Luisterend naar oude stemmen

Uit Allard Schröders romans, ook uit zijn nieuwste, spreekt een koppig verlangen naar ernst en eruditie

ROB SCHOUTEN

Allard Schröder (1946) is een van onze beste schrijvers maar lang niet iedereen weet dat. Misschien komt dat doordat zijn werk, behalve fantastisch en meeslepend, ook klassiek en doorwrocht is en geen offers brengt aan de geest des tijds. Niet toevallig lijkt hij een sterke voorkeur te hebben voor de degelijke Duitse cultuur. Je proeft in zijn werk de invloed van de klassieke Goethe maar ook van diens romantische tegenvoeter E.T.A. Hoffmann, hij herinnert aan zowel de grote verteller Thomas Mann als aan de modernist Robert Musil.

Ook zijn hoofdpersonen hebben vaak Duitse roots of worden door Duitsland aangetrokken. De 'held' in Schröders bekendste roman 'De hydrograaf'(AKO-literatuurprijs 2002) is een Duitser die de wetten der zeegang en tegelijk die der liefde bestudeert. De vrouw Linde uit 'De econome' reist over de Autobahn naar het vagevuur in een Zuid-Duits kuuroord. De hoofdpersoon in 'Raaf' overweegt aan het slot van zijn geschiedenis die andere kant van de Duitse cultuur ('Godverdomme, wat zijn er veel Opels in de wereld'). En ook Schröders jongste roman 'De dode arm' is van Duitsland en de Duitse geest doordrenkt.

Naast de Duitse cultuur is de klassieke Oudheid Schröders grote inspiratiebron. In al zijn boeken lijken de hoofdpersonen op zoek naar een soort Arcadië, een lichtheid van bestaan die ze overigens zelden weten te vinden. In zekere zin worden ze verscheurd door een tweespalt die mij ook in Schröder zelf aanwezig lijkt: verlangen naar intellect en inzicht, gepaard aan verlangen naar liefde en genot. Zo zijn zijn (anti)helden eigenlijk steeds geënt op de oergestalte van Faust: de geletterde die alle kennis ter wereld wil bezitten maar die ook naar zijn buurmeisje hunkert.

Geen wonder dat Schröders protagonisten zich met hun tegenstrijdige idealen nogal eens in een impasse bevinden. Wetenschapper Franz von Karsch uit 'De hydrograaf' probeert zich uit alle macht aan de leegheid van zijn bestaan te onttrekken. De econome Linde lijkt op het eerste gezicht een meisje weggelopen uit chicklitliteratuur maar lijdt bij nader inzien aan melancholie en spleen. Favonius uit de gelijknamige roman is een nuchter en gelukkig man, maar wordt geplaagd door dromen en nachtmerries. Allemaal dubbelzinnige karakters.

Dat geldt ook voor de hoofdpersoon in 'De dode arm'. Ernst Elfkind Coltersteen is op zoek naar zijn vader. Zelf is hij 'een man van glas', een man zonder eigenschappen: hij heeft geen aanwijsbaar karakter, noch vervult hij een duidelijk beroep.

Karakteristiek is de periode waarin hij zich halfslachtig associeert met de ultralinkse terreurbeweging in Duitsland. Hij krijgt er een gevangenisstraf voor, maar wat hij misdaan heeft blijft op kafkaeske wijze ongewis.

Tijdens zijn Vatersuche wordt hij gesecondeerd door sprookjesachtige en spookachtige figuren, zoals het geestelijk gehandicapte meisje Almi, toonbeeld van pure onschuld met wie hij graag naar een plaats langs de dode arm van een rivier trekt, en die na haar verdrinkingsdood in de vorm van de fascinerende oudere Amélie bij hem terugkeert. Verder de duivelse Widergaenger met zijn verdorde armpje (ook een dode arm) die later ook nog eens als Widko opduikt, daarnaast nog een onduidelijke Amerikaanse militair Walker vol sterke verhalen en zo nog wat begeleiders uit het schimmenrijk. Het is duidelijk dat Schröder het bovennatuurlijke niet schuwt. Neem Widergaenger/Widko die twee keer herhaalt: "Ik ben nu eenmaal een neezegger, een geest die altijd naar iets boosaardigs streeft omdat dat nu eenmaal aardiger is." Onmiskenbaar een reïncarnatie van Mefistofeles uit Goethe's Faust, 'der Geist der stets verneint'. Het is bij het lezen van Schröder niet ondienstig de klassieke wereldliteratuur te kennen.

Ik denk trouwens dat Schröder met die opvallende aanwezigheid in zijn oeuvre van geestverschijningen en surreële omstandigheden (zoals dat ook bij Shakespeare en Goethe het geval is) eigenlijk wil zeggen: fictie bestaat, verbeelding is net zoveel waard als realiteit. Bij Schröder krijgt die verbeelding dan ook ruim baan. Zijn romans zijn breed opgezet, ze zwelgen in natuurbeschrijvingen en atmosferische stemmingen. Eigenlijk is de plot ondergeschikt.

Zo is Coltersteen in 'De dode arm' honderden pagina's lang op zoek naar zijn vader maar als hij hem uiteindelijk gevonden heeft, is het een fikse domper en gebeurt er verder niks. Alsof de auteur wil zeggen: het gaat mij om de zoektocht en niet om de vindplaats. Dat levert intussen wel romantisch mysterieuze taferelen op als deze: "Bij heldere hemel ging hij 's nachts naar buiten, het woud in, om naar de schaduwen te kijken en naar de oude stemmen te luisteren die je er al eeuwen kon horen, als je luisteren wilde. Ze waren van de Polabiërs geweest, van kromgegroeide boeren en Franse soldaten, die er in de val waren gelopen. 'Vergeet ons niet', fluisterden ze, tot ze tegen de ochtend als ijle, rusteloze schimmen tussen de bomen verdwenen en in het licht oplosten."

Schröder hanteert in al zijn werken een gebeeldhouwde, tijdloze stijl, maar dat verhindert niet dat je toch ook steeds voelt waar deze schrijver stáát.

'De dode arm' is vooral zo'n treffende en mooie roman omdat je door alle verwikkelingen heen steeds een wereldbeeld voelt gloeien, schrijnen haast. Bijvoorbeeld in deze passage waarin Coltersteen de moderne, illusieloze, snelle aard van zijn (ook al onechte) zoon Rik, die intellectuelen veracht, overpeinst: "Coltersteen knikte. In Frankfort was het indertijd niet anders geweest. Intellectuelen waren nooit populair geweest bij de harde buitenparlementairen. Eerst schieten, dan praten. Allemaal waren ze verliefd op de daad, wie daar eerst over wilde nadenken, werd genegeerd. Softie."

Het geeft de dadenloze denker Coltersteen, en overigens al Schröders hoofdpersonen, iets misplaatst, alsof ze in de verkeerde tijd zijn geboren. Over heel dit oeuvre hangt zowel stilistisch als verteltechnisch het melancholische waas van een oude wereld die op het punt staat te verdwijnen. Daarin doet Schröder mij sterk denken aan Couperus, ook zo'n turn of the century-schrijver die de overgang van de oude naar een nieuwe wereld verbeeldde. Schröders standpunt is duidelijk: hij verkiest de oude.

Dat Coltersteens vader niet de verwachte Amerikaanse piloot blijkt te zijn maar een Duitse soldaat, lijkt me in dit verband veelzeggend. In Schröders werk wint de gedegen Europese cultuur het van de oppervlakkige cultuur uit de Nieuwe Wereld.

Allard Schröder: De dode arm. De Bezige Bij, Amsterdam; 576 blz. € 29,90

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden