Maak gewoon weer iets moois

Het gevecht om de kijker zorgt al twintig jaar voor een allesverwoestende kaalslag bij de publieke omroep, schrijft cabaretier en radiomaker Micha Wertheim. „Er is nog maar één ideologische strijd die in Hilversum wordt gevoerd, en dat is die om de kijkcijfers.”

Onlangs zei de oud-EO-topman en huidige voorzitter van de publieke omroep Henk Hagoort in deze krant dat de publieke omroep zich meer moet inspannen om ook „Telegraaflezers en mensen die op Wilders of Verdonk stemmen te bedienen”.

We kunnen Hagoorts uitlating lezen als een reactie op minister Plasterk. Die liet de Tweede Kamer aan het begin van de zomer weten dat het opinie- en informatieaanbod van de publieke omroep pluriformer moet. De uitspraak van de minister mag dan genuanceerd klinken, in de praktijk is Hilversum allang niet meer links of rechts. Er is nog maar één ideologische strijd die daar gevoerd wordt, en dat is die om de kijkcijfers.

De wens van Plasterk om weer eens commentaren te horen als die van G.B.J. Hiltermann suggereert bovendien dat er op Radio 1 überhaupt nog programma’s met inhoud klinken. Radio 1 beperkt zich tegenwoordig tot spelletjes, sport en de mening van niet-geïnformeerde luisteraars. Als de minister eens naar het vernieuwde Radio 1 had geluisterd, dan had hij geweten dat die al enorm verkrampt bezig is de vermeende achterban van Wilders en Verdonk binnen te halen.

De tragiek is niet alleen dat er nauwelijks nog fatsoenlijke radio of televisie gemaakt wordt. De tragiek is dat de strijd om de kijk- en luistercijfers eigenlijk allang een geldverslindend achterhoedegevecht is geworden in een tijd dat nieuwe technologieën hun intrede doen.

Het laatste slachtoffer van de kaalslag op de radio is het programma van Martin imek. Zelf luisterde ik regelmatig naar zijn meanderende interviews. Gesprekken die een uur duren terwijl de interviewer zelf niet precies weet waar het heen zal gaan, zijn in Hilversum een rariteit geworden. Maar ook imek moet stoppen. Blijkbaar was er iemand in Hilversum bang dat Trotse Nederlanders en PVV’ers er aanstoot aan zouden nemen.

De eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ook ik haast nooit via de radio naar imek luisterde omdat zijn programma pas na middernacht werd uitgezonden. Ik hoorde het via de podcast: een digitaal pakketje dat je gratis en legaal van internet kunt plukken. Op dat pakketje staat het hele programma, zodat je het met een mp3-speler of iPod kunt afluisteren. Je kunt het bovendien onderbreken, waar en wanneer je maar wilt. Hoeveel mensen er naar de podcast van ’imek ’s nachts’ luisterden is niet bekend. De publieke omroep blijkt dat nauwelijks bij te houden.

Deze allang niet meer nieuwe technologie zal ervoor zorgen dat het kijk- en luistergedrag van mensen ingrijpend verandert. Consumenten zullen steeds vaker, net als ik, een programma samenstellen dat bij hun persoonlijke belangstelling aansluit.

In de Verenigde Staten zijn programmamakers allang hiervan doordrongen. Neem de veelgeprezen dramaserie Mad Men, dit jaar de grote winnaar tijdens de uitreiking van de Emmy’s. De broeierige literaire dramaserie over reclamejongens in het New York van 1960 trok in Amerika gemiddeld minder dan één miljoen kijkers per aflevering. Ter vergelijking: Paul de Leeuw trekt er op een gemiddelde zaterdag in het kleine Nederland al meer. Mad Men kon alleen bekeken worden door kijkers die een abonnement hebben op de kabelzender AMC. Maar de serie bereikte zo wel precies die mensen die er ook echt interesse in hadden en er dus voor wilden betalen.

De LA Times merkte na de uitreiking dan ook terecht op dat je de televisie niet langer de grote ’verbinder’ van de samenleving kunt noemen. Het programma-aanbod is inmiddels zo divers dat het televisiekijkende publiek in toenemende mate verbrokkelt. Tegelijkertijd wordt het steeds eenvoudiger om kleine groepen kijkers of luisteraars specifiek te bedienen.

Ook in Nederland is die verbrokkeling in kijk- en luistergedrag een onomkeerbaar proces. Dvd-spelers, harddiskrecorders, iPods en multimediatelefoons zijn in vrijwel alle huishoudens aanwezig. Het publiek vindt gemakkelijk zijn weg naar programma’s die aansluiten bij persoonlijke smaak en interesse. Wie Engels beheerst kan de Amerikaanse verkiezingen volgen door op de website van de zender Comedy Central naar de satire van The Daily Show en The Colbert Report te kijken. Wie graag colleges volgt kan via iTunes net zo eenvoudig honderden lezingen en interviews beluisteren die worden aangeboden door Amerikaanse topuniversiteiten. Daar is al geen publieke omroep meer voor nodig.

Dat niet iedereen meer naar de tv kijkt is sneu voor degenen die vinden dat een samenleving er baat bij heeft als er bij de koffieautomaat dagelijks over hetzelfde programma wordt gepraat. Je kunt er ook vrolijk van worden, en het zien als een kans om individuen te sterken in hun particuliere interesses – wat ze minder onzeker, minder bang en dus weerbaarder zal maken.

Deze ontwikkeling ontkennen, ervan in paniek raken of ertegen vechten is in ieder geval zinloos. Daarom moet de publieke omroep de nieuwe realiteit aangrijpen om zich op zijn taak te bezinnen. Daarbij moet niet het over de volle breedte bereiken van de massa, maar juist het optimaal bedienen van kleine groepen centraal staan.

Helaas zijn ze in Den Haag en Hilversum blind voor deze ontwikkelingen. Ze gebruiken de technologie wel voor uitzendinggemist.nl en voor een sporadische podcast, maar er zit geen visie achter. Dat komt doordat ze gevangen zitten in een door ideologie vertekend denken.

Een kleine schets van de historie van deze ideologie is hier op zijn plaats. Het publieke bestel was twintig jaar geleden een van de weinige verzuilde instituten die nog overeind stonden. De infrastructuur in Hilversum was zo sterk dat het de inhoudelijke ontzuiling had overleefd. Wat overbleef waren steeds minder ideologisch onderlegde omroepenverenigingen.

En toen kondigde Joop van den Ende aan een commerciële zender te willen beginnen. Iets waar Nederland, in de woorden van de toenmalige minister-president Lubbers, „nog niet aan toe was”.

Toch kwam de commerciële omroep er, niet in Hilversum maar in Luxemburg, ver buiten het publieke bestel en bovendien buiten het bereik van de belastingdienst. De monopoliepositie van de publieke omroep was definitief voorbij. In plaats van die nieuwe realiteit aan te grijpen om zich op de eigen toekomst te bezinnen, begon Hilversum zich tegen de commerciëlen af te zetten. De identiteit van de publieke omroep werd negatief: daar waren ze niet commercieel. Dat verhinderde actief nadenken over het eigen bestaansrecht. Tegelijkertijd zorgde de gemeenschappelijke vijand voor harmonie binnen het voorheen altijd verdeelde bestel.

In wezen waren er nu twee zuilen: een publieke en een commerciële. Gevolg was een ongelijke concurrentiestrijd waarbij de publieke omroep – die geen winst hoeft te maken – zijn legitimiteit ophing aan een meetinstrument dat eigenlijk alleen geschikt is voor commerciële zenders: de kijkcijfers. Terwijl de commerciële omroep in alle vrijheid deed waar commerciële omroepen goed in zijn – winst maken door zo veel mogelijk publiek te trekken voor adverteerders – bleef Hilversum proberen kijkers bij de commerciële zenders weg te houden.

De strijd van de publieken tegen de commerciëlen werd het surrogaat voor het wegvallen van de eigen ideologie. In de nieuwe concurrentiestrijd werd het trekken van kijkers een ideologie in zichzelf.

Een goed voorbeeld is de manier waarop de publieke omroep al jaren aanspraak maakt op de voetbaluitzendrechten. Voetbal zelf is een weinig ideologisch spelletje, maar door de uitzendrechten te bemachtigen, kijken er meer mensen naar de publieke omroep. En daarmee is het doel bereikt. De KNVB heeft er goed aan verdiend, maar het kostte en kost de belastingbetaler een vermogen, zonder dat de kijker ook maar iets te zien krijgt wat hij anders zou moeten missen.

Een soortgelijke mystiek riep Paul de Leeuw onlangs op. Hij legitimeerde zijn riante inkomen door te stellen dat hij nu eenmaal zijn hart aan de publieke omroep had verpand. Volgens deze redenering moet de publieke omroep blij zijn met Paul de Leeuw omdat hij veel kijkers trekt. Als we hem niet betalen gaat hij door, maar dan bij RTL. Het voornemen van minister Plasterk om iets te doen aan het inkomen van De Leeuw is niets anders dan het cosmetisch oppoetsen van een probleem dat veel dieper zit. Zolang de publieke omroep zelf kijkcijfers verwart met kwaliteit kunnen we De Leeuw zijn salaris moeilijk kwalijk nemen.

De ironie is natuurlijk dat een ander kijkcijferkanon van de Vara, Jack Spijkerman, een paar jaar terug de vergissing maakte om wél over te stappen. De kijkers pikten het niet. Wat Spijkerman niet snapte was dat hij zijn eigen strop had geknoopt door zijn publiek jarenlang voor te houden dat de commerciële omroep niet deugde. Zijn oude fans verketterden hem alsof hij de kerk verlaten had.

Bij de publieke omroep is de jacht op de kijkcijfers geleidelijk agressiever geworden. Ieder ander doel – verheffing, informatie verstrekken of mensen prikkelen om over zaken na te denken waarmee ze normaal niet bezig zijn – moet ervoor wijken.

Ook het verlangen van Hilversum om vooral jonge kijkers aan de publieke omroep te binden is niets anders dan een reactie op de commerciële televisie. Reclamemakers zijn altijd op jacht naar jongeren omdat ze de ontvankelijkste doelgroep zijn. Laat het dus gerust aan de commerciëlen over om programma’s te maken waar jongeren massaal naar kijken.

De publieke omroep zou vervolgens kunnen proberen om juist die jongeren te bereiken wier niche door de commerciële zenders nog niet bediend wordt. Zo zijn er vast jonge kijkers die van klassieke muziek houden, of die wetenschap leuk vinden. Maar nee, de publieke omroep wil vooral véél jonge kijkers. Zie daar de lege huls van het in Hilversum zo geprezen BNN. Als het enige doel is om kijkers los te weken van de commerciële zenders, dan moeten we ons tevreden stellen met programma’s over seks, drugs en het toiletbezoek van bekende Nederlanders.

Om de – bij voorbaat verloren – wedloop met de commerciëlen te kunnen winnen moet iedere omroep tegenwoordig met zijn programma’s langs een in kijkcijfers denkende netcoördinator. Gevolg is dat vooral programma’s sneuvelen die weinig kijkers trekken. Was de VPRO vroeger nog een vesting die zich verzette tegen de kijkcijferterreur, tegenwoordig is ook deze omroep als een bezetene bezig om jonge programma’s te maken die jonge kijkers moeten trekken. De omroep mag dan nog steeds dvd’s van Wim T. Schippers en Arjan Ederveen aanbieden aan zijn leden, vandaag zouden hun opvolgers er geen schijn van kans maken.

Daarmee kom ik bij het kwalijkste punt van de huidige omroeppolitiek: de vernietiging van talent. Vroeger waagde de publieke omroep zich nog wel eens aan een experiment. Nu is er alleen nog toekomstperspectief voor mensen die quizjes kunnen verzinnen. Jonge journalisten zijn al blij als ze, met een rode stropdas om, een kort, niet al te diepgaand filmpje mogen maken, zodat Matthijs van Nieuwkerk even een slokje water kan drinken alvorens hij opnieuw met Gordon gaat praten. Want als een kijkcijfercanon niet bij jouw publieke omroep werkt, kun je hem allicht uitnodigen om bij jou gezellig kijkcijfers te trekken.

Op de radio is de kaalslag inmiddels compleet. Wie niet van middle of the road-muziek houdt, kan haast nergens meer terecht. In de slaafse jacht op de luisteraar zijn alle publieke radiozenders verworden tot concurrenten van de commerciële zenders. Radio 3 vecht met 538 en Radio 1 is sinds de komst van Business Nieuw Radio (BNR) alleen nog bezig dáár op te lijken. Al moet ik zeggen dat BNR inmiddels prettiger is om naar te luisteren; daar dreigt tenminste niet ieder gesprek voortdurend onderbroken te worden voor de tussenstanden van het dameshandbal in Kroatië.

Voor alternatieve muziek, discussie of diepgang is haast nergens nog ruimte, of het moet zijn op Radio 6, een zender waarvan bijna niemand het bestaan weet en die alleen online en nauwelijks via podcast te beluisteren is. Maar ook die zender, opgericht als laatste toevluchtsoord voor achtergronden en tegengeluid is inmiddels ’hergeprofileerd’. Muzieksamensteller Leo Blokhuis, die ons via Radio 2 zijn smaak al opdrong, mag sinds kort op Radio 6 ook beslissen waar we naar luisteren. Zelfs al zou het minister Plasterk lukken G.B.J. Hiltermann uit de dood te doen opstaan, dan nog zou hij nergens meer terecht kunnen. En dat terwijl met de huidige technologie radio maken een onwaarschijnlijk goedkope manier is om die mensen te bedienen die bij de televisie niet meer aan hun trekken komen.

Wie hardop twijfelt aan het belang van kijk- en luistercijfers voor de publieke omroep krijgt altijd te horen dat de belastingbetaler recht heeft op programma’s die met belastinggeld worden betaald. Dat impliceert dat de publieke omroep eigenlijk niets anders is dan een commerciële omroep die zijn reclamegeld eerst bij de burgers leent om het vervolgens via marktwerking achteraf terug te betalen. Volgens deze manier van denken is de publieke omroep veel slechter af dan de commerciëlen. Want waar de commerciële omroep zich ongestraft mag vergissen en iets uit kan zenden waarmee niets verdiend wordt, staat de publieke omroep al in de schuld nog voor er iets is uitgezonden.

Bovendien verraadt dit verwijt ook een perverse opvatting over wat er in een democratie met gemeenschapsgeld gedaan moet worden. Kennelijk hoeft alleen de meerderheid bediend te worden. Terwijl, als de overheid in een gezonde samenleving al een rol te spelen heeft, dan is het om zich in te spannen voor groepen die nergens anders aan bod komen. Juist de massa zal door commerciële zenders altijd wel goed bediend worden.

Als de door omroepbaas Hagoort gevreesde achterban van Geert en Rita, en de rest van het land – die hij wat minder vreest – ergens recht op hebben, dan is het op een publieke omroep die geen geld verspilt aan het maken van programma’s die ook zonder belastinggeld wel tot stand komen. De belastingbetaler heeft juist recht op programma’s die een aanvulling bieden op wat al via commerciële kanalen te verkrijgen is.

Wellicht zou de overheid zelfs een aardige cent kunnen verdienen door programma’s met hoge kijkcijfers te verplaatsen naar een commercieel net waarin ze een aandeel neemt. Waarom energiebedrijven wel privatiseren en programma’s die de vrije markt overleven niet?

Dankzij nieuwe technologieën bevinden we ons opnieuw op een splitsing die het mogelijk en noodzakelijk maakt om na te denken over het publieke bestel. Oproepen tot meer pluriformiteit, de terugkeer van dode commentatoren en het matigen van salarissen zal binnen de huidige infrastructuur nergens toe leiden.

De omroep zou georganiseerd kunnen worden zoals de musea vóórdat ze moesten concurreren met de Efteling en Walibi. Er is daarvoor niet meer nodig dan een klein groepje inhoudelijk bekwame bestuurders die programma’s subsidiëren bij geprivatiseerde productiebedrijven. Programma’s die niet worden beoordeeld op het aantal kijkers dat ze trekken, maar op de vraag of ze iets toevoegen aan het bestaande aanbod.

Publieke zenders hoeven dan niets anders te zijn dan reclamezuilen voor die uiteenlopende programma’s, die vervolgens ook via internet en de kabel op te halen zijn: de publieke omroep als bazaar, als bibliotheek waar mensen terechtkunnen voor hun hoogstpersoonlijke keuze uit oude en nieuwe programma’s. De liefhebbers van Martin imek zouden hem op deze manier gewoon kunnen blijven beluisteren.

Bovendien wordt het dan mogelijk om sneller en grondiger met achtergrondinformatie in te spelen op het nieuws. Een goed voorbeeld daarvan is NPR Planet Money Podcast: een ad hoc opgezette, dagelijkse internetuitzending voor Amerikanen die op de hoogte willen blijven van de kredietcrisis. Het programma is niet politiek gekleurd, maar biedt informatie voor wie daar behoefte aan heeft.

En voor bestuurders die toch liever de commerciëlen blijven volgen: een serie als Mad Men laat zien dat de commerciële spelers zelf allang snappen dat de regels van het spel veranderd zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden