Luiers om, kunstgebitten in

Verpleeghuis Gelders Hof zit krap in het personeel en krap in het geld. Bejaarden die intensieve zorg nodig hebben zijn er genoeg. Ziekenverzorgende Daniëlla blijft vrolijk, ook al plast mevrouw Van Zwol in haar broek en trekken de bewoners het kleed van de tafel.

Mevrouw Berends zit in haar rolstoel heen en weer te wiebelen. Ze maakt voortdurend mekkerende geluidjes. Voor haar staat een bordje met een boterham, die Daniëlla (29) snel en handig in kleine blokjes snijdt. Maar mevrouw Berends wil of kan haar mond niet opendoen. Met moeite perst Daniëlla een stukje brood bij haar naar binnen, en gaat dan gauw meneer De Lange zijn pap brengen. Daarna gaat ze bij mevrouw Geerlings zitten om haar een boterham met aardbeienjam te voeren. Of nee, niet voeren. Dat vindt Daniëlla een rotwoord. “Dat doe je bij dieren. Dit is helpen.”

Het is dinsdagmiddag, kwart over vijf. De bewoners van het verpleeghuis Gelders Hof in Dieren zitten aan de avondboterham. In een van de drie 'huiskamers' op de psychogeriatrische afdeling zijn negen mensen bijeen. Een paar zitten aan tafel, twee liggen op een verrijdbaar bed, een hangt helemaal scheef in een soort kinderstoel met een houten schotje ervoor. Zij zijn oud, sommigen heel oud, en lijden allen aan een 'dementieel syndroom', zoals dat tegenwoordig heet.

En daarnaast vaak aan tal van lichamelijke aandoeningen. Ziekenverzorgende Daniëlla is net begonnen aan haar avonddienst. Van vijf uur 's middags tot elf uur vanavond is zij verantwoordelijk voor tien zwaar demente bewoners. In haar eentje.

“Wat doe je?” vraagt mevrouw Geerlings angstig. “Wil je mij helpen? Kom je bij mij?” “Ik ben toch bij u”, zegt Daniëlla geruststellend, terwijl ze mevrouw Geerlings tot nog een hapje probeert te verleiden. “Ik heb helemaal niemand”, zegt die, plots verdrietig. “Jawel”, zegt Daniëlla, “u heeft een man en twee kinderen.” “Oehoe,”, roept mevrouw Van Zwol vanaf de andere tafel. “Kun je me naar de wc brengen?” Daniëlla aarzelt, zegt dan: “Nee, we zijn nu aan het eten.” Waarop mevrouw Van Zwol subiet begint te jammeren dat ze 'helemaal nat' is. “O, lekker”, zegt Daniëlla, en ze lacht er maar om.

Wat later zegt ze: “Als ik met haar naar het toilet ga, willen nog drie anderen ook. En dan kan ik helemaal geen toezicht meer houden op het avondeten. Maar is dat nog wel menswaardig? Wie ben ik om te bepalen of iemand naar het toilet mag?”

Meneer De Lange schudt misprijzend het grijze hoofd. “Oude mensen worden net kinderen, he?” zegt hij helder. “Ik zou er niet mee kunnen omgaan.” Daniëlla lacht. “Maar meneer De Lange, wij kunnen toch ook met u omgaan?” “Nee hoor”, zegt hij. “Soms denk ik weleens: Nou, nou, nou.” Hij staat op, schuifelt de huiskamer uit. Daniëlla kan niet achter hem aan; ze spoedt zich met een servetje naar een van de dames wier kin druipt van de aardbeienjam.

Gauw mengt ze daarna de medicijnen van mevrouw Verhoef met een beetje appelmoes. Mevrouw Verhoef, de tiende bewoner van Daniëlla's groep, ligt de hele dag op haar slaapkamer. Ze kan niets meer, zelfs geen pilletje slikken. Daniëlla gaat haar het hapje appelmoes brengen. Even gaat ze op de rand van het bed zitten, praat wat tegen mevrouw Verhoef. “Op dit moment”, zegt ze, “kan er van alles gebeuren in de huiskamer. Er kan iemand vallen, ze kunnen ruzie krijgen.” Ze zucht, zegt dan: ”Meestal gaat het goed.”

In november ging het fout. Mevrouw Laarmans, altijd nogal kwiek, was naar haar slaapkamer gelopen terwijl Daniëlla bezig was in de woonkamer. “Toen ik later ging kijken, lag ze op de grond met een gebroken heup.” Nu heeft mevrouw Laarmans pinnen in haar heup, en doorligplekken op benen en billen. “Altijd komen mensen met doorligplekken uit het ziekenhuis”, zegt Daniëlla terwijl ze wat pleisters op de wonden plakt. “Die kunnen wij dan weer verzorgen.”

Het personeel in Gelders Hof werkt zich 'uit de naad', zegt de bezorgde verpleeghuisdirecteur Elisabeth Burgers. Zoals overal in de Nederlandse verpleeghuizen. Een lijvig rapport dat vorige week verscheen, beschrijft een zeer hoge werkdruk en een personeelstekort dat snel groter wordt. En dat terwijl de wachtlijsten groeien, en de bewoners van verpleeghuizen alleen maar méér zorg nodig hebben.

In Gelders Hof ziet men de 'zorgzwaarte' toenemen; met tien procent sinds 1996, om precies te zijn. René Kooymans, hoofd van de afdeling psychogeriatrie waar Daniëlla werkt, 'meet' de zorgbehoefte van zijn bewoners door ze onder te verdelen in de categorieën A tot en met E. Een A-bewoner kan zichzelf nog enigszins redden. “Daar hebben we er nu geen een meer van”, zegt Kooymans. “Van de dertig vallen acht bewoners in categorie E. Die zijn de hele dag de weg kwijt, kunnen niet meer zelf eten en naar de WC, niet zelf draaien in bed.” Ondertussen staan er nog veertig demente bejaarden op een wachtlijst voor zijn afdeling -3 zij wachten gemiddeld anderhalf jaar.

Met zijn personeel komt Kooymans net uit, maar zodra iemand ziek wordt is er een probleem. En waar er dit jaar vier nieuwe mensen nodig zijn om het werk aan te kunnen, financiert de overheid er slechts twee extra. “Zonder de honderdtwintig vrijwilligers die ons helpen, zou het allang niet meer gaan”, zegt Kooymans.

De directie Ouderenbeleid van het ministerie van volksgezondheid onderkent het probleem, maar schrijft tevens in het blad van het ministerie niet te willen 'meezingen in het kommer-en-kwel-koor': 'Uiteraard zullen alle partijen, met de beste bedoelingen, de eigen nood overdrijven.'

Maar hier, in Gelders Hof, wordt niet overdreven, niet geklaagd. Er wordt gewerkt, en iedere gulden wordt gewikt. Directeur Burgers vertelt hoe zij het management heeft teruggebracht, ten gunste van meer 'handen aan het bed'. Hoe het geld voor de benodigde nieuwe badkamer bij elkaar is gebracht door de vereniging Vrienden van Gelders Hof. Hoe het personeel probeert te bezuinigen op de was: één handdoek laten wassen kost een gulden. Langer met een handdoek doen, dus. De damasten tafelkleden zijn verruild voor plastic placemats, die je met een doekje kunt afnemen. “Maar nog altijd”, zegt Burgers, “hebben wij te weinig budget voor de stijgende zorgvraag. Heel verontrustend.”

Daniëlla merkt het dagelijks. “Bijna nooit heb ik tijd om de mensen wat aandacht te geven”, zegt ze. “Meestal kan ik net doen wat gedaan moet worden. De basiszorg: eten, drinken, wassen.” Ze verdient 2300 gulden netto voor een werkweek van 32 uur. Soms, met de nachtdienst, iets meer. “Mijn vrienden en familieleden zeggen altijd: hoe hou je het vol. Maar wij, in de verzorging, zijn niet zo klagerig. En geld interesseert ons niet zo.” Ze vindt haar werk heerlijk: “Rapportcijfer acht.” Maar ze vindt het ook zwaar, en de laatste jaren steeds zwaarder. “Alles wordt geprobeerd om mensen langer thuis te laten wonen”, zegt ze. “Dat vind ik een goede zaak, maar sindsdien krijgen wij hier alleen nog de mensen die helemaal niets meer kunnen.”

De dertig demente bejaarden op de psychogeriatrische afdeling worden vanavond verzorgd door drie jonge vrouwen, onder wie Daniëlla. Zij worden beurtelings bijgestaan door Henny (35), die als een soort vliegende keep van de ene naar de andere wooneenheid loopt. Ze komt binnen en gaat de afwas doen. Mevrouw Geerlings probeert haar meteen te claimen: “Wat ga je doen? Kom je bij mij?” Maar Henny moet Daniëlla helpen een van de andere bewoners naar bed te brengen. Mevrouw Geerlings wil mee. “Nee, we komen zo terug”, bezweert Henny. “Naar hè”, verzucht ze dan. “Ik kan haar nu geen aandacht geven. Misschien straks.”

Henny is moe. “Het nadeel van dit bijspringen”, zegt ze, “is dat ik alleen maar bezig ben met de meest bewerkelijke mensen. Als Daniëlla iemand niet alleen kan tillen, word ik erbij geroepen. Dat is lichamelijk soms te zwaar. En als de bewoners verder achteruitgaan, wordt het nog moeilijker.”

Halverwege de avond gaan ze even de afdeling af voor een pauze van een half uur. Ze vertellen dat ze zich iets anders hadden voorgesteld toen ze dit vak kozen. “Toen ik de opleiding ging doen”, zegt Henny, “was er meer personeel, dat nog eens met de bewoners ging wandelen, en in de zon zitten.” “Maar dat was voor de oorlog!” lacht Daniëlla. “Nee hoor”, zegt Henny, “halverwege de jaren tachtig. Toen kon je met de bewoners nog rustig een paar uurtjes badderen. Dat is nu onvoorstelbaar.”

Ze betreuren het hevig dat ze zo weinig extra tijd voor de patiënten hebben. “Als iemand geen familie heeft, heeft-ie pech”, zo vat Daniëlla de situatie samen. Henny: “Er zijn ook mensen die aandacht nodig hebben maar het niet vragen. Dus krijgen ze het niet. Wie het laatst roept, krijgt het laatst. Dat is rot hoor.”

Daniëlla: “Zelfs als iemand stervende is, kun je niet eens fatsoenlijk aan het bed gaan zitten.” Dan, weer monter: “Maar je went er wel aan, we moeten het gewoon doen met wat we hebben.”

“Je moet geduld hebben, en vrolijk zijn”, benadrukt ze terwijl we teruglopen naar haar afdeling. “En soms is het gewoon puinruimen”, zegt ze lachend, als ze het bonte gezelschap ziet dat in haar afwezigheid het tafelkleed van tafel heeft getrokken.

Mevrouw Berends zit nog altijd zachtjes te mekkeren. Daniëlla duwt haar rolstoel naar haar slaapkamer en maakt haar in een half uur klaar voor de nacht. Jurk uit, pyjama aan, draagband om haar middel. De band wordt aan een tillift gehaakt, waarmee ze omhoog gehesen kan worden, tot boven het bed. Liftje weer naar beneden, band los, mevrouw Berends ligt. “Mevrouw Berends”, vraagt Daniëlla vriendelijk, “mag ik even uw tanden poetsen?” Als antwoord wijken de oude lippen wat uiteen; Daniëlla haalt haar kunstgebit eruit. “Daar wen je aan”, zegt ze laconiek. “Maar die geluidjes die zij altijd maakt, daar kan ik soms niet zo goed tegen.”

Ze wast de panty's van mevrouw Berends uit, en doet haar een luier om. In principe zijn de luiers bestemd voor incontinente bewoners. “Maar soms,” bekent Daniëlla, “als we het erg druk hebben, doen we een extra grote luier om. Omdat we dan misschien geen tijd hebben om met iedereen naar de wc te gaan.”

Om kwart over tien ligt iedereen in bed. Daniëlla gaat ze allemaal nog een keertje langs. Mevrouw Van Zwol, ziet ze op haar ronde, zit alweer onder de poep. Gauw verschonen, dan het dagrapport schrijven. Om kwart voor elf komt de nachtdienst, bestaande uit één jonge vrouw. Zij is vannacht verantwoordelijk voor dertig demente bejaarden.

De volgende ochtend om kwart over zeven is Daniëlla samen met haar collega Anja (28) alweer druk met het aankleden van mevrouw Geerlings. Zij heeft in bed geplast. Daniëlla wast haar billen en kleedt haar aan. “Doet u maar even uw voet omhoog.” “Maar dat heb ik nog nooit gedaan!”, zegt mevrouw Geerlings paniekerig. Daniëlla pakt de voet en trekt de pantykous eroverheen. Een voor een worden de bewoners gewassen; een enkeling krijgt de wekelijkse douchebeurt. Luiers om, kunstgebitten in, haren kammen.

Om half tien leunt Anja even tegen de deurpost en gaapt Daniëlla hartstochtelijk. “Ik zal de dag prijzen als het twee uur is”, zegt ze. “Ik ben aan het eind van mijn latijn.” Nog drie mensen moeten uit bed gehaald, ze verdelen de taken. Daniëlla gaat boodschappen doen. “We moeten sinds kort de boodschappen voor de afdeling zelf halen in de winkel hier in huis”, legt ze uit. “De bedoeling was om dan een bewoner mee te nemen, zodat die er even uit is. Maar soms heb ik geen tijd voor dat schuifelen en snuffelen in de winkel, en ga ik even snel alleen. Tja, het moet uit de lengte of uit de breedte komen.”

Op het personeelstoilet is de enige uiting van onvrede te vinden. Er hangt een groot vel, met daarop gekalkt: 'Er was eens lang geleden een lieve mevrouw, die heette Borst. Nu is het een oude zeur die zegt: je krijgt geen geld voor de gezondheidszorg, roei maar met de riemen die je hebt. Maar wij hebben niks meer; geloof jij haar nog?'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden