Luisteren naar het zingen van de zeehonden

Een donkere roofmeeuw, een kleine jager, wiekte voorbij. Net een valk. Hij had het voorzien op de zilverige buit van de noordse sterns, die voor de kust stootduikend op kleine vis jaagden. Van ver klonk het gezang van grijze zeehonden.

HENK VAN HALM

Het zingen van de zeehonden is moeilijk te omschrijven. Het klinkt als een loeiend 'hoe' of 'haa-oe', en het deelt je gevoelens mee die al even moeilijk te omschrijven zijn. Soms voel je een diepe droefenis, soms heimwee naar iets onbestemds, maar het is altijd van een ongrijpbare, bijna magische schoonheid.

Wij zaten geleund tegen de stenen muur, die de resten van een Pictenburcht van omstreeks het begin van de jaartelling boven ons tegen de aanvallen van de zee moest beschermen. In de rotsspleten aan onze voeten bloeide roze Engels gras in ronde toeven, als biedermeiers. We spraken nauwelijks, luisterden en keken naar de robben. Met de kijker waren ze net te zien aan de overkant van het water, op een rif vlak voor de lage groene kust van Eynhallow, het heilige eiland van de Vikingen die tot in de vijftiende eeuw zeven eeuwen lang in Orkney de dienst uitmaakten.

De groene velden van het onbewoonde Eynhallow strekken zich uit tot het stenige strand. Grijze zeehonden werpen hun jongen in het gras, net boven de hoogwaterlijn. Terwijl hun moeder vist, blijven de jongen achter, want ze kunnen niet meteen zwemmen, zoals gewone zeehondenpups. Ze leren het een maand na de geboorte, als ze hun witte wollige babyvacht hebben verruild voor een stemmiger pakje. Ze spartelen eerst in een rotspoeltje en proberen daar al wat te vangen, garnalen en visjes, en ze spelen met de lange slierten zeewier.

De jonge grijze zeehonden worden geboren in oktober en november en het was toen eind augustus. Dan beginnen de robben zich op de kraamplaatsen te verzamelen, die even later tevens het toneel zijn van hevige gevechten tussen de oude mannetjes, die een harem proberen te vormen van zo'n zes tot tien vrouwtjes. Na de voortplantingstijd zwerven de grijze zeehonden weer weg.

FRAAIE KUST

Midhowe ligt er nog bij zoals ik me dat herinner van negen jaar geleden. Alleen het dak over het langste kamergraf in Orkney is vernieuwd en er is bebording aangebracht voor wandelaars. De westelijke kust van Rousay gaat door voor de fraaiste van heel Orkney. Een beschreven wandeling van ongeveer anderhalve kilometer, op je gemak te doen in ongeveer drie kwartier, voert van Midhowe naar Westness. Een route die gaat langs resten van burchttorens (brochs) uit de ijzertijd, kamergraven (cairns) uit de jonge steentijd, oeroude ruïnes van een kerk en van boerderijen, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de Vikingtijd.

Met parmantig opgewipte staart zingt een winterkoning zijn schallende liedje boven op de kerkhofmuur van de in 1820 verlaten vroegere parochiekerk van Rousay, St. Mary's Kirk. Ergens tussen de los opgestapelde stenen moet hij zijn nest hebben, net als de witte kwikstaarten, die voortdurend roepend rondvliegen. Atalanta's en een knollenwitje vliegen rond boven de oude zerken. Op een gevelnok van de kerkruïne zitten vier noordse stormvogels. Ze baltsen tegen elkaar met gestrekte nek en open bek en maken rauwe keelgeluiden.

Een vierkant bouwsel naast de kerk, The Wirk, sluit aan bij een massieve rechthoekige ommuring, het enige restant van een grote ceremoniële hall uit de dertiende of veertiende eeuw. In de muren van de vierkante toren waren afvoeren van hoger gelegen latrines. Ik merk dat The Wirk door wandelaars met hoge nood nog frequent wordt gebruikt.

ALS ZAKKEN MEEL

Ik kom niet verder dan Skaill Farm - de naam komt van het oud-Noorse 'skali', wat hall betekent en de hoge status van de Noorse vestiging in dit gebied aanduidt. In de ruïne is de hoge ronde oven, waarin gerst werd ge2/3droogd, nog intact. Op de kust van Skaill Farm liggen de zeehonden als zakken meel op de platte rotsplaten. Ik doe alsof ik ze niet zie en wandel over het hellende strand vol grote losse rolkeien naar de rand van het water.

Het is vloed en het grootste deel van de rotsplaten ligt onder water. Hooguit veertig meter zee scheidt mij van de rustende kudde. Het zijn gewone zeehonden, geen grijze. Ik tel er elf. Ze liggen er al een tijdje, want hun donkergesprenkelde zandkleurige vacht ziet er droog uit. Hun witte snorharen steken duidelijk af in het tegenlicht.

De robben trekken zich niets van me aan. Een geeuwt met wijd open bek, een andere rolt zich behaaglijk op zijn zij. Soms krabben ze zich met een flipper en ik schiet in de lach, als ik er een (per ongeluk?) een ander zie krabben, die verbaasd achterom kijkt.

Gewone zeehonden zijn honkvaster dan grijze. Ze blijven niet alleen in de paartijd (augustus en september) op een plek, maar een groot deel van het jaar. Jongen worden in mei en juni geboren bij eb geboren en zwemmen meteen met de vloed mee met de moeder. Vijf of zes weken later gaan ze al hun eigen weg. Ik zie er niet een.

Drie donkere zeehonden liggen wat terzijde in ondiep water. Ze zijn wel anderhalf keer zo groot als de andere. Het zijn oude grijze zeehonden. Een heeft een wond in zijn rechterzijde, die al aan het genezen is, waarschijnlijk opgelopen bij een gevecht met een rivaal.

KEGELROB

Behalve aan de grootte zijn grijze zeehonden gemakkelijk van gewone te onderscheiden door hun 'Griekse neus', waardoor de kop een kegelvorm heeft. Gewone zeehonden hebben een ronde kop met grote ogen en een korte snuit.

Er zijn meer grijze zeehonden dan ik aanvankelijk dacht. Ze vissen bij hoogwater. Af en toe duikt een kop vlakbij op. Ondanks de felle vervolgingen door vooral zalmvissers waaraan ze blootstonden, zijn grijze zeehonden heel nieuwsgierig en nauwelijks bang voor mensen. Af en toe klinkt weer de roep om een 'culling', maar tegenwoordig worden alleen bijzonder lastige exemplaren, die zich gespecialiseerd hebben op het vernielen van de zalmperken, afgeschoten.

Hun geringe schuwheid gaf voedsel aan de legende van de selkies, de zeehonden die 's nachts het strand op kwamen, hun huiden aflegden en dan betoverend mooie mensen werden, maar snel weer in hun huiden schoten en in zee vluchtten als ze door sterfelijke mensen werden betrapt. Als je het gezang van de grijze zeehonden hoort, ben je geneigd de legende te geloven.

natuur deze week

De vruchten van de krentenboompjes zijn overrijp. Mussen, houtduiven, merels, zanglijsters en spreeuwen vallen er op aan. De donkerpaarse vruchten zijn ook voor mensen eetbaar, maar smaken een beetje flauw. - De grote kattenstaart is te vinden aan slootkanten en in natte duinvalleien. De plant bloeit de hele zomer met een lange toorts van paarsrode bloemen, die vooral witjes, citroenvlinders, distelvlinders, dagpauwogen en atalanta's trekken. - Het geel met oranje vlasleeuwenbekje is een bermplant, maar vooral daar waar de bodem zandig is. Daarom zie je het zo vaak aan spoorlijnen en aan snelwegen met een zandlichaam. De nectar kan alleen uit de lange spoor worden gehaald door langtongige hommels, die zwaar genoeg zijn om door hun gewicht de stijf gesloten leeuwenbek te openen. - De voor heggen gebruikte en vierkant geschoren liguster heeft een wild zusje, dat vooral in de duinen groeit. Zowel de wilde als de gekweekte liguster bloeien met witte trosjes, die doordringend zoet geuren. Vooral dagvlinders van de vossenfamilie komen er op af: gehakkelde aurelia's, atalanta's, dagpauwogen en kleine vossen. - Boven het kroos in sloten en vaarten zwermen in de middag en de avond kleine witte vlinders. De rupsen van deze kroosmotjes leven in een kokertje van samengesponnen kroos in het water en verpoppen zich in de oever net boven de waterspiegel. - Een opmerkelijke nachtvlinder is de wapendrager. Overdag rustend op een takje of op de grond vouwt hij zijn vleugels om zijn lijf. Die vleugels hebben de kleur van berkenbast en okerkleurige met bruine vlekken op zijn borststuk en vleugeltoppen maken dat hij op een takstompje lijkt. Wapendragers leggen hun eieren bij voorkeur op berken, populieren en elzen, waar de harige rupsen in augustus te vinden zijn. - In bermen en graslanden sjirpen de veldsprinkhanen vooral op warme dagen druk. Er bestaan veel verschillende soorten, die allemaal een eigen geluid maken. Sommige soorten danken er namen als locomotiefje, wekkertje, snortikker en ratelaar aan. - De veldkrekel maakt een heel ander geluid dan een sprinkhaan. Het gedrongen gebouwde zwarte insect leeft op droge, zonnige plaatsen met een korte vegetatie. Het mannetje sjirpt aan de ingang van zijn holletje door de vleugels ritmisch langs elkaar te wrijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden