Lublin, in die dagen

Sinds de 18de eeuw raakte Lublin toenemend in verval, na een vuurstorm die de stad bijna volledig in de as legde en vooral door de toename van Joden die van de stad hun toevluchtsoord maakten, er jaarlijks synodes hielden en ook een talmoedschool en de grootste talmoedbibliotheek van Europa bezaten. (In 1862 was 57 procent Joods, nu is de stad Jodenvrij.)

Zo stond het in de Baedeker-reisgids van het Generaal Gouvernement, het door nazi-Duitsland bezette Polen, in een uitgave uit 1943.

En ja, het stond tussen haakjes.

De stad was Jodenvrij.

Een reisgids, gemaakt met blik op de toekomst. De zuidoostelijke provincie van het Generaal Gouvernement, het district van Lublin, moest straks opnieuw gekoloniseerd worden. Straks. Als de ultrageheime Aktion Reinhardt - de vernietiging van het Poolse Jodendom - was afgesloten. Met dat doel braakten de dieselmotoren hun gassen uit in Belzec, Sobibor en Treblinka. En dat terwijl het district door de nazi's nog even aangemerkt was geweest als een gebied voor de inrichting van een Joodse staat, nadat de Madagaskar-variant was verlaten. Maar Lublin werd geen Joodse staat. Het werd het gat waarin het Jodendom, en niet alleen het Poolse, volledig moest verdwijnen.

Bij de Aktion waren voor de vier vernietigingskampen niet meer dan een kleine honderd Duitse SS'ers ingezet, allen afkomstig van en gehard door het T4-programma, het zogenaamde euthanasieprogramma waarmee misvormden, gehandicapten en psychiatrisch zieken werden gedood.

In de Pieradzkistraat in Lublin zetelde het hoofdkwartier van de operatie, onder commando van SS Obergruppenführer Odilo Globocnik. Het was gevestigd in een voormalige school voor geneeskunde, een okergeel robuust gebouw met een rood schuin dak. In zijn roman 'De welwillenden' liet Jonathan Littell zijn hoofdpersonage, SS-officier Max Aue, een bezoek brengen aan het kantoor van Globocnik. 'Het gebouw betrad ik via een grote dubbele deur onder een halvemaanvormige boog, met daarboven nog altijd het opschrift 'COLLEGIUM ANATOMICUM'.

Littell documenteerde zich grondig voor zijn roman, en zijn portret van Lublin in die dagen is huiveringwekkend. Als in een apocalyptisch visioen schetste hij het complete morele verval; in het Deutsche Haus, een voormalig bankgebouw en sociëteit voor Duitse officieren (zie foto boven), heerste een criminele bandeloosheid en een macaber cynisme. Tegenwoordig is het een grand hotel.

Maar veel cynischer dan dit is de beschrijving van de eerste ontmoeting tussen Globocnik en Franz Stangl, de eerste commandant van Sobibor. Die ontmoeting staat opgetekend in Gitta Sereny's Into that darkness, dat is gebaseerd op lange interviews met Stangl. Globocnik ontving hem op een houten bankje buiten in de parkachtige tuin bij zijn hoofdkwartier. Het was een mooie lentedag in 1942, alles bloeide. Daar, in die paradijselijke tuin, spreidde Globocnik de bouwtekeningen uit voor Sobibor. Hij noemde het een 'bevoorradingskamp'. Stangl claimde toen niet te hebben geweten wat het werkelijke doel van het kamp was.

Het was ijskoud op die mooie lentedag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden