'Luisa Miller' van Verdi wederom vergald door wanstaltig steigerdecor

Nog op 6, 9, 12, 15, 18, 21, 24, 27 en 30 maart (op 18, 21 en 24 zingt Fiorella Burato de titelrol)

PETER VAN DER LINT

De reprise van Werner Schroeters productie van 'Luisa Miller' voor De Nederlandse Opera riep na een bezinktijd van ruim vijf jaar weer veel irritatie op. In 1991 was het misschien nog modieus-gedurfd (de Franse krant Le Monde wijdde er toen op de voorpagina een lyrisch artikel aan), nu is de regie vooral gedateerd en staat ze nog immer hopeloos haaks op Verdi's partituur.

De regisseur had dit keer wel het geluk dat hij kon werken met sopraan Nelly Miricioiu, een heuse operadiva van het soort waar Schroeter zo van houdt. Bij het slotapplaus hield hij bijkans niet op Miricioiu's hand te kussen en gelijk had-ie. Niet dat Miricioiu kans zag om het vervelende zicht op het gigantische perspex poppenhuis waarin het verhaal zich de hele avond afspeelde, weg te nemen, maar zij kwam vooral na de pauze een heel eind. Met grote concentratie in spel en zang wist zij de zaal muisstil te krijgen (uitzonderlijk voor Amsterdam) en kon het publiek zich focussen op waar het in opera om gaat: menselijke emotie.

Steigerbouw

'Miller, voor al uw steigerbouw!' De vader van Luisa als verhuurder van steigermaterialen. Het decor van Alberte Barsacq van perspex en metaal is een soort mislukt-modieuze combi van de decors die de Nederlandse Opera in de afgelopen jaren liet ontwerpen voor 'Die Fledermaus', 'Salome' en 'Die Frau ohne Schatten'. We hebben het allemaal al eens gezien, maar zelden zo lelijk.

De bedoelingen die Schroeter met dit decor en met zijn regie had, zijn op zich wel helder. Hij presenteert tijdens de ouverture alle hoofdrolspelers in het drama rond het Tiroler meisje Luisa, haar vader en haar minnaar. Als in een soort barokke opera seria bevolken aan het begin van de opera alle medewerkenden de diverse lagen van het immense decor. De hoofdrolspelers mogen dan na het zingen van hun respectievelijke solo's af; de traditie van de exit-aria in ere hersteld. Maar het werkt niet! Het wordt zelfs ronduit beledigend voor de arme Catherine Keen (Federica), die een uur lang in een grote hoepeljurk bovenaan een smal, krakend wenteltrapje moet zitten, even naar beneden mag om wat te zingen, en weer hoog en droog zwijgend moet toekijken hoe de anderen zich groots door de eerste finale zingen.

Het idee dat iedereen elkaar kan bespieden in dit verhaal over list en liefde (gebaseerd op Schillers 'Kabale und Liebe') is na een paar minuten al duidelijk, maar de uitwerking ervan in de tweeënhalf uur die volgt, staat bol van de bewuste potsierlijkheid. Luisa wil met Rodolfo trouwen en hij met haar, maar beider vaders zijn tegen. Intrigant Wurm gooit olie op het smeulend vuur, weet Luisa zover te krijgen dat ze (om haar vader te redden) een liefdesbrief aan hem schrijft. Alle list en bedrog leiden tot het drinken van vergif door Luisa en Rodolfo, die nog net Wurm kan neerschieten.

Verdi staat in deze partituur op de drempel naar zijn grote successen 'Rigoletto', 'Il Trovatore' en 'La Traviata'. In de begeleidingen van aria's en ensembles bereikt Verdi al een grote mate van originaliteit. Klarinet en fluit spelen hoofdrollen, wat Ton Schatteleijn en Hanspeter Spannring prachtig uitbuitten. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelde onder leiding van Graeme Jenkins schitterend. Minpunt is het totaal uit balans klinkende elektronische orgel.

Jenkins dirigeerde al eerder mooie Verdi's bij de Nederlandse Opera (vreemd dat een deel van de pers hem absoluut niet ziet zitten); met deze zeer heldere, gedetailleerde 'Luisa Miller' benaderde hij de opera prachtig vanuit de belcanto-traditie.

Eindelijk kon het Nederlandse publiek dan Nelly Miricioiu (de koningin van de concertante opera's) op het toneel zien. Haar stem en haar spel wisselde subliem van jonge onschuld (bleek, breekbaar timbre met ragfijne pianissimi) naar wanhopige woede. In het grote duet met haar vader (opvallend mooie en groots gezongen rol van Alexandru Agache) was haar interpretatie onnavolgbaar fraai.

Schroeter regisseerde deze scène als een soort waanzinsduet (mooi bedacht) en zowel Miricioiu als Agache wisten dit idee zowel scènisch als vocaal mooi in te vullen. De Rus Vladimir Galouzine (Rodolfo) had met de eerste helft van zijn grote aria veel moeite om op toon te komen, maar hij overtuigde met zijn stentor-tenor verder volkomen in deze rol.

Peter Rose (graaf Walter) herhaalde zijn waardige interpretatie uit 1991. Barseg Tumanyan (Wurm) had het ideale timbre voor de intrigant, maar Jenkins moest hem voortdurend tot de ritmische orde roepen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden