Maak ook eens tijd voor een ander

Beeld Marike Knaapen

Schrijver en jonge vader Ernest van der Kwast heeft het heel druk, maar is sinds kort ook jongerenbuddy in Rotterdam. Dat zouden meer generatiegenoten moeten doen, vindt hij: verder denken dan de volgende vakantie of de nieuwste iPhone.

Het Jongerenloket in Rotterdam op een dinsdagmorgen. Voor de schuifdeuren staan enkele jeugdige rokers, binnen twee mannen met een V op hun uniform. De balie telt vier loketten, een meisje is in gesprek met een medewerker. Op bankjes zitten jongens die op hun telefoon kijken. Er is een systeem met nummers, zoals bij andere loketten van de gemeente. Maar in plaats van voor een paspoort of het product ‘Voorbereiding Huwelijk’, komen de jongeren bij het loket aan de Westblaak voor hun toekomst.

Rotterdammers van 16 tot en met 26 jaar kunnen zich hier melden. Ze gaan niet naar school of vinden het lastig om werk te vinden. Anderen hebben geen vaste plek om te wonen of niet genoeg geld om van te leven. Het zijn jongeren van verschillende achtergrond en afkomst, zo divers als de stad zelf is. Eén ding hebben ze gemeen: ze komen er alleen niet meer uit.

Soms wordt er een naam geroepen door een medewerker van het Jongerenloket, een jongerencoach die een afspraak heeft. Dan schiet een jongen of een meisje omhoog uit de banken, of blijft het stil en moet de coach naar buiten om ook daar de naam te roepen. Behalve roken mag je binnen ook niet bellen. Wel is er gratis wifi, en ook een computer, printer en kopieerapparaat, waarvan gratis gebruik kan worden gemaakt. Overigens kun je bij het loket ook zonder afspraak terecht voor een eerste adviesgesprek.

Huis uit

Ik ben tien jaar te oud voor het Jongerenloket. Hoewel ik als puber mijn moeder behoorlijk wat kopzorgen heb bezorgd, heb ik netjes mijn gymnasiumdiploma behaald en ben daarna economie gaan studeren. Slechts eenmaal heb ik me als adolescent gemeld bij de voorloper van het Jongerenloket.

Ik wilde als zestienjarige niets liever dan uit huis, maar dat was een tijdelijke bevlieging. Ik wilde van mijn moeder af. Ze mengde zich in al mijn zaken: van kleding tot kaftpapier, van cijfers tot vriendinnen. Toen ze erachter was gekomen dat ik softdrugs had gebruikt, kreeg ik een preek van anderhalf uur. Gezeten op het voeteneinde van mijn bed stak mijn moeder een verhaal af over mijn toekomst die ik te grabbel gooide, ondanks al haar inspanningen, al haar bemoeienissen.

Ja, ze was een soort van tiger mum. Ze moedigde me aan de rand van het sportveld even hard aan als in de proefwerkweek. Ze moedigde me overal bij aan.

De adolescenten die bij het Jongerenloket komen, worden door niemand aangemoedigd. Jongerencoach Roel Verhagen ziet hen al tweeënhalf jaar. Het zijn jongens en meisjes die vaak meerdere problemen hebben op gebied van werk, school, zorg en soms ook veiligheid. Verhagen is de eerste schakel van het traject dat de jongeren ingaan, en - dat zegt hij erbij - ook de vriendelijkste. Na hem komt een klantmanager, die puur naar feiten en cijfers kijkt, bijvoorbeeld bij de toekenning van een uitkering.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding) 

Beeld Marike Knaapen

Verhagen luistert naar de verhalen van de jongeren, vraagt naar hun verleden en persoonlijke situatie. Hij wijst ze op de mogelijkheden en geeft de jongeren opdrachten mee. Ze moeten solliciteren, een uitkering of zorgverzekering aanvragen. Ze moeten een overzicht van hun schulden maken.

Soms is Verhagen ook in de gevangenis te vinden, waar hij jongeren behoedt voor het zwarte gat na hun vrijlating. Hij benadert de jonge delinquenten vier tot zes weken voordat ze vrijkomen en start dan al het traject. “Want als het lang duurt voordat ze huisvesting, studie of werk hebben geregeld, is de kans groot dat ze terugvallen in slechte gewoonten”, zegt de jongerencoach. Hij vertelt mij over een jongen van achttien die hij buiten de gevangenismuren tegenkwam. Hij was net vrij en had een vuilniszak met vuile was in zijn hand. “Ik heb hem op het hart gedrukt verder te gaan met school.” Maar eigenlijk hadden zijn ouders daar moeten staan en hun kind opvangen, vertelt Verhagen.

Ik ben tien jaar te oud voor het Jongerenloket en mijn kinderen zijn tien jaar te jong. Toch ben ik er vanaf november met enige regelmaat te vinden. Nadat ik vorig jaar de Rotterdamse wethouder Hugo de Jonge (CDA) in een talkshow had geïnterviewd over het programma ‘Elke jongere telt’, heb ik me opgegeven als buddy. “Waarom word je zelf geen mentor?” vroeg de wethouder Onderwijs, Jeugd en Zorg mij, toen ik kritiek uitte op het plan om opa’s, oma’s, tantes en ooms in te schakelen als mentor voor risicojongeren, waar er ongeveer 7.000 van zijn in Rotterdam. De mentor kan ook een leraar of voetbalcoach zijn. Of een betrokken onbekende, en de wethouder keek mij aan met zijn grijsblauwe ogen.

Het lijkt een paradox, betrokken zijn bij iemand die je niet kent. Of zou mijn oma daar anders over denken? Was de betrokkenheid vroeger groter, vanzelfsprekender? In hoeverre voelen we ons in deze individualistische samenleving nog betrokken bij de ander? Reikt het engagement van mijn generatie eigenlijk wel verder dan de belasting die we betalen? Als ik om me heen kijk, zie ik veel zzp’ers die het retedruk hebben, en die van opdracht naar opdracht leven. Ze durven geen ‘nee’ te zeggen en werken vaak ook in de avond en het weekend.

Zelfverwezenlijking is gelijk komen te staan aan zelfverrijking. Daar hoort een schoonmaakster bij, vakanties, de nieuwste iPhone. En ja, ook meer inkomstenbelasting, maar dat is omdat het moet. Niet uit vrije wil. Het woord ‘vrijwillig’ is een anachronisme aan het worden, althans voor dertigers. Ja, klassenouder willen we nog wel worden, of jurylid bij een atletiekwedstrijd van de kinderen. Maar dat zijn geen onbekenden.

In zijn nieuwe boek ‘Waar geen wil is, is een weg’ laat filosoof Henk Oosterling zien wat we kunnen leren van het Japanse denken en doen. In het Westen staat het individu centraal; autonomie en kritische zin worden van jongs af aan gestimuleerd. In het Oosten staat de groep centraal en bestaat er een sterke gerichtheid op de ervaring van eenheid en harmonie.

Dit leert Oosterling zijn leerlingen bij Rotterdam Vakmanstad, een project waar ruim 1200 scholieren in achterstandswijken aan meedoen en waar ze vakken krijgen als judo en tuinieren, maar ook filosofie en ecologie. ‘Je kunt kinderen leren om op basis van samenwerking en interesse nieuwe waarden te creëren, zoals compassie, altru-isme, empathie en verantwoordelijkheid’, zei hij recent in een interview met deze krant. Individuen zijn volgens Oosterling veel meer ‘interviduen’ geworden, onderdeel van een grotere gemeenschap. En betrokkenheid hoort daar ook bij.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Beeld Marike Knaapen

Waarom ik zelf geen mentor werd van Rotterdamse risicojongeren? Omdat ik geen tijd had of omdat ik me niet betrokken voelde bij anderen. Het eerste antwoord is het makkelijkst, maar wie daarvoor kiest, geeft ook toe dat hij zich niet wil inzetten voor mensen die hij niet kent. Want wie geen ‘nee’ wil zeggen tegen een opdracht, denkt alleen maar aan zichzelf. En ja, ik vind dat mijn generatie te veel aan zichzelf denkt. Een generatie die elke verantwoordelijkheid afkoopt of afschuift, totdat zij wordt geconfronteerd met mantelzorg. Daarvoor is een leemte, een vacuüm van vrijwillige hulp. We zijn zo ver gekomen door de bemoeienissen van onze ouders. Het wordt tijd dat we anderen ook vooruithelpen.

Misschien waren empathie en verantwoordelijkheid niet de eerste dingen die ik voelde, schuldgevoel wel. Als dertiger, als ja-knikkende zzp’er, als vader van twee kinderen die alles hebben wat ze nodig hebben begon het te knagen. Waarom deed ik zo weinig voor de ander, waarom was ik geen betrokken onbekende?

Ik besloot ook een ‘intervidu’ te zijn, iemand die bovendien zijn handelen en denken op elkaar afstemt, of zoals Henk Oosterling het verwoordt: een doendenker. Maar Roel Verhagen noemt mij gewoon ‘buddy’ als hij mij voorstelt aan jongeren die er alleen niet meer uitkomen. Zoals bijvoorbeeld een meisje dat werkloos was en al twee maanden geen huur had betaald (waardoor ze uit haar woning kon worden gezet), dat haar zorgverzekering niet kon betalen, dat was afgesloten van internet en telefoon, waardoor ze ook niet kon solliciteren. Nadat de jongerencoach mij aan haar had gekoppeld, klapte ik mijn laptop open in een espressobar, waar andere zzp’ers ook achter hun MacBook Air en latte macchiato zaten. Alleen herschreef ik niet mijn eigen cv, maar dat van Cynthia.

En daarna maakte ik een afspraak om twee dagen later met haar naar een arbeidsbureau te gaan, een plek waar ik nog nooit van mijn leven was geweest. Er was weinig werk in de zorg met haar diploma (Helpende Zorg en Welzijn, niveau 2), kregen we te horen. Door de bezuinigingen was er alleen vraag naar zorgverleners met een medicatiecertificaat (niveau 3). Cynthia was ooit aan deze opleiding begonnen, maar ze heeft grote moeite met rekenen en zakte steeds voor de rekenvakken.

De dame van het arbeidsbureau hoorde ons verhaal aan en adviseerde Cynthia gewoon te solliciteren. Dus klapte ik in een andere bar mijn laptop open en solliciteerde ik samen met Cynthia op vacatures op de websites van Tempo-Team en Randstad. Vacatures waarvoor ze niet de juiste kandidaat was, maar, schreef ik in begeleidende mails, waarvoor ze wel een aanvullende cursus wilde doen. En dat ze gedreven is, flexibel inzetbaar, en ervaring heeft met wassen, aankleden en tilliften.

De volgende dag had ze beet. Cynthia mocht komen voor een sollicitatiegesprek. Ze was ontzettend blij, en ik moet toegeven dat ik het ook was, of misschien was ik zelfs nóg blijer. Het is leuk om van je uitgever te horen dat de vertaalrechten van je boek zijn verkocht aan de Verenigde Staten, maar daar maak je geen vreugdesprong door. Nu huppelde ik door mijn werkkamer.

Inmiddels heeft Cynthia al twee maanden werk, en zijn er geen financiële problemen meer. Maar een andere jongere, die net uit detentie vrij is gekomen, heeft nu een betrokken onbekende nodig. Ik verheug me om hem aan te moedigen.

Ernest van der Kwast brak door met de roman ‘Mama Tandoori’. De rechten van ‘De ijsmakers’ werden aan zes landen verkocht. In september verscheen zijn nieuwste roman ‘Het wonder dat niet omvalt’. Ernest schrijft geregeld verhalen voor Tijd.

De echte naam van Cynthia in zijn verhaal is bij de redactie bekend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden