Lyrisch naar het slagveld

Een Oostenrijkse soldaat leest in een loopgraaf in Frankrijk zijn ochtendgebed. (André Kertész)

De Grote Oorlog, zoals de Eerste Wereldoorlog aanvankelijk heette, bracht talloze dichters tot vervoering. De Belgische hoogleraar Geert Buelens schat dat er tussen 1914 en 1918 miljoenen – vooral patriottisch getinte – dichtwerken van zowel amateurs als van professionele poëten verschenen. Hij stelde een bundel oorlogsgedichten samen en schreef een boek over de poëzie op en rond het slagveld.

De oorlog als hoger doel. Daar krijg je tegenwoordig -– zie de missies in Afghanistan en in Irak -– nauwelijks de handen voor op elkaar in de beschaafde wereld. Laat staan dat dichters erover dichten, hooguit schrijven ze ertegen.

Dat is wel eens anders geweest. Toen Europa een kleine honderd jaar jonger was, en op 28 juli 1914 met de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië de Eerste Wereldoorlog begon, stonden de poëten klaar om met hun pen een bijdrage te leveren. „We gaan naar het slagveld zoals priesters naar het altaar”, dichtte gravin E. Salburg de Habsburgse jongens moed in op 5 augustus op de voorpagina van de krant de Neue Freise Presse; de oorlog was op dat moment net een week oud. „Ich gehe gern ein”, schreef de Joods-Duitse dichter Alfred Lichtenstein, die ook daadwerkelijk ging. Zeven weken later sneuvelde hij -- „misschien ben ik over dertien dagen dood”, had hij voorspeld in het vers ’Abschied’.

Zoals Lichtenstein waren er meer. De Russische symbolist Valeri Broesov voegde het woord bij de daad en gaf zich in 1914 op als oorlogscorrespondent omdat hij ’niets wilde missen’. De Fransman Charles Péguy was op 1 augustus tijdens de mobilisatie gestopt met het schrijven van een artikel om als reserveluitenant zijn vaderlandse plicht te gaan vervullen. De dichter stierf aan het hoofd van zijn troepen bij de proloog van de slag aan de Marne -- „Hij snakte naar den oorlog en dus moet het uitbreken daarvan voor hem een geluk zijn geweest”, schreef collega-poëet Paul van Ostaijen over de voormalige antimilitarist die zich op latere leeftijd herbekeerde tot Frankrijk en het katholicisme.

De even lugubere als vanuit hedendaags vredesperspectief onbegrijpelijke rij krijgswillige dichters zou moeiteloos aan te vullen zijn met namen van bekende en minder bekende soortgenoten. Er waren er zelfs die niet op 1914 konden wachten. De antiburgerlijke expressionist en geboren Pruis Georg Heym bijvoorbeeld. „Zo saai, saai, saai, nooit gebeurt er iets”, noteerde hij in zijn dagboek in 1910 over de wereld in vrede. „Ik hoopte minstens op een oorlog, maar zelfs dat wordt niets”, schreef hij in januari 1912 toen hij vlak voordat hij in dienst zou treden tijdens het schaatsen door het ijs zakte en verdronk. Het ’feest’ van de naderende catastrofe in de loopgraven liep hij zo alsnog mis.

Het boek ’Europa, Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog’, waar al deze voorbeelden uit komen, laat weinig over van het stereotype beeld van de poëet als werkelijkheidmijdende kunstenaar. Wie ooit illusies heeft gehad over de dichter als een bleke en maanzieke figuur die de wereld de wereld laat, moet zich dit werk van de Belgische hoogleraar Nederlandse Letterkunde, Geert Buelens, ter harte nemen. Buelens, als Vlaming vertrouwd met The Great War, heeft namelijk iets gedaan wat nog niet eerder is gedaan: hij heeft de poëtische begeleiding en deels ook verwerking van ’14-’18 onderzocht in zowat alle deelnemende naties. Er is, zo blijkt, heel wat afgeschreven. Buelens haalt een bloemlezer aan die berekende dat er alleen al tijdens de eerste oorlogsmaand in Duitsland tot de vijftigduizend oorlogsverzen per dag werden geschreven. Zelf komt hij wat de totale oorlogsduur betreft tot de inschatting van miljoenen dichtwerken van zowel amateurs als van schrijvers van professie.

Het is een duizelingwekkend aantal dat veelzeggend is voor de mentale inslag van de Grande Guerre. Het feit dat ook talloze ’zondagsdichters’ opstonden om in rijm -- het literaire emotionele voertuig bij uitstek -- hun wederwaardigheden te benoemen, leert iets over de gevoelshuishoudelijke duurzaamheid van het genre, dat in vreedzame tijden zijn weg vindt naar podia als het voormalige radioprogramma ’Candlelight’.

Maar wat het meest opvalt, is de poëtische omarming van de oorlog door de dichtersbent. Het is alsof de Piet Paaltjens’ van heel de wereld uit hun autistische sluimer ontwaakten. Eindelijk konden zij hun zielenroerselen delen met een groot publiek, dat nu net als zij, van dag tot dag emotioneel door verscheidene stadia ging, van hemelshoog juichend tot den diepste bedroefd. Weg armoedige eenzaamheid, weg kwijnend treurdicht, welkom loopgraaf, welkom strijdepos. Zo ongeveer lijkt de stemming geweest te zijn. „De oorlog bood dichter en publiek een kans om elkaar opnieuw te vinden”, schrijft Buelens.

De oorlog als poëtische ervaring. Dat is het onderwerp waar de auteur veel behartigenswaardigs over opdiept -- uit geciteerde verzen en dagboeken blijkt dat ’14-’18 talloze dichters zogezegd in topvorm bracht. Een niet onbelangrijke vraag is echter of de poëzie ons ook iets leert over de geestgesteldheid rond Wereldoorlog Eén. De collectieve mentaliteit, werpt ze daar een nieuw licht op? Neem bijvoorbeeld het vermeende oorlogsenthousiasme ten bate van het vaderland. Was dat vooral georganiseerd van staatswege of spontaan? De historici neigen naar het eerste, wordt hun indruk ook bevestigd door de dichtwerken?

Niet helemaal dus, want daarvoor zijn er net te veel poëten die ongevraagd hun verzen in staal dopen en die als het even kan zelf naar het front rennen. „Wij gaan met gifbloed de Rijn vervuilen”, schreef de Rus Majakovski, „Stand up and take the war, the Hun is at the gate”, dichtte Kipling en in Duitsland was het zogenoemde ’Hasslied gegen England’ ongekend populair. „Internationalisme werd plots een leeg en zelfs gevaarlijk begrip, patriottisme de ultieme leidraad”, schrijft Buelens.

De dichters deden niet alleen mee, ze liepen voorop en gaven aldus voeding aan wat wij achteraf zien als de grootste leugen van deze tijd: namelijk, dat er over en weer sprake was van een oorlog om de natie, de beschaving te redden. Niks waardevrije kunst, de poëzie ging uit vrije wil in een patriottische jas en werd ook nog eens gretig gelezen; een teken wellicht dat zowel de dichter als zijn lezer last had van enige impulsieve oorlogsaanvaarding.

Meer nog dan door het nationalisme lieten dichters zich leiden door de gedachte van de oorlog als zedelijke levenswet. Deze komt erop neer dat een beetje en bij voorkeur een heleboel oorlog niet ongezond is, maar juist het tegendeel: de ingeslapen natie, het onverschillige volk, de decadente wereld knapt er van op.

Het heeft er alle schijn van dat dit even morbide als meeslepende idee de dichters pas echt goed op gang bracht, want in Buelens’ boek wemelt het van de voorbeelden waarin de oorlog geldt als het ultieme medicijn. „Bij tienduizenden moet de heilige waanzin inslaan, Tienduizenden moeten de heilige Ziekte krijgen”, schreef de Duitse dichter Stefan George, die later ongewild bejubeld werd door de nazi’s. De Italiaan Tommaso Marinetti zei het nog helderder: „Wij willen de oorlog verheerlijken -- enige hygiëne van de wereld”. Zelfs een overgevoelige estheet als Rainer Maria Rilke viel voor wat hij zelf ook noemde de ’Oorlogs-God’. Wanneer deze ’zich meldde werd het individu opgeslokt door het collectieve’, schrijft Buelens. Dit tot goedkeuring van de dichter die voelde dat de moderne individualistische mens onderweg iets was kwijtgeraakt. De oorlog zou hem dat gemeenschapsgevoel en idealisme van weleer teruggeven. „Heil mij, dat ik gegrepenen zie”, aldus Rilke.

Dat men aan het front deze poëzie vol cultuurethische obsessies van een elite op zak had, is niet voor te stellen. Daar had men meer aan de gedichten van de al genoemde Lichtenstein, die naast oorlogs-positieve ook realistische verzen schreef over jongens die liever thuis koeien melken, af en toe een klootzak in elkaar rammen en ’meisjes volsteken’, dan in een loopgraaf wachten op het onvermijdelijke.

Vanzelfsprekend waren er meer gedichten waarin de oorlog niet vanuit een vaderlandslievend of hoogdravend metafysisch perspectief werd gezien, maar vanuit de ellende van de loopgraaf. De Engelse dichter en frontsoldaat Siegfried Sassoon bijvoorbeeld kon de ronkende oorlogsretoriek niet meer verdragen en schreef dat de soldaat van nobele figuur was gedegradeerd tot een ’kronkelend insect te midden van de afgrijselijke waanzin van destructie’ -- dit en een open brief kwamen hem op verwijdering uit het leger te staan en tot de verklaring tot ’halfgaar’. Dichters als Sassoon waren echter in de minderheid, net als zijn collega’s die ronduit anti-oorlogs-poëzie schreven. „Today the poetry died”, woorden van dergelijke strekking sprak de eigenheimerige Weense dichter en journalist Karl Kraus november 1914. Dat zovele dichters knielden voor de leugenachtige en moordverkopende oorlogsgod betekende voor Kraus zondermeer het einde van hun dichterschap.

In het algemeen zouden de dichters doordichten, tot het einde. In de ban van het absolute als ze waren konden ze zich niet losmaken van wat de filosoof Peter Sloterdijk ’de fase van het tragische en absolute’ noemt in de Europese geschiedenis (een fase die pas na twee wereldoorlogen ten einde kwam). De oorlog diende een hoger doel, niet zozeer voor de massa, maar wel voor de poëten. Eerlijk gezegd had ze ook een meer triviaal doel: eindelijk konden de heren dichters van hun zolderkamers af.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden