie tussen de lijdende ziel van de individuele mens en haar schepper. Spener, Francke, Zinzendorf, Arnold - al deze stichters van piëtistische bewegingen slaagden erin troost en redding te brengen aan een grote verzameling mensen wier gemeenschap was verpulverd en wier politieke situatie ellendig was. Er vond om zo te zeggen een retraite in de diepte plaats. Soms komt het - hoewel het gevaarlijk is parallellen te trekken - in de menselijke geschiedenis voor dat mensen, wanneer de natuurlijke weg naar zelfontplooiing is geblokkeerd, zich in zichzelf terugtrekken, en proberen om in zichzelf een wereld te scheppen in plaats van de wereld buiten hen, die hun door een snood noodlot is ontzegd. Dat is ongetwijfeld wat er in het oude Griekenland gebeurde toen Alexander de Grote de stadstaten begon te vernietigen, en de stoïcijnen en epicuristen een nieuwe moraal van persoonlijke verlossing begonnen te preken, een moraal die inhield dat politiek onbelangrijk was, dat het leven als staatsburger onbelangrijk was, dat alle idealen die waren hooggehouden door Pericles en Demosthenes, Plato en Aristoteles, onbetekenend waren en niets voorstelden vergeleken met de dwingende behoefte aan persoonlijke, individuele verlossing.

De druiven zijn zuur - die uitdrukking was hier op zeer grote schaal van toepassing. Als je van de wereld niet kunt krijgen wat je echt verlangt, moet je jezelf leren het niet te willen. Als je niet kunt krijgen wat je wilt, moet je jezelf leren te willen wat je wel kunt krijgen. Dit is een heel vaak voorkomende vorm van spirituele terugtrekking in de diepte, in een soort innerlijke citadel, waarin je probeert jezelf af te sluiten van alle vreselijke kwaden in de wereld. De koning van mijn land - de vorst - neemt mijn land in beslag: ik wil geen land bezitten. De vorst wil mij geen rang verlenen: rang is nietszeggend, onbelangrijk. De koning heeft mij beroofd van mijn bezittingen: bezittingen stellen niets voor. Mijn kinderen zijn gestorven aan ondervoeding en ziekte: aardse hechting, zelfs de ouderliefde, is niets vergeleken bij de liefde voor God. Enzovoorts.

Je bouwt geleidelijk een stevige muur om je heen die moet dienen om je kwetsbare oppervlak zo klein mogelijk te maken - je wilt zo min mogelijk worden verwond. Elk soort wond is je al eens toegebracht, en daarom wil je jezelf samentrekken tot het kleinst mogelijke oppervlak, zodat je zo min mogelijk blootstaat aan verdere verwondingen.

Dit is de gemoedsstemming waarin de Duitse piëtisten te werk gingen. Het resultaat was een intens innerlijk leven, een grote hoeveelheid zeer ontroerende en interessante, maar hoogst persoonlijke en heftig-emotionele literatuur, haat jegens het intellect, en bovenal uiteraard hevige haat jegens Frankrijk, pruiken, zijden kousen, salons, ontaarding, generaals, keizers, jegens alle grote en luisterrijke figuren van deze wereld, die niets anders zijn dan de incarnaties van rijkdom, goddeloosheid en de Duivel. Dit is een natuurlijke reactie van de kant van een vrome en vernederde bevolking, een reactie die sindsdien ook op andere plaatsen is opgetreden. Het is een bijzondere vorm van anti-cultuur, anti-intellectualisme en xenofobie - waartoe de Duitsers op dat moment uitzonderlijk sterk waren geneigd. Dit is het provincialisme dat sommige Duitse denkers in de achttiende eeuw koesterden en adoreerden, en waartegen Goethe en Schiller hun hele leven hebben gestreden.

Er is een typerend citaat van Zinzendorf, de leider van de Herrnhüters, een soort afdeling van de Moravische Broederschap, die zelf weer een groot segment vormde van de piëtistische groepering in haar geheel. Hij zei: ,,Alwie God met zijn intellect tracht te bevatten wordt een atheïst'. Dit was alleen maar een echo van Luther, die zei dat de rede een hoer is en moet worden gemeden. In dit verband is het niet onbelangrijk te wijzen op een sociologisch gegeven betreffende deze Duitsers uit de achttiende eeuw.

Als je nagaat wie zij waren, wie de denkers waren die de grootste invloed hebben gehad in Duitsland en die ons bekend zijn, dan stuit je op een feit dat een ondersteuning vormt voor de stelling die ik graag wil poneren, namelijk dat dit alles een produkt is van een gekwetst nationaal gevoel, van een ontzettende nationale vernedering, dat dit de wortel is van de romantische beweging, althans aan Duitse zijde. Als je nagaat wie deze denkers waren zul je vinden dat zij, vergeleken met de Fransen, uit een heel ander sociaal milieu afkomstig zijn.

Lessing, Kant, Herder en Fichte waren allemaal van zeer lage afkomst. Hegel, Schelling, Schiller en Hölderlin kwamen uit de lagere middenklasse. Goethe was een rijke bourgeois, maar kreeg pas later een passende titel. Alleen Kleist en Novalis behoorden tot wat in die tijd de landadel werd genoemd. De enige echt aristocratische personen van wie we kunnen zeggen dat ze deel hadden aan de Duitse literatuur, het Duitse leven, de Duitse schilderkunst, aan welke vorm van Duitse beschaving dan ook, waren voor zover ik heb kunnen nagaan twee broers, de graven Christian en Friedrich Leopold Stolberg, en de mystieke baron Carl von Eckertshausen - niet bepaald eersteklasfiguren, niet bepaald figuren van de hoogste rang.

Als je anderzijds denkt aan de Fransen van deze periode, aan de radicalen, de linkervleugel, de meest extreme tegenstanders van de orthodoxie, van de kerk, van de monarchie, van de status quo - dan kwamen al deze personen uit een heel, heel andere wereld. Montesquieu was een baron, Condorcet was een markies, Mably was een abbé, Condillac was een abbé, Buffon werd graaf, Volney was van goede komaf. D'Alembert was de onwettige zoon van een edelman. Helvétius was niet van adel, maar zijn vader was de lijfarts geweest van Madame, en hij was miljonair, belastingpachter en verkeerde in hofkringen. Baron Grimm en baron d'Holbach waren twee Duitsers die in Parijs kwamen wonen, de een uit de buurt van Bohemen, de ander uit Rijnland. Er was nog een aantal andere geestelijken: abbé Galiani was secretaris bij de Napolitaanse ambassade, abbé Morellet en abbé Raynal waren van goede komaf. Zelfs Voltaire kwam uit de kleine adel. Alleen Diderot en Rousseau waren gewone burgers, en niet meer dan dat. Diderot kwam echt uit een arme familie. Rousseau was een Zwitser, en telt daarom niet mee in deze categorie.

Het gevolg was dat deze Fransen er een andere taalgebruik op nahielden dan hun Duitse tijdgenoten. Ze waren zonder twijfel in de oppositie, maar dan tegen personen die uit dezelfde klasse kwamen als zijzelf. Ze gingen naar salons, ze schitterden, ze waren personen van hoge beschaving en hoge opleiding, ze schreven in een voortreffelijke prozastijl en hadden een grootmoedige en ruimhartige kijk op het leven.

Alleen al hun bestaan was voor de Duitsers een bron van ergernis, vernedering en woede. Toen Herder in het begin van de jaren '70 naar Parijs kwam, was hij niet in staat om contact te leggen met een van deze mannen. Naar zijn idee waren ze allemaal gekunstelde, hoogst gemaniëreerde, buitengewoon zelfbewuste, droge, zielloze dansmeestertjes, in salons waar het innerlijke leven van de mens niet werd begrepen, waar men - door slechte beginselen of door verkeerde origine - was uitgesloten van het inzicht in de ware doeleinden van de mens op aarde, en in de ware, rijke, weldadige mogelijkheden waarmee God de mens had begiftigd. Ook dit droeg bij tot de kloof die tussen de Duitsers en de Fransen ontstond. Alleen al de gedachte aan deze frondeurs, aan deze dwarsliggers, dit verzet - zelfs het verzet van degenen die ook zelf de Kerk van Rome haatten, die ook zelf de koning van Frankrijk haatten - boezemde de Duitsers walging, afkeer, vernedering en een gevoel van minderwaardigheid in. Hierdoor ontstond een enorme afstand tussen de Duitsers en de Fransen, die zelfs niet kon worden overbrugd door alle culturele uitwisselingen die later door geleerden konden worden opgespoord. Dit is misschien een van de wortels van het Duitse verzet tegen de Fransen, dat het beginpunt vormde van de romantiek.

Fantasie en gedaantewisseling

Overal waar je afbreuk kon doen aan conventies, moest je dat ook doen. De interessantste en scherpzinnigste voorbeelden daarvan zijn wellicht te vinden in de toneelstukken van Tieck en de verhalen van de beroemde verteller E.T.A. Hoffmann. Het algemene uitgangspunt van de achttiende eeuw, en ook van alle voorafgaande eeuwen, is dat er een rerum natura bestaat, een structuur waar alle dingen deel van uitmaken. Voor de romantici was dit een fundamentele onwaarheid. Er bestond geen allesomvattende structuur, want zo'n structuur zou ons inkapselen, zou ons verstikken. Er moet een open veld zijn om te handelen. Het mogelijke is reëler dan het feitelijk bestaande. Wat gemaakt is, is dood. Als je eenmaal een kunstwerk hebt vervaardigd, laat het dan achter je, want als het eenmaal is vervaardigd is het er, is het ermee gedaan, is het zoiets als de kalender van vorig jaar. Wat is gemaakt, wat is vervaardigd, wat al is begrepen, dat moet je achter je laten. Door een glimp, een fragment, een suggestie, een mystiek oplichten - alleen op die manieren kan de werkelijkheid worden gevat, omdat elke poging om haar te omschrijven, elke poging om er een samenhangend verslag van te geven, elke poging om harmonieus te zijn, om een begin en een midden en een eind te ontdekken, wezenlijk een verdraaiing en een karikatuur is van de werkelijkheid, die in wezen chaotisch en vormloos is, een pulserende stroom, een enorm grote stroom van de zichzelf realiserende wil; de gedachte die stroom te kunnen vangen, vast te kunnen leggen, is absurd en blasfemisch. Dat is het ware, gloedvolle middelpunt van het romantische geloof.

Er is een verhaal van Hoffmann over een zeer fatsoenlijk gemeenteraadslid, een boekenverzamelaar, die in zijn kamer zit, in zijn kamerjas en altijd omgeven door oude manuscripten. Aan zijn buitendeur hangt een koperen klopper. Maar deze klopper verandert soms in een afzichtelijk appelvrouwtje - nu eens is zij een appelvrouwtje, dan weer een koperen klopper. De klopper knipoogt soms zoals het appelvrouwtje, het appelvrouwtje gedraagt zich van tijd tot tijd als een koperen klopper. Wat haar meester betreft, het achtenswaardige raadslid zit soms in zijn stoel, soms kruipt hij in een schaal met punch, verdwijnt hij in de stoom en gaat hij op in de lucht, in het gezelschap van de geesten; of soms lost hij zichzelf op in de punch, wordt hij door andere mensen opgedronken en beleeft hij vervolgens vreemde avonturen.

Dit soort fantastische verhalen is voor Hoffmann heel gewoon, en hij was er heel beroemd om. Elke keer als je aan een verhaal van hem begint weet je nooit wat er zal gebeuren. Er is een kat in de kamer. De kat kan een kat zijn, maar zij kan uiteraard ook een mens zijn die van gedaante is veranderd. De kat kan het niet precies zeggen, ze zegt je dat ze het niet precies kan zeggen, en hierdoor worden alle gebeurtenissen in een onbestemde sfeer gehuld, geheel volgens de bedoeling van de schrijver. Als Hoffmann over een brug in Berlijn liep, voelde hij zich vaak of hij in een glazen fles zat opgesloten. Hij was er niet zeker van of de mensen die hij om zich heen zag menselijke wezens of poppen waren. Dit is naar mijn mening weliswaar een authentiek staaltje van psychologische waan -hij was in sommige opzichten psychisch niet helemaal normaal - maar het vermogen van dingen om de gedaante van welk ander ding dan ook aan te nemen is tegelijkertijd het primaire motief in zijn verhalen.

Tieck schreef een toneelstuk, 'De gelaarse kat', waarin de koning zegt tegen de prins die hem komt opzoeken: ,,U die van zover komt, hoe kunt u onze taal zo goed spreken?' Waarop de prins zegt: ,,Ssst!' De koning vraagt ,,Waarom zegt u ssst?', en de prins zegt: ,,Als ik dat niet doe, en u maar over dat onderwerp blijft praten, kunnen we niet doorgaan met het toneelstuk.' Dan laat Tieck iemand uit het publiek opstaan en zeggen: ,,Maar dit spot met alle denkbare regels van het realisme, het is onverdraaglijk dat de personages onderling over het stuk discussiëren.' Dit alles ligt volledig in de opzet van de auteur.

In een ander stuk van Tieck rijdt een man, Scaramouche, op een ezel. Dan breekt er een onweersbui los, en hij zegt: ,,Maar hierover staat niets in dit stuk, in mijn rol staat niets over regen, ik word drijfnat.' Hij belt en de toneelknecht komt op. Hij zegt tegen de toneelknecht: ,,Waarom regent het?' De toneelknecht zegt: ,,Het publiek houdt van onweersbuien,' waarop Scaramouche zegt: ,,In zichzelf respecterende toneelstukken kan het niet regenen.' ,,Dat kan wel,' zegt de toneelknecht, hij geeft voorbeelden, en zegt dat hij hoe dan ook wordt betaald om het te laten regenen. Dan staat er iemand op in het publiek en zegt: ,,Jullie moeten ophouden met dit ondraaglijke gekrakeel, het stuk moet een zekere mate van illusie bevatten. Het is volstrekt onmogelijk om door te gaan met een toneelstuk als de personages over de techniek gaan discussiëren.' Enzovoorts.

Binnen het toneelstuk wordt een ander toneelstuk gespeeld, en daarbinnen weer een ander. De toeschouwers van alle drie stukken praten met elkaar, en er is één personage in het bijzonder dat een beetje buiten de rest van het stuk staat en de onderlinge relaties van de drie groepen toeschouwers bespreekt.

Hiervan zijn natuurlijk parallellen te vinden: met zulke stukken is Tieck de voorloper van Pirandello, van het dadaïsme, van het surrealisme, van het absurdistisch theater. Hier begint het allemaal. De pointe ligt in de poging om schijn en werkelijkheid zoveel mogelijk met elkaar te verwarren, de barriére te slechten tussen illusie en realiteit, tussen dromen en waken, tussen nacht en dag, tussen het bewustzijn en het onbewuste, teneinde het besef teweeg te brengen van het absolute, ontgrendelde universum, van een universum zonder muren, dat zich in voortdurende verandering bevindt, voortdurend van gedaante wisselt, en waaruit iemand met een sterke wil alles kan vormen wat hij wil, ook al is het maar tijdelijk.

De erfenis

Van welke zaken kunnen we zeggen dat we ze aan de romantiek te danken hebben? Van een heleboel. Aan de romantiek danken we de gedachte van de vrijheid van de kunstenaar, en het feit dat noch hij noch de mensen in het algemeen kunnen worden verklaard vanuit al te zeer versimpelde opvattingen, zoals die gangbaar waren in de achttiende eeuw en zoals ze nog steeds ten beste worden gegeven door degenen die vanuit een al te rationele en al te wetenschappelijke benadering mensen of groepen analyseren. Aan de romantiek danken we ook de gedachte dat een uniform antwoord vermoedelijk op een ramp uitdraait waar het om menselijke aangelegenheden gaat; dat je naar alle waarschijnlijkheid een gewelddadige en despotische tiran wordt, als je echt gelooft dat er voor alle menselijke kwalen één enkele oplossing bestaat. De reden is dat je streven om alle obstakels op te ruimen die de realisering van die oplossing in de weg staan, uiteindelijk leidt tot de vernietiging van dezelfde wezens voor wie de oplossing juist was geboden. De gedachte dat er vele waarden zijn en dat deze onderling onverenigbaar zijn, de hele gedachte van pluraliteit, van onuitputtelijkheid, van de onvolmaaktheid van alle menselijke antwoorden en maatregelen, de gedachte dat geen enkel antwoord met een aanspraak op volmaaktheid en waarheid, of het nu in de kunst is of in het leven, principieel niet volmaakt of waar kan zijn - dit alles danken we aan de romantiek.

Juist door duidelijk te maken dat er een veelheid van waarden bestaat, juist door wiggen te drijven in de ideeën van het klassieke ideaal, van het ene antwoord op alle vragen, van de hele opvatting dat het leven als een legpuzzel in elkaar kan worden gepast, hebben de romantici de onverenigbaarheid van menselijke idealen in alle duidelijkheid aangetoond en er alle nadruk op gelegd.

Maar als deze idealen onverenigbaar zijn, moeten mensen zich vroeg of laat realiseren dat ze moeten roeien met de riemen die ze hebben, dat ze compromissen moeten sluiten omdat, als ze anderen trachten te vernietigen, anderen zullen trachten hén te vernietigen. En zo komen we, als resultaat van deze hartstochtelijke, fanatieke, half-waanzinnige leer, uit bij een erkenning van de noodzaak tot verdraagzaamheid jegens anderen, bij de noodzaak om een onvolmaakt evenwicht in menselijke aangelegenheden te bewaren, bij het inzicht dat het ongerijmd is om mensen zo diep in de kooi te drijven die we voor hen hebben opengezet (of in die ene oplossing waarvan we bezeten zijn), dat ze uiteindelijk tegen ons in opstand komen of er zelf aan ten gronde gaan.

Het resultaat dat de romantiek heeft opgeleverd is dus liberalisme, verdraagzaamheid, fatsoen en de erkenning dat het leven in veel opzichten onvolmaakt is, kortom, een zekere groei van het redelijke zelfinzicht. Dit was allesbehalve wat de romantici zelf beoogden. Maar niettemin - en in zoverre is de romantische leer waar - zijn zíí degenen die de onvoorspelbaarheid van alle menselijke activiteiten het sterkst hebben beklemtoond. Ze vielen in de kuil die ze voor een ander hadden gegraven. Door zich op één doel te richten brachten ze, tot het geluk van ons allemaal, bijna precies het tegengestelde voort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden