Luister, mijn zoon

Hoe geef je handen en voeten aan wat je hoort in de kerk of leest in de Bijbel? Hoe komen we van Woord, via daad tot ervaring? Met die vragen bezocht Jan Veenendaal in 1993 het benedictijner klooster ’de Slangenburg’ in Doetinchem. Kan de benedictijnse leefwijze een antwoord zijn? Op 6 januari 1997 begon hij met zijn vriend, ’de dominee’, aan een experiment, waar Trouw die dag verslag van deed. De afgelopen vijftien jaar hield Veenendaal een logboek bij. In juli en augustus publiceert Trouw hier wekelijks een pagina uit. Vandaag deel 1: „En jij Jan, waarom ben hij hier?”

In de verte slaat een zware deur. Krakende voetstappen van leren zolen komen langzaam naderbij. Een deur, nu veel dichterbij, wordt knarsend geopend en weer gesloten. Een luikje, achter een smeedijzeren hekje gaat open en een rond monnikengezicht verschijnt. „Ah, de dominee”, en het luikje gaat weer dicht. Grendels worden opzijgeschoven en de deur zwaait open met een zeer welgemeend: „Deo Gracias”.

Pater Ko stapt over de granieten drempel naar buiten op de rode plavuizen, die op de vloer liggen van het kleine portaal dat een weinig uitsteekt voor de hoofdingang van het klooster.

Hier vinden gasten bij regenweer beschutting wanneer ze aanbellen aan de deur van het klooster. Aan weerszijden zijn twee bankjes, mocht het wachten enige tijd in beslag nemen, want wat is tijd in een klooster, dan kan de bezoeker hier even in alle rust zitten.

’De dominee’ wordt door de gastenpater aan zijn hart gedrukt. „Dag dominee, weer van harte welkom, fijn dat u er bent”. Vervolgens word ik door de dominee voorgesteld als ’mijn vriend Jan’. Na nog meer welkomstwoorden door pater Ko, stappen wij, nu gedrieën, weer over de hardstenen dorpel, op de harige voetenmat die aan de andere kant van de deur licht.

De pater neemt ons direct mee naar de ontvangstkamer rechts van de ingang achter het telefoonhokje met de ansichtkaarten. Na ons stoelen gewezen te hebben, verdwijnt hij meteen om te zorgen voor koffie, thee en koekjes. En ook nu blijkt weer dat tijd er in een klooster niet zo toe doet, tenminste niet de chronostijd, de tijd van ons horloge. Het duurt even voordat wij weer gedrieën om de tafel zitten met een bak oude koffie, verse thee en biscuitjes die al enige tijd in het trommeltje hebben gezeten.

Na nógmaals hartelijke welkomstwoorden door pater Ko, beginnen ’de dominee’ en de pater een gesprek. Ik heb alle zintuigen nodig om tot me door te laten dringen waar ik eigenlijk ben. Deze omgeving is mij wezensvreemd.

De dingen gaan toch raar in het leven. Geboren en groot geworden in een gezin met zes kinderen, ben ik gedoopt in de Hervormde kerk (bonders). Pa en ma gingen, geloof ik, al rap naar de Oud-gereformeerde kerk, want men bevond de bonders te licht. Deze kerk, die toen nog in de kinderschoenen stond, is later uitgegroeid tot een gemeente van duizenden zielen onder het (mystieke) leiderschap van de illustere dominee van der Poel. Rond mijn zestiende ben ik ermee gekapt. Op weg naar de kerk sloeg ik rechtsaf naar vrienden. Vrouwen, feesten, drank, het edele bridgespel (en de benodigde studie) waren toch werkelijk interessanter dan de voortdurend dood en verdoemenis prekende dominee en ouderlingen, inclusief de daarbij behorende huisbezoeken. Maar ja, toen José en ik intiem bevriend raakten, er sprake was van trouwen en van kinderen, kwam ook de kerk weer in het zicht. Oud-gereformeerd was geen optie dus werd het gereformeerd, de kerk waar José wegkwam...

„En jij Jan, waarom ben hij hier?”

De stem van pater Ko doet mij terugkeren aan de vierkante tafel met het aan de randen sleets geraakte kleed. „Ik ben uitgenodigd door Hans”, is het antwoord. Daarna begin ik aan een langer antwoord: „We zijn een aantal maanden bevriend; wij ontmoetten elkaar tijdens een drietal gespreksavonden in het kader van het programma ’Bespreek ’t samen’ met als onderwerp: bidden. En omdat wij, na die avonden, met elkaar in contact bleven, kwam van het een het ander. Ik had Hans een boek meegegeven van de schrijver Hall Lindsey waar ik nogal intensief mee bezig was en ik vroeg hem op de laatste avond om het boek te lezen en een afspraak te maken om er eens over te praten. Die afspraak maakte hij binnen drie dagen. Toen hij binnenkwam en nog voordat hij zijn jas had uitgetrokken en opgehangen, zei hij: „Dat is rotzooi, dat moet je niet lezen, weg ermee”.

Ik vervolg tegen pater Ko: ’Het gesprek begon op die avond niet erg plezierig. Na een eerste bak koffie was Hans de dominee en ik, Jan. En er was ook alle reden toe, ik wist weinig en Hans veel, met zijn veertigjarig domineesbestaan, met veel pastorale ervaring en studie van de Schriften, met een uitgebreide bibliotheek en veel mensenkennis. En dan ik, die mijn geloof, als je daarvan kon spreken, fundeerde op een paar weetjes uit vervlogen tijden. Na een fles wijn was het ijs dan misschien nog wel niet gebroken maar was in ieder geval de atmosfeer ontdooid. Toen Hans begon te vertellen over dit klooster, over zijn klooster, was mijn interesse gewekt en op zijn vraag eens mee te gaan heb ik ja gezegd. Wel, daarom zit ik nu hier”.

„Nou, goed dat jullie er zijn, ’de dominee en Jan’”. En dat is sinds die tijd zo gebleven, tenminste in het klooster: de dominee en Jan.

Na een tweede bak koffie, die inmiddels kouder en nog ouder is geworden, gaan we met pater Ko naar de eerste verdieping van het kleine intieme klooster. Daar zijn de cellen voor de gasten. Aan Hans wordt toegewezen cella drie, grenzend aan de binnenplaats, dat uitgespaarde midden met de bron, waar omheen het klooster is gebouwd. Ik krijg de tegenoverliggende, grenzend aan het voorterrein met het grind, waar de fontein staat met het bronzen beeld van de hand van de monnik en beeldhouwer Henri Boelaars, verbeeldend twee monniken die elkaar op hoofse wijze groeten. De cel is klein onder het schuine dak met het gietijzeren dakraam. In de hoek is een wastafel met de spiegel en de twee oude kranen. Er is een kleine tafel met een stoel om te lezen of te studeren of te schrijven. En er is de zogenaamde gemakkelijke stoel. Op de tafel een kleine map met een welkomstwoord, de tijden van de getijden en de gebruiken in het klooster. En dan is er natuurlijk het bed, zo ver mogelijk weggeschoven onder het schuine dak om ruimte te besparen. Strak opgemaakt met aan het voeteneinde drie opgevouwen dekens.

De klok luidt: tijd voor de vespers. Gezamenlijk dalen wij de stenen trap af en nemen plaats op de enige bank in de kapel. Deze bank staat links achteraan tegen de centrale verwarming. Een hoge ijzeren plaat waar je prettig met je rug tegen aan kunt zitten. Alleen de plaat is niet onwrikbaar opgehangen en kraakt in de beugels bij de minste of geringste beweging, dus is het zaak stil te zitten. Een eerste mooie oefening, stil zitten ter wille van de stilte. Want dat is wat je hier in het klooster als eerste ontmoet: de stilte. En inbreuk maken op die stilte lijkt haast een zonde tegen de hele omgeving, en met name tegen de kapel.

Nogmaals luidt een klok. De grote deuren worden ontsloten en achter die deuren klinkt een geschuifel van voetstappen, alsof mensen een plaats innemen in een rij. Dat blijkt ook zo te zijn, want nadat iedereen is opgestaan, schrijden de monniken binnen. Voorop de abt met aan zijn zijde de prior en achter hem in hiërarchische volgorde eerst de paters en dan de fraters. In eerbiedig naderen, met een kleine buiging naar het altaar en elkaar, splitst de rij zich. Beiden nemen plaats in de tegenover elkaar liggende koorbanken. In stilte wachten zij en wij met hen op wat komen gaat. Een droog ’pok’ klinkt en allen gaan staan. „Wees hier aanwezig, God van de machten, licht in ons midden, wees onze Heiland dat wij herleven. Wees hier aanwezig dat wij herleven” klinkt het sereen uit de mond van de verzamelde monniken. Bij het: „Eer aan de Vader en Zoon en de Heilige Geest buigen allen eerbiedig”. Mijn gereformeerde rug wil niet.

Psalmen worden gezongen uit de bundel van Gerhardt/van der Zeyde, in stem en tegenstem. Een aantal, en in zijn geheel. Het mag duren, want er is tijd voor, het opus Dei, het werk Gods is een van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste werk in het klooster, tenminste in dit klooster.

Daarna volgen nog veel meer indrukken: de overal aanwezige stilte, de eenvoud van de maaltijd in de refter (de eetzaal) met grof bruin brood, kaas, chocolade vlokken en roggebrood. De zorg voor de ander, de helpende hand. Het sprankelende voorlezen tijdens de maaltijd, bij het avondeten steeds uit de regel van Benedictus, die begint met: Luister, mijn zoon.., de concentratie van kennis, kunde en creativiteit in het klooster. Het leren omgaan met de tijd: ’ach, we zijn er hier nog niet zo lang mee bezig, zo ongeveer vanaf 1940’. De eenvoud en deemoed van deze mensen, geleerd in de koorbanken door samen te bidden en op de steiger door met elkaar te bouwen aan dit (hun eigen) klooster.

Later dat weekeinde volgen er meer gesprekken met Hans en pater Ko. Langzaam ontkiemt de de vraag: ’Zou een leefwijze als deze met de dagelijkse aandacht voor lichaam, ziel en geest, zo geleefd binnen de muren van dit klooster, ook kunnen buiten de muren’?

Wellicht is er een kans. Maar ik besef dat er dan één ding zal moeten gebeuren: werk maken van dat: ’Luister, mijn zoon’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden