M'n dorp koos het donkerste geloof

Het open dorp van zijn jeugd zag schrijver en domineeszoon Jan Brokken veranderen in een orthodox-christelijke gemeenschap. De mechanismen van onderdrukking en uitsluiting die in calvinistisch Zuid-Holland een rol speelden, zag Brokken terug tijdens reizen door Afrika en Indonesië. „Als we religie kunnen bedwingen en beheersen, is het al mooi.”

Liesbeth Eugelink

Zijn jeugd in Rhoon bezorgde Jan Brokken (1949) een levenslange angst voor groepen én een scherp oog voor geloofsfanatisme. Als schrijver debuteerde hij in 1984 met ’De provincie’. Zijn oeuvre bestaat uit romans, novellen, reisverhalen en literaire non-fictie. Onlangs verscheen van hem ’Zeedrift’, een bundel reisverhalen.

’Ik groeide op met de woestijn. Met plagen, zondebokken en zandstormen die de hemel verduisterden. Heel jong al leerde ik wat de woestijn was: een verzoeking.’(‘Zeedrift’, 2009: ’De zee van zuiver zand’)

„Ik heb in mijn jeugd verschrikkelijke dingen meegemaakt op religieus gebied. Maar ik wilde het in ’Mijn kleine waanzin’ niet van me afschrijven, zoals zoveel andere Nederlandse schrijvers. Ik had al afstand tot het geloof, want ik had al heel jong gezien dat geloof slechte dingen in mensen naar boven haalt. Ik wilde begrijpen hoe dat gekomen was. Hoe een mild religieus dorp kon veranderen in een orthodox-christelijk dorp. Dat heeft alles te maken met de overgang van een agrarische maatschappij naar een industriële maatschappij. Die omslag voltrok zich vooral in de dorpen bij de grote steden. Als een maatschappij in beweging komt, grijpen mensen terug op religie, vooral die in de fundamentalistische hoek. Geloof is een rotsvaste waarde. Ik wilde laten zien hoe gevaarlijk en bedreigend godsdienst kan zijn.”

’Mijn herinnering begint op de dag dat ik áánkwam in Rhoon, waar mijn vader was beroepen tot predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk.’ (‘Mijn kleine waanzin’, 2004)

„Ik was drie jaar toen ik in Rhoon kwam wonen. Rhoon was voor mij Arcadië. Alles stond zo goed bij elkaar. Er was een kerk uit 1599. Daarnaast stond een kasteel, de pastorie met dertien kamers en een herberg met het wapen van het dorp. Daaromheen stonden de herenhuizen, vervolgens de herenboerderijen en aan de uiterste rand lagen de tuinderijen. De wethouder ging over de aardse, de dominee over de geestelijke zaken. Het dorp was mooi, rustig, idyllisch. Dat gevoel werd versterkt door mijn ouders en mijn twee broers die in Indonesië zeven jaar honger, geweld en onderdrukking achter de rug hadden en berooid naar Nederland waren teruggekeerd. Toen wij in Rhoon kwamen wonen, was de mentaliteit van het dorp open, mild, vriendelijk. Op een gegeven moment kregen de kleine boeren het moeilijk, vooral de tuinders en de fruitkwekers. Zij grepen terug op het donkerste geloof. De SGP haalde wel tien procent van de stemmen. Ik werd angstig van het dorp.”

’Zijn vader was evenzeer door het slijk gehaald als de mijne, en om precies dezelfde reden: ze waren niet christelijk, of althans niet orthodox-christelijk genoeg.’ (‘In het huis van de dichter’, 2008)

„Jaap-met-de-Bijbel was de grootste tegenstander van mijn vader, die in de ogen van Jaap veel te mild was. Hij had een klein tuinderijtje, met slechte grond. Net als de andere tuinders voelde hij zich bedreigd in zijn bestaan; door de industrie, de overheid en de grote herenboeren. Ze voelden zich in de hoek gedrukt. Jaap wilde dat mijn vader verdween uit het dorp. En daartoe moest hij betrapt worden op een fout. In ’Mijn kleine waanzin’ beschrijf ik hoe mijn vader beschuldigd werd van drankzucht. Hij had gedronken tijdens het huisbezoek bij een vader van wie het dochtertje verongelukt was. Zo heb ik het opgeschreven. Later kreeg ik een brief van de wachtcommandant uit Rhoon met een heel ander verhaal. Ik dacht altijd dat mijn vader alleen op pad was; de wachtcommandant schreef dat hij mee was. Hij mocht onder dienst niet drinken, en mijn vader was solidair met hem geweest. Dat hij gedronken had was dus ook nog eens een valse aantijging.”

’Veel eerder dan van het geloof had ik mijn bekomst van gelovigen.’ (‘Mijn kleine waanzin’, 2004)

„Het zingen voor de deur door de evangelisatiebeweging begon toen ik tien jaar was. Daar was ik doodsbang van. De tuinders, in van die donkere leren jassen, belden aan. Als je dan opendeed, was het met een zware stem: ’Is je vader thuis?’ Ik ben door die gebeurtenissen van toen getraumatiseerd; ik heb er een levenslange angst voor groepen aan overgehouden. Gelovigen zoeken naar het spirituele, het hogere. Dat heeft de ’Johannes Passion’ opgeleverd, het begin van de poëzie, prachtig mooie schilderijen. Maar het levert ook rücksichtlose gelijkhebberij op. Niets weet zoveel gewelddadigheid op te roepen als geloof. De verbetenheid! Mensen gaan over lijken omdat ze hun gelijk willen hebben.”

’De God waarmee ik ben opgegroeid had weinig mystieks. Hij was streng als een rechter. Bij calvinisten draait alles om zonde en straf.’ (‘In het huis van de dichter’, 2008)

„’Mijn kleine waanzin’ geeft een onbarmhartig portret van Nederland; Rhoon was niet het enige dorp waar dit gebeurde. Ik ben ziek geworden van dat geloofsfanatisme; als kind had ik enorme last van allergieaanvallen. Dan lag ik soms weken op bed, kon ik niet lopen. ’De ziekte van Sjaan’, noemde de dokter het, naar Sjaan die mijn vader tijdens de viering wilde beschuldigen van drankzucht. Ik vind het geen mild boek in die zin. Maar er zit wel die omslag in. Toen mijn vader begon te sukkelen en opgenomen werd in het verpleeghuis, was Jaap-met-de-Bijbel een van de weinigen die hem elke week bezocht. Dat was een opgave voor hem; een lorrie was over zijn voet gereden en die was afgezet. Hij moest telkens op krukken de gangen door van het verpleeghuis, trap op, trap af. Ik zie dat als een vorm van berouw. Jaap- met-de-Bijbel heeft denk ik onderschat wat voor krachten hij in werking zette. Het is toch het ’stenigt hem’ waartoe hij opriep. Later had Jaap dat door. Imams zouden het boek daar nu op moeten lezen.”

’Als er ergens gezopen werd, dan was het in zwaar calvinistische kringen; bij de bonders stond de fles ouwe klare onder handbereik, ze lustten de jenever even onversneden als het Woord.’ (‘Mijn kleine waanzin’, 2004)

„Van het reizen heb ik gezien dat religie met angst te maken heeft. Angst voor seksualiteit, voor erotiek. Ons begrip van zonde heeft daar ook mee te maken. Mijn hele schooltijd heb ik op christelijke scholen gezeten. Het was ’zonde, zonde en nog eens zonde’, en met name de lichamelijke, de erotische, de seksuele zonde. Op je zevende had je dat allemaal al meegekregen.

In Afrikaanse religies is het lichaam op een natuurlijke manier aanwezig. Dansen, het wiegen van de heupen, die grote aandacht voor de vruchtbaarheid van de vrouw. Maar ik heb ook wel rituelen gezien waarin de vrouw een grote angst voor seksualiteit wordt bijgebracht. Het wegsnijden van de clitoris, zoals nog steeds veel Afrikaanse stammen doen, dat is allemaal onderdrukking van de seksualiteit. Religie gaat om het bezweren van angsten; angst voor losbandigheid, voor een losgeslagen moraal.”

’Het Jakarta van 1979 vertoonde nog enige gelijkenis met het Batavia dat mijn vader en moeder in 1935 leerden kennen. Maar het Jakarta van 1991 heeft niets meer van doen met de stad die ik in 1979 doorkruiste.’ (‘Zeedrift’, 2009: ’Censuur’)

„Als iets snel verdwijnt, kan het ook heel snel weer terugkomen. In 1979 ging ik voor het eerst naar Indonesië. Er was daar toen een heel milde vorm van islam; midden-Celebes was zelfs nog animistisch. In 1991 kwam ik terug en was de islam een stuk feller geworden; de vrouwen liepen met hoofddoeken. In 1997, 1998 toen ik voor de derde keer terugkwam, waren de vrouwen gesluierd, en was de islam heel streng geworden. Het gaat hier om de politieke islam; de aanhangers daarvan willen de greep op de maatschappij verstevigen. De militaire dictatuur is verzwakt. En religie geeft veel zekerheid.

In Afrika is het hetzelfde verhaal. Het Senoufo-volk in West-Afrika maakt al eeuwenlang prachtige ranke beelden die doen denken aan Giacometti. In enkele jaren tijd was het voorbij. De islam verbiedt het afbeelden van mensen. Als ze een beeld tegenkomen, wordt dat op het vuur gegooid. Het slechte van religie wint het van het goede.”

’Een dief was op heterdaad betrapt [] vlak voor mijn ogen was hij door een woedende menigte aan armen en benen in stukken getrokken.’ (‘Zeedrift’, 2009: ’Woestijnkonijn’)

„In veel andere landen, met andere religies, heb ik dezelfde mechanismen gezien. In het verhaal ’Woestijnkonijn’ in mijn nieuwste verhalenbundel ’Zeedrift’ beschrijf ik bijvoorbeeld hoe een betrapte dief in Caïro op straat gelyncht wordt, gevierendeeld.”

..Dat vierendelen komt niet door het geloof, maar het geloof staat dus wel toe dat het gebeurt. In Bali kwam ik in conflict met mijn anti-religieuze gevoelens. Religieuze rituelen en het dagelijkse maatschappelijke leven zijn daar zo nauw en harmonieus met elkaar verweven. Maar dat heb ik alleen op Bali gezien.”

’De zee, de zee, ze hadden weken achtereen over de zee gespeculeerd, maar ze waren vergeten water mee te nemen.’ (‘De blinde passagiers’, 2006)

„Bij mijn terugkeer naar Nederland in 2002 viel het mij op hoe bepalend het geloof in ons land is. Aan de einder doemen telkens kerkjes op. Het geloof is gezichtsbepalend voor Nederland. Naarmate een maatschappij verlichter wordt, rationeler, verdwijnt de religie gaandeweg. Maar nooit helemaal. Tegenwoordig is er een nieuw soort religie voor in de plaats gekomen. De cultus van het lichaam bijvoorbeeld. Op zondag zijn de kerken leeg, maar de fitnesscentra stampvol. Dat is bijna ’het lichaam als tempel’. Het leven rekken, je kunt er bijna het eeuwige leven mee verkrijgen. Er zijn allerlei pseudoreligies ontstaan.”

’[] als je als domineeszoon je geloof verliest, wordt je hele jeugd een wrange komedie.’ (‘Mijn kleine waanzin’, 2004)

„Als je religie gaat uitbannen, ben je net zo bezig als geloofsfanaten. Ik zou het prettig vinden als dat er allemaal niet was; de paus, de synodes, de dogma’s en regels. De totale verlichting, waarin ieder zich met z’n eigen geloof bezighoudt. Maar uitbannen? Als we het kunnen bedwingen en beheersen, is het al mooi.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden