Review

Luid en duidelijk: ik ben een Jood

Zijn nieuwe roman ’Het recht op terugkeer’ draagt de sporen van Leon de Winters pro-Israël-occupatie. Maar een politiek traktaat is het niet, daarvoor De Winter te veel romancier, vindt Rob Schouten. Hij schetst De Winters literaire loopbaan en duidt zijn bekering tot de sappige Amerikaanse stijl, die bij Nederlandse critici meestal slecht valt. Is dat eigenlijk terecht?

De titel van Leon de Winters jongste roman, ’Het recht op terugkeer’, kun je moeilijk anders lezen dan als een sneer richting Palestijnen, voor wie die formule immers een politiek toverwoord is. Maar aan het Palestijnse recht op terugkeer offert dit boek natuurlijk niet, hoogstens gaat het over een soort Joods recht op terugkeer. Maar vooral gaat het over de terugkeer van het verloren gewaande kind van de hoofdpersoon, naar zijn ouderlijk huis.

De Winter heeft zich de laatste jaren, ook in deze krant, vaak uitgebreid en stellig uitgesproken over politiek-maatschappelijke kwesties aangaande Israël, Palestina, de islam en het Westen, en hoewel zijn nieuwe roman allerminst een politiek traktaat is, draagt het verhaal wel duidelijk de sporen van zijn pro-Israëlische preoccupatie: het is behalve een verzonnen geschiedenis ook een verbeelding van de nabije toekomst van Israël. Het recht op terugkeer lijkt daarmee een tegenhanger van de if-history die De Winters grote voorbeeld Philip Roth een aantal jaren geleden schreef, ’Het complot tegen Amerika’.

In 2024 is Israël gekrompen tot een benauwde stadsstaat rond Tel Aviv, een zwaarbewapende veste, waarvan Jeruzalem allang niet meer de hoofdstad is. Boven de Israëlische hoofden vliegen helikopters af en aan, die gezichten vanuit de lucht kunnen herkennen en vaststellen of we met goed volk te maken hebben of niet; iedereen die het land binnenkomt wordt op zijn DNA gescreend. In die nieuwe wereld is niet Amerika maar het Rusland van Poetin het grote voorbeeld geworden.

De voormalige hoogleraar Geschiedenis van het Midden-Oosten (zijn vak bestaat niet meer), Bram Mannheim, die zelf zijn zoon Bennie op geheimzinnige wijze is kwijtgeraakt, heeft in het ministaatje een bureautje opgericht waar men verdwenen kinderen opspoort. In zijn vrije tijd doet hij dienst op de vanwege de voortdurende aanslagen onontbeerlijke ambulance.

Pendelend tussen heden en verleden volgen we Brams hele ontwikkeling, zoon van de Nederlandse Nobelprijswinnaar Hartog Mannheim, geëmigreerd naar Israël, getrouwd met de Indiase jodin Rachel, zoontje Bennie, uit Israël verhuisd omwille van een professoraat in Princeton, waar Bennie op mysterieuze wijze verdwijnt. Bram en Rachel scheiden, Bram is een tijdje gek, blijft wanhopig zijn zoon zoeken, maar keert op den duur weer terug naar Israël, dat we dus aantreffen in de zojuist beschreven vorm van stadsstaatje aan de Middellandse Zee.

Wanneer bij een bomaanslag, waar Bram als ambulancebroeder assisteert, blijkt dat de dader een joods DNA-profiel heeft, begint de bal te rollen. Het blijkt om de zoon van een collega van Brams vader te gaan, een Nederlandse joodse jongen die in dezelfde tijd als Brams eigen zoon gekidnapt en in Afghanistan opgevoed is. Bram, die vanwege de verdwijning van zijn eigen zoon al een naburige pedofiel heeft geliquideerd, komt erachter dat Bennie niet vermoord is maar net als de dader van de zelfmoordaanslag is meegenomen door een taliban-gezinde concurrent van zijn vader die de jongen in de mohammedaanse leer heeft opgevoed en er een antisemiet van heeft gemaakt.

De Winter schrijft vlot genoeg om je de feilen van dit merkwaardige en onwaarschijnlijke plot te doen vergeten: het ongeloofwaardige motief van de kidnapper, de onverklaarbare omstandigheden van de feitelijke ontvoering van Bennie – het lijkt of het jochie zomaar van de aarde is geplukt.

Tegenover de verhaaltechnische zwakheden staan dan weer psychologische vondsten, zoals het feit dat Bram Mannheim na het verdwijnen van zijn zoon opeens aan een telneurose begint te lijden: „Het was vanochtend om drie over halfnegen gebeurd. Het waren cijfers die om moeilijkheden vroegen en hij wist dat hij er zelf schuldig aan was. Om acht over acht had hij geld moeten trekken, of om acht uur achtentwintig, maar drie over half negen bestond uit cijfers die ellende teweeg konden brengen.” Mooi gevonden, die zenuwzieke voorkeur voor magische, even getallen, die het psychiatrische geval van Bram Mannheim verbindt met de eeuwenoude kabbalistiek der joden.

Stilistisch is ’Het recht op terugkeer’ geen hoogstandje. Stijl is altijd het zwakke punt bij De Winter geweest. Maar het boek leest als een trein. Wat dat betreft functioneert het bij tijd en wijle wel degelijk als een fictionele, minder drammerige pendant van de Winters eigen essays over Israël. Hier, een fragment waarin de gebroken Ivriet sprekende Max zijn hart lucht: „’Ik jullie zeggen. Jullie joden uit Europa! Europa! Jullie denken: macht is weg! Macht niet bestaan! Ik lachen! Macht overal!’ schreeuwde hij. Hij hield even in om op adem te komen. ‘Macht belangrijk. Macht weg in Negev. Macht weg in noorden. Macht weg in Haifa. Macht weg in Eilat. Macht weg in Jeruzalem. Jullie niet begrijpen. Vijanden vernietigen. Altijd. Vijanden vernietigen. Zo leven. Zo aarde. Zo alles.’”

Ook een soort recht op terugkeer, terugkeer naar oude, onbeschaafde oer-ideeën over de samenleving. Ik moet overigens zeggen dat De Winter zijn en andermans ideeën over Israël keurig over de verschillende personages heeft verdeeld, zonder dat hij zijn eigen voorkeur ventileert. Wat dat betreft is hij echt de romancier met de panoramische blik. Rachel bijvoorbeeld, Brams vrouw, laat na de verdwijning van haar zoon, Israël rustig stikken en begint een filmcarrière in India. Bram zelf is beslist geen rabiate filosemiet maar een mens van vlees en bloed. Het pro Israël-standpunt van De Winter komt in dit boek naar voren als een vorm van pragmatiek, opportunisme misschien wel: als je Jood bent moet je nu eenmaal wel voor Israël zijn.

In het inmiddels ook al weer meer dan dertig jaar oude schrijverschap van Leon de Winter ontwaar ik een zelfde soort karakteristiek verloop van principieel naar pragmatisch. Op tamelijk jeugdige leeftijd begon hij met queeste-achtige romans die sterk herinnerden aan de kafkaëske traditie van op dat moment modieuze schrijvers als Peter Handke en Patrick Modiano; ’Zoeken naar Eileen W.’, ’La Place de la Bastille’ ze kennen allemaal hoofdpersonen zonder al te duidelijke individuele eigenschappen, die op zoek gaan naar een geheim. In een van die boeken, ’Vertraagde roman’ uit 1982, meldt de flaptekst: „maar vóór alles is deze reis een tocht naar de schrijver zelf.” De vraag mocht dus luiden: wie is die schrijver zelf?

Het antwoord kwam met De Winters volgende boek, de roman ’Kaplan’ uit 1986. Daarin brak hij radicaal met zijn vroegere experimentele, zoekende stijl en schreef, totaal herboren, een sappige, onvervalst anekdotische, op Amerikaanse leest geschoeide, roman. De hoofdpersoon, net als De Winter schrijver, vertolkte het nieuwe beleid als volgt: „Hoe platvloerser hoe beter. De werkelijkheid is een platvloerse aangelegenheid. Het is een zaak van stront en kut.” En: „Ik zal de liefhebbers van esoterische esthetische literatuur met een lekkere roman verwennen.” Die literaire transformatie ging gepaard met een persoonlijke ommezwaai, De Winter veranderde van uitgeverij, zette zijn vriendin aan de kant en schoor zijn ’linkse’ baard af.

De critici, tot dan toe in meerderheid kritisch prijzend over De Winters werk, stonden ervan te kijken. Hoewel in die jaren overal de scherpe kantjes van de tegenstelling links-experimenteel versus burgerlijk-realistisch schrijven verdwenen, nam De Winter wel een heel drastische stap, van Kafka richting pulp zeg maar. Daarmee leek hij zijn verleden te verloochenen en voortaan op het altaar van het publiek en de verkoopcijfers te offeren.

Het kwam niet echt meer goed tussen de Winter en de kritiek. Terwijl zijn nieuwe stijl hem veel lezers bezorgde, hielden de recensenten het min of meer voor gezien en behandelden De Winter voortaan als een afvallige.

Mij heeft altijd gefrappeerd dat het niet bij de overgang van het ene soort schrijven naar het andere soort schrijven bleef maar dat die ook gepaard leek te gaan met een volledige omslag bij De Winter zelf. Kon men uit zijn eerste roman niet zoveel omtrent de identiteit van zijn hoofdpersonen opmaken (die waren daar immers juist naar op zoek), de latere, ’Amerikaanse’ romans, vertoonden opeens ostentatief Joodse trekjes. Het leek of de Winter zich opeens radicaal bewust was geworden van zijn Joodse achtergrond en de kwesties die daarmee samenhangen. Een soort uit de kast komen: voortaan zouden zijn romans ook Joodse romans zijn: geen verhullende algemeen menselijke geschiedenissen, maar duidelijke verhalen over en van een volk.

Dat die stap ook zo’n stilistische en verhaaltechnische overgang met zich meebracht begrijp ik ergens wel: alles moest luider, duidelijker en pakkender. Wat dat aangaat is ’Het recht op terugkeer’ de zoveelste vervulling van De Winters idee dat een platvloerse wereld van voors en tegens ook om ostentatieve, oppervlakkige boeken vraagt. En inderdaad ik heb me met zijn jongste roman geen moment verveeld, ondanks het rare verhaal en de matige stijl. Dat is toch ook een kunst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden