Lucia is eindelijk terug

Na jaren van veronachtzaming wordt ’Lucia di Lammermoor’, de ultieme Italiaanse opera van Donizetti in Nederland weer op de planken gezet, tweemaal zelfs. In beide uitvoeringen mét de ijle klanken van de glasharmonica, die de waanzin van Lucia verbeelden, precies zoals Donizetti wilde.

Peter van der Lint

’Tu che a Dio spiegasti l’ali’ – Jij die tot God je vleugels hebt uitgespreid. Het slot van Donizetti’s ’Lucia di Lammermoor’. Niet gezongen door de geplaagde titelheldin, maar door haar even onfortuinlijke geliefde Edgardo.

Het is de waanzin voorbij. Letterlijk, want de beruchte waanzinsscène van Lucia hebben we in de opera dan achter de rug. De sopraan is dan al – als ze goed was – luidruchtig bejubeld. Opmerkelijk. In de jaren rond 1835, toen de opera zijn luidruchtig toegejuichte première in Napels had, eindigden opera’s altijd met de titelheldin of de prima donna assoluta. Waanzinnig, wraakzuchtig, wankelmoedig dan wel wezenloos stervend – de sopraan besloot in die tijd elke opera. Punt. De Engelsen hebben aan die gewoonte nog een uitdrukking overgehouden: It ain’t over till the fat lady sings.

Maar in Donizetti’s ’Lucia di Lammermoor’ is alles anders en heeft de tenor het laatste woord. Dat werd tamelijk revolutionair gevonden, zelfs totaal niet begrepen. Vaak werd in het verre en niet zo verre verleden de hele slotscène met Edgardo weggelaten.

In het boek ’The Bride of Lammermoor’ van Sir Walter Scott waar de opera op gebaseerd is, sterft Edgar door iedereen vergeten in het drijfzand. Dus dat kon in de opera ook wel, vonden sommigen, en lieten de muziek stoppen bij de laatste hoge es van Lucia’s waanzin. Sopraan blij, publiek in extase, want ja, zeg nou zelf – die waanzinsscène van Lucia, dat is toch waarvoor we naar deze opera gaan luisteren?

Een dergelijke praktijk staat gelijk aan verminking, want zelden heeft Donizetti zoiets moois gecomponeerd als juist de slotscène van ’Lucia di Lammermoor’. Zelfs de gortdroge muziekwetenschapper Joseph Kerman, die met fnuikende analyses in zijn boek ’Opera as drama’ zo’n beetje elke belcanto-opera in de prullenbak kieperde, geeft zowaar blijk van enige bewondering voor dit einde aan ’Lucia di Lammermoor’.

Het is dan ook moeilijk om aan de meeslepende melodie van Donizetti te ontsnappen. Een melodie die als ze zich een tweede keer aandient – Edgardo heeft zich zelf inmiddels neergestoken – prachtig in cellobrokjes wordt opgediend, de stervende tenor steunend ertussendoor. Deze aria kreeg, als pars pro toto voor de hele opera, een symbolische waarde.

In de beroemde roman ’Il gattopardo’ (De tijgerkat) van Giuseppe Tomasi di Lampedusa hoort de stervende Don Fabrizio Edgardo’s melodie door het raam van zijn slaapkamer. De noten dringen zijn onderbewustzijn binnen: ’Beneden, op straat, tussen het hotel en de zee, hield een draaiorgeltje halt en speelde wat, in de inhalige hoop de gasten te vermurwen, die er in dat jaargetijde niet waren. Het jengelde: ’Tu che a Dio spiegasti l’ali’. Dat wat van Don Fabrizio nog over was vroeg zich af hoeveel sterfbedden in heel Italië op datzelfde moment werden vergald door dergelijke mechanische muziekjes.’ Het beeld van de tot engel getransformeerde Lucia dat in de aria wordt opgeroepen, zal Don Fabrizio begeleiden bij zijn eigen heengaan. Niet als een mechanisch jengelend muziekje, maar in zijn herinnering als heel mooi gezongen: belcanto!

De scène appelleert aan een soort collectief onderbewustzijn dat Italianen van Donizetti’s muziek, in het bijzonder van zijn ’Lucia di Lammermoor’, hebben: de naderende dood is immer verbonden met sensuele schoonheid. Net zoals Schubert (in hetzelfde jaar als Donizetti geboren) dat vaak zo geniaal deed, laat Donizetti de melodie hier inventief wentelen tussen majeur en mineur. Alsof hij daarmee wil zeggen dat er zelfs in de ultieme doodsstrijd nog sprankjes hoop zijn.

Donizetti werd aan het eind van zijn leven overigens door zijn eigen opera ingehaald. Niet alleen stierf Donizetti net als Lucia krankzinnig (in het laatste stadium van de syfilis waaraan hij al jaren leed), maar Edgardo’s slot-aria speelde eventjes een opvallende rol in die laatste fase van zijn leven. Tenor Gilbert Duprez, die in 1835 de eerste Edgardo had gezongen, herinnert in zijn memoires aan een bezoek dat hij aan Donizetti bracht in 1846 in een Parijse inrichting. In een poging om de in zijn vreemde gedachten weggezonken componist wat te stimuleren en op te beuren, begon Duprez de slot-aria van ’Lucia’ voor zich uit te zingen. De componist stond wankelend uit zijn stoel op en probeerde strompelend de piano te bereiken om Duprez te begeleiden. Het lukte hem niet, maar de muziek had even zijn geest helder gemaakt – hij was even de waanzin voorbij.

Nog grotere schrijvers dan Tomasi di Lampedusa voerden ’Lucia di Lammermoor’ in hun romans op: Tolstoj gebruikt Donizetti’s opera in ’Anna Karenina’, Flaubert laat zijn Madame Bovary er naar luisteren. Dat opduiken van de opera in de wereldliteratuur – er zijn meer boeken te noemen – doet vermoeden dat deze specifieke Donizetti-opera een schoolvoorbeeld van het genre is.

Ach ja! Die heerlijke ’Lucia di Lammermoor’, onder de meer geestige operaliefhebbers bekend als: ’Lucie met-’t-lamme-oor’. Maar een lam oor krijg je zeker niet, luisterend naar deze ultieme Italiaanse opera.

Hoewel ’Lucia’ sinds 1835 overal ter wereld op het repertoire is blijven staan, heeft De Nederlandse Opera lang gewacht voordat ze weer een nieuwe productie aandurfde. ’Lucia’ en haar belcanto-zusters en -vriendinnen zijn al tijden uit de gratie bij hedendaagse opera-intendanten. Té burgerlijk, niets moderns mee aan te vangen. De vorige enscenering van DNO was te zien in 1979 en 1982. Een ’ouderwetse’ productie van John Copley met respectievelijk Cristina Deutekom en Joan Sutherland in de titelrol.

Deutekom en Sutherland waren natuurlijk waanzinnig goed, vooral in hun waanzin. Hun opkomst in de opera nadat Lucia de haar opgedrongen echtgenoot heeft vermoord, voldeed aan alle verwachtingen. Een wit nachtgewaad vol bloedspatten, wilde haren, een mes in de hand. Vooral dat witte nachthemd, besmeurd met bloed tijdens de huwelijksnacht zette de erotische connotaties op scherp: een huwelijksnacht waarin het bloed geen gevolg is van ontmaagding, maar van moord.

Lucia gaat in deze opera ten onder in een mannenmaatschappij. In het boek van Walter Scott gaat het trouwens heel anders. Lucy’s echtgenoot overleeft daar de messteken en de kwade genius is niet, zoals in de opera, Lucy’s broer, maar haar moeder. Deze Lady Ashton komt in de opera niet voor, ze wordt alleen even genoemd als zijnde in de hemel, wakend over haar dochter. Dat is een clichébeeld dat Italianen graag zagen. Scott schildert Lucy’s moeder echter af als een heuse Lady Macbeth die manipulatief haar dochter opoffert voor haar eigen gewin.

Door haar waanzin komt Lucia in de opera weg met moord. Ze verliest immers haar zinnen en daarmee haar toerekeningsvatbaarheid. Donizetti vangt Lucia’s waanzin in een fantastisch mozaïek van stemmingen, melodieën en herinneringsmotieven aan gelukkiger momenten uit de opera.

Om Lucia’s waanzin nog beter te laten uitkomen, bedacht Donizetti een begeleiding door glasharmonica. Het ijle, zwevende geluid dat natte vingertoppen op verschillend gestemde glazen maken, was de onwezenlijke, bloedeloze klank die Donizetti zocht. En in het orkest van het Teatro San Carlo zat een glasharmonica-speler van formaat: Domenico Pezzi. Toch schrapte Donizetti vlak voor de première de glasharmonica-partij en verving die door een fluit. Niemand begreep tot nu toe waarom Donizetti zo’n goed idee weer overboord zette. Pas onlangs, na uitvoerig onderzoek in Napelse staatsarchieven, werd duidelijk dat harmonicaspeler Pezzi ten tijde van de ’Lucia’-première een groot conflict met het San Carlo-theater had. Pezzi sleepte het theater zelfs voor het gerecht en in afwachting daarvan werd Donizetti op het laatste moment afgeraden om Pezzi voor zijn opera in te schakelen. Fijn dat deze onduidelijkheid eindelijk is weggepoetst en dus doen zowel De Nederlandse Opera (in november) als de ZaterdagMatinee (in april) heel authentiek als ze in hun ’Lucia’-producties de glasharmonica gaan gebruiken.

’Lucia di Lammermoor’, de ultieme Italiaanse opera van misschien wel de meest ultieme Italiaanse componist.

Nog een wonderbaarlijke bijkomstigheid: drie dagen vóór de wereldpremière van ’Lucia’ bereikte Napels het bericht dat Vincenzo Bellini, Donizetti’s grootste concurrent, in Parijs was overleden. De jonge Verdi liet nog even op zich wachten en met het grote succes van ’Lucia di Lammermoor’ was Donizetti eventjes alleenheerser van de Italiaanse opera. Tot de waanzin toesloeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden