Lucebert / Het schone en het voze

Dichter en schilder Lucebert (1924-1994) was geen mysticus, geen gnosticus noch een vroom katholiek. Toch speelt volgens theoloog Theo Salemink in zijn worsteling met het kwaad van de twintigste eeuw het oude, katholieke idioom een grote rol. „Lucebert spreekt over schepping, paradijs, zondeval, kwaad, incarnatie, Christus, kerk, verbond, lijden, sterven, verlossing en verrijzenis.”

Het laatste gedicht dat Lucebert schreef draagt als titel ’zielsverhuizing’. Het stamt uit 1994, het jaar van zijn dood. Een handgeschreven versie is opgenomen in de verzamelde gedichten. De titel wekt verbazing. Gelooft deze Hollandse dadaïst, in het aangezicht van de dood, in een reïncarnatie? In een verhuizing van de ziel naar een andere, betere wereld? De titel wekt de suggestie dat hij vroom geworden is en een religieus antwoord heeft gevonden op de zorg die hij in 1959 neerlegde in een uiterst kort, vierregelig gedicht:

zorg

mijn god is gestorven

wie zal mij verlossen

de kikkers kwaken

de klokken tikken

Schijn bedriegt. Het gedicht ’zielsverhuizing’ eindigt zoals zijn gedichten ooit begonnen zijn. Het is geen slot als in het oratorium van Bach: ’ruhe sanfte, sanfte Ruhe’.

langzaam daalt hij af men juicht

pondereus buiten alle proportie daalt hij af

en plaatst zich naast de labbekak de losplaats

onveranderd niet met verlossing als poetslap

De losplaats is onveranderd: naast de labbekak. Men kan het ook zo lezen: de dichter is onveranderd, geen verlossing als poetslap voor de zieke kunstenaar, ook niet in het aangezicht van de dood. Lucebert was en werd geen mysticus, geen gnosticus noch een vroom katholiek, ook al had hij zich in 1947 laten dopen in de Krijtbergkerk te Amsterdam. Hij was en bleef de ’keizer van de Vijftigers’, die een kleine, mooie revolutie afdraaide, een jazz-liefhebber, een schilder van duistere beelden en een zanger, ook van lichte gedichten. Uitzonderlijk in Nederland. Criticaster van potentaten en prelaten, icoon van de Nederlandse avant-garde, modern, seculier, verlicht. Omstreden in het katholieke milieu van toen.

En toch is Lucebert onder een bepaalde belichting een religieus dichter. Waarom? Omdat hij in verbale en visuele beelden nadenkt over de reikwijdte van het kwade. Niet over het kwade in algemene zin, niet over een mythische zondeval aan het begin der tijden, niet over een verdrijving uit het oude paradijs, maar over het kwade dat in onze eeuw geschied is, de eeuw van ’de grote brand’ van Auschwitz en Hiroshima. Hij denkt na over een verdrijving uit het paradijs die in 1945 plaatsvond, niet in het jaar nul. Dit besef van het moderne kwaad als leidraad van zijn artistiek werk bracht Lucebert onder woorden in een prozatekst die hij op 23 oktober 1988 schreef, met als titel zijn vaak geciteerde versregels ’In deze tijd heeft wat men altijd noemde/schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’.

We kunnen ons niet meer beschermen tegen de besmetting door het onverdraaglijke – de herinnering aan Auschwitz, de atoombom, de genocide, schrijft Lucebert. Noch de utopische droom van Cobra, noch die van de abstracte schilders en evenmin de paradijstaal van Dada of het arcadische landschap van de impressionisten beschermen ons tegen deze nieuwe zondeval in het hart van het christelijke Europa. Ook de oude dogmatische droom uit de katholieke traditie, die spreekt van verlossing door het lijden aan het kruis van Jezus Christus, is niet meer in staat deze nieuwe besmetting ongedaan te maken.

In een felle controverse met Bertus Aafjes, die in 1953 schreef dat de SS in de gedichten van Lucebert marcheert, had Lucebert deze moderne katholieke dichter immers voorgehouden: „Opdat U niet in verwarring zult geraken over het feit dat niet alleen het lichaam, maar óók de logos aan het kruis is genageld en bloedt en het uitschreeuwt: mijn god, mijn god, waarom hebt gij mij verlaten”. De Logos was in de oude taal het Woord van God, Jezus Christus. Lucebert zou graag terugkeren naar deze oude dromen, maar hij is, zoals hij in een latere bundel zal dichten, enkel een moerasruiter uit het paradijs (1982), een ruiter die onder zijn mantel nog wel fragmenten uit het paradijs verbergt, maar gedwongen is door het moeras van de tijd te rijden. En de pijl van de tijd kent maar één richting. Nu, in 1988, is zijn conclusie loodrecht: „Maar helaas, uit het paradijs zijn wij, de te laat geborenen, definitief verbannen”.

Al in het gedicht ’ik tracht op poëtische wijze’ uit 1952 realiseert Lucebert zich de consequenties van de ervaring van het moderne kwaad en het verlies van de paradijselijke onschuld in onze dagen. Inderdaad, schoonheid schoonheid – tweemaal dit woord om een extra nadruk te geven – heeft haar gezicht verbrand, schrijft hij, en troost niet langer de mensen. Enkel het besef een kruimel te zijn op de rok van het universum blijft.

Maar Lucebert weet dat de besmetting nog verder gaat. Ook het goede in onze dagen is niet langer betrouwbaar. Goed en kwaad hebben hun oude grenzen verloren. Het kwaad is banaal geworden, om met de filosoof Hannah Arendt te spreken. Maar ook het goede, de omarming, laat ons wanhopig aan de ruimte morrelen, zegt de dichter. Daarom heeft hij de taal opgezocht, de taal van de engelen en profeten, de taal in haar schoonheid om nog iets van de oorsprong te bewaren. Ook daar ervaart hij de besmetting van het onverdraaglijke.

ik heb daarom de taal

in haar schoonheid opgezocht

hoorde daar dat zij niet meer menselijks had

dan de spraakgebreken van de schaduw

dan die van het oorverdovend zonlicht

Blijkbaar heeft het onverdraaglijke van Auschwitz en Hiroshima niet enkel de mens, maar ook de taal aangetast. Hannah Arendt schreef over de banaliteit van het kwaad naar aanleiding van het Eichman-proces (1961) in Jeruzalem. Zij peilde de diepte en de oorsprong van de ’totale Herrschaft’ (1951) bij Hitler en Stalin. In haar laatste, postuum gepubliceerde boek ’Life of the Mind’ (1971) voegt ze nog een aspect toe. Arendt denkt na over het effect van Auschwitz op de mens in West-Europa. Ze brengt het in verband met een bredere modernisering in de negentiende en twintigste eeuw. Ze kent het beroemde verhaal van Nietzsche over een uitzinnige man die bij klaarlichte dag met een lantaarn in zijn hand op de markt God zoekt. ’Wij hebben hem vermoord!’, roept hij tegen de verbaasde omstanders.

Deze bekende passage klinkt ook door in de theologie na Auschwitz, die spreekt over de dood van God. Arendt brengt een nuance aan. Het probleem is niet zozeer dat God dood is, of in woorden van Lucebert: dat ’zijn god gestorven is’. Over de dood van God kunnen wij mensen net zo weinig weten als over het bestaan van God. We weten wel dat de manier waarop eeuwenlang over God en ’het hogere’ gedacht en gesproken is, dood is. De oude taal is gestorven.

Vroeger werd er gedacht in een tweedeling: zintuiglijk en bovenzintuiglijk, natuurlijk en bovennatuurlijk, aards tranendal en hemels vaderland. Een metafysisch beeld waarin de verlossing van boven kwam. Deze taal, zegt Arendt, is in onze dagen in het Westen definitief gestorven. Niet alleen de oude, religieuze taal ’van boven’ is in grote problemen geraakt, maar ook de moderne ’positivistische taal van beneden’, de taal van de vooruitgang en moderne utopieën. Er moet een nieuwe taal geschapen worden, om over de vraag naar de ’betekenis van de mens’, ’het kwade’ en de ’toeverlaat in dit universum’ na te denken. En dat is precies wat Lucebert onder ogen ziet. Als dichter. Als schilder. Hij is geen filosoof. Hij poogt een nieuwe, lichamelijke woord- en beeldtaal te scheppen die over verlossing gaat, maar niet langer over ’verlossing als poetslap’.

Al vaker is erop gewezen, onder anderen door Anja de Feijter en Jan Oegema, dat Lucebert voor zijn nieuwbouw van de taal fragmenten uit de gnosis, uit het zen-boeddhisme, uit de kabbala en van christelijke mystici gebruikt heeft, naast woorden en beelden van Novalis, Hölderin, Trakl, Ball en Miró. Minder oog was er voor de invloed van fragmenten uit de christelijke dogmatiek. In zijn worsteling met het kwade en met het verlangen naar verlossing blijft, dat is mijn stelling, ook het oude, katholieke idioom een grote rol spelen. Lucebert blijft spreken over schepping, paradijs, zondeval, kwaad, incarnatie, Christus, kerk, verbond, lijden, sterven, verlossing en verrijzenis. Maar hij kan dit oude idioom niet meer gebruiken in zijn oorspronkelijke gestalte. Lucebert transformeert de oude taal van verlossing daarom grondig. De bovennatuurlijke beelden worden onder vuur genomen, afgewezen, omgebouwd, op hun voeten gezet, vervormd, vernieuwd, zonder ooit helemaal te verdwijnen.

Dit autonome gebruik van de oude dogmatische beelden wordt al zichtbaar in een gedicht dat in december 1948 gepubliceerd werd, een jaar na Luceberts doop. De dichter is dan 24 jaar oud. Als het gedicht een paar jaar later opgenomen wordt in de bundel ’apocrief/de analphabetische naam’ voegt hij er een expliciet theologische titel aan toe: ’het vlees is woord geworden’.

nu komen ook de kooien van de poëzie

weer open voor het gedierte van miró

een vlo een lekkerkerker en een julikever

raken met hun tentakels in de taal

oh droomkadaster gevoelig vatikaan

nu dwalen de devoten veel in uw terrarium

en kikkerstar ademend op avondmis

een aeralang – duister als bankgebouwen

onder de onweerlucht – ruisend van inflatiegerucht

maar snachts ontwaken de kanonnen hunner tongen

en kwakend gaan de granaten van hun kreten

over het ijskoude woud

kinderen op hun ogen koud

en schamel hurken om de stulpen van hun lippen

daar knettert het geraamte van de kerststal al

er is een heiland in met door zijn lijf

vijf kogeltrechters voor een nagelval

de tranen van de dood

de maden van kristal

De titel is een program. Het verwijst natuurlijk naar een van de kernzinnen van de christelijke traditie, te vinden in het begin van het evangelie van Johannes: en het Woord is vlees geworden. Deze verwijzing wordt nog sterker als je je realiseert dat de bundel waarin dit gedicht staat als opdracht heeft: et homo factus est. Een tekst uit het credo van Nicea (325).

Qui propter nos homines et propter nostram salutem descendit de caelis. Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine, et homo factus est.

Hij is voor ons, mensen en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald. Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de Maagd Maria en is mens geworden.

Het verwijst allemaal naar de gedachte dat God mens geworden is om de mens te verlossen van een oerzonde ( incarnatie), en naar de gedachte dat het lijden en sterven van Jezus Christus de oude zondeval ongedaan maakt. Lucebert neemt dit oude idioom over maar transformeert het tegelijkertijd. Bij hem is het vlees woord geworden, lichaam wordt logos. De opdracht et homo factus est staat in de deelbundel die ’apocrief’ heet: een boodschap die niet tot de canon van de heilige geschriften behoort, maar eerder ketters is. In het gedicht vinden nog meer transformaties plaats. De ’heiland’ sterft reeds in de kerststal, niet 33 jaar later aan het kruis. En het zijn de ’devoten’ zelf die met de ’granaten van hun kreten’ – de taal is vervuild – de kerststal in vlam zetten. En die devoten hebben te maken met het Vaticaan en met de dieren van Miró. En het kind in de kerststal heeft te maken met de kinderen in het koude woud, met de kinderen van Auschwitz wellicht. Alles wordt op z’n kop gezet, het oude idioom omgebouwd.

Vanuit dit gedicht uit 1948/52 lopen lijnen naar gedichten uit de late periode, na de tijd dat hij als dichter gedurende bijna twintig jaar zweeg, maar wel explosief schilderde. En dan vanaf 1981 verschijnen er weer programmatische dichtbundels: ’oogsten in de dwaaltuin’ (1981), ’de moerasruiter uit het paradijs’ (1982), ’troost de hysterische robot’ (1989) en ’van de roerloze woelgeest’ (1993). In het jaar van zijn overlijden verschijnen postuum ’van de maltentige losbol’ en ’nagelaten gedichten’ (1994). De gedichten uit deze jaren vanaf 1981 zijn minder mystiek getoonzet dan zijn gedichten van begin jaren vijftig; ze zijn kritisch, cynisch, somber ook, maar met een hoop tegen beter weten in en met een totaal eigen idioom. De crisis van de jaren vijftig is overwonnen. Lucebert vindt een weg om de leegte, eens aangeduid als een ijzeren ei, te ervaren als toeverlaat. Dat noemt hij ’incarnatie’, de titel van een gedicht uit de bundel ’de moerasruiter uit het paradijs’.

zoals het gaat zal het komen

bij het afscheid van de muren

is de leegte toeverlaat

Ook hier gebruikt hij brokstukken van het oude idioom – het woord incarnatie – om een nieuwe toegang tot de vraag van toeverlaat, troost en verlossing te forceren.

De bundel ’van de roerloze woelgeest’ bevat meerdere gedichten die een rotsvast vertrouwen in de mens uitdrukken, het vertrouwen dat de mens juist in deze desillusie, in dit ontwaken voor de realiteit van de beulen die hun geweren al laden, zijn verlangen nooit zal opgeven, zijn verlangen dat niets en niemand de mens kan vernietigen. Een van die gedichten heet ’het verbond’, een verwijzing naar een kernwoord uit de joodse en de christelijke traditie: oud en nieuw verbond tussen God en de mensen. Maar bij Lucebert gaat het om een verbond van ongekende gestalte. De dichter ontdekt niet opnieuw de hemel, zoekt niet zijn toevlucht tot verlossing en eenheid in een bovenaardse God, keert niet terug naar de oude verbonden, zoals een van zijn grote voorbeelden de dadaïst Hugo Ball wel deed, maar verwoordt in de oude, religieuze taal van voorheen een nieuw, aards verlangen: ’de echt tussen het schone en het voze’.

het verbond

hij slaapt met volmaakten en maden

de heer der hersenen en zaden

zo goed als ook het verwenste kind

door hem wordt bemind

wat de profeten en zieners zagen

was het gedegene van het illusoire

tot faam verheven een nieuwe naam gegeven

brachten zij de droom tot leven

al brandt diep het grote verdriet

te vernietigen is niets en niemand

de afgrond baart het hoogland

aversie de liefde om niet

zoals eens uit de chaos het beest verrees

dat groef tot in het bodemloze

maken we ons op te vieren het feest

de echt tussen het schone en het voze

Een gedicht vol bijbelse associaties. God treedt op als de ’heer der hersenen en zaden’ – ratio en natuur –, die het ’verwenste kind’ – Lucebert zelf was niet erg gewenst, zijn moeder verliet hem toen hij twee was – bemint. En dan: profeten en zieners zien achter de chaos ’het gedegene van het illusoire’ en brengen de droom tot leven. Er is verdriet, ook een thema dat in veel van Luceberts gedichten terugkeert; de aarde is met een katholiek woord een ’tranendal’, maar ’te vernietigen is niets en niemand’. ’De afgrond baart het hoogland en de aversie de liefde om niet’: dat wat aards, menselijk, gespleten, schuldig, laag is, juist dát is de geboortegrond van het menselijke. De mens verdwijnt niet in de leegte van de afgrond, de leegte is toeverlaat.

Ook bij Lucebert is er sprake van een verbond. Niet tussen god en mens, hemel en aarde, maar tussen de afgrond en het hoogland, aversie en liefde, het schone en het voze, chaos en feest, verdriet en vreugde. Uit dit aards verbond, die dialectiek van geschiedenis en menselijke aard, dialectiek van goed en kwaad, verrijst een nieuw verbond. Om het behoud van de mens, troost voor een hysterische robot. Zo verrijst ook de ’nieuwe mens’: moerasruiter uit het paradijs, roerloze woelgeest, maltentige losbol.

In 1993 publiceerde Lucebert het gedicht ’er is leven na de dood’. Misschien had hij geluisterd naar het lied van Bob Dylan ’Death is not the end’. Dat Freek de Jonge enkele jaren later de Nederlandse bewerking van dit lied de titel ’Er is leven, er is leven na de dood’ meegaf, kon de dichter niet weten. Hij was toen al dood. Het gedicht van Lucebert bevat krachtige metaforen.

dichtbij de kern

diep in barnsteen

een traan in slaap

Maar ook:

alleen waadt een engel

door een vijver vol vuilnis

en kust het kristallen hart

En tussen begin en einde van het gedicht schetst hij de gang van alledag: een onzichtbare motor sluit en opent de ramen, het kan verkeren, maar dwars door alles heen blijft een vlinder dartelen. Er staat een kanon in de garage, oorlog en geweld, maar uiteindelijk gaat dat kanon voor de bijl. En dan de dood, alles ligt stil. Het lichaam: darm, galg, wankele bil. Maar door alles waadt een engel, symbool van de droom van de dichter om over de ’ruimte van het volledig leven’ te spreken, zoals hij dat in zijn jonge jaren uitdrukte. Die engel waadt door een vijver van vuilnis, een zee van geweld, een oceaan van tranen en kust het kristallen hart. Hij kust het tot leven. Er is leven na de dood. De boodschap is duidelijk: dit bittere leven heeft niet het laatste woord.

Karel Appel schreef bij de dood van Lucebert een gedicht: ’dat de stem van een engel onze planeet had verlaten/en teruggekeerd is/naar de eeuwige ruimte van de geest/waar hij zo vertrouwd mee was.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden