Louisiana Blues

Het beeld dat New Orleans graag van zichzelf laat zien is dat van jazz en blues, cafe's en strooien hoedjes in het oude centrum en een oude Mississippiboot in het water. Cool! Maar het lachen vergaat je als je ook maar iets van de geschiedenis van Louisiana probeert te doorgronden.

`Als het drama voorbij is, als er geen verhaal meer te vertellen is, dan begint de werkelijkheid.`

De zwarte predikant van de kerk van Saint Claude Avenue heeft een megafoon in zijn hand. Hij staat op het laagste punt van de stad, aan de rand van de 9th Lower Ward, de arme aan de zuidelijke oevers van Lake Pontchartrain gelegen wijk die grenst aan het vliegveld.

9th - Lower - Ward. Niet zonder gevoel voor retoriek benadrukt de dominee de naam alsof hij op de preekstoel staat: `The Lower and the 9th. The lower and the last.`

Hulp, zo vertelt hij maandag 5 september aan de verslaggever van Nova, is nog niet te verwachten, het drama is nog niet voorbij, de verhalen zijn nog niet verteld. Met zijn megafoon probeert de man overlevenden te roepen. Als een Noach die zojuist zelf schipbreuk heeft geleden, als een profeet die de vossen vraagt uit hun holen te komen. Ik hoor de echo van een psalm: `Ik zie het hoge water aan; waar komt mijn hulp vandaan?` Aan het eind van de scène loopt hij verder richting een hoge brug. Op weg naar het water.

Watersnoden in Louisiana zijn niet van gisteren - al kwam het gevaar tot nu toe meestal van de andere kant. In Life on the Mississippi (1883) beschrijft Mark Twain de ravage die de overstroming van de rivier in het voorjaar van 1882 heeft aangericht. Veel landerijen tussen Cairo en New Orleans zijn weggespoeld, talloze dijken doorgebroken, mensen verdronken en gewassen vernietigd: `When the flood was at his highest, the Mississippi was seventy miles wide!` Twain, tussen 1856 en 1861 zelf loods op een grote stoomboot op de rivier, is niet alleen diep onder de indruk van de macht van het water, maar ook verontwaardigd over het slechte, versnipperde, beheer van de Mississippi. Het onderhoud van de rivier zou een zaak van nationaal belang moeten zijn en onder één commissie moeten vallen met bekwame ingenieurs en niet-corrupte bestuurders. Zo`n commissie kwam er. Maar niet meteen. Eerst waren er nog vijf grote overstromingen nodig. Zij overspoelden de delta in 1903 en 1907, in 1913 en 1922. Toen volgde 1927.

Die vloed is de afgelopen weken al vaak in herinnering gebracht, vooral vanwege het sombere en cynische lied Louisiana 1927 van Randy Newman, waarin hij behalve de klap zelf ook het gevoel van verlatenheid onder de slachtoffers bezingt: `Louisiana, Louisiana, they`re tryin` to wash us away.`

Dat `they` slaat vooral (niet alleen, want in Louisiana vertrouw je niemand) op de falende politici uit Washington. Er verdronken meer dan 300 mensen, meest zwarten, 600.000 raakten dakloos. En niemand die iets deed. Vandaar ook de kritiek: ,,President Coolidge come down in a railroad train/ With a little fat man with a notepad in his hand./ President say, `Hey, little fat man, isn`t it a shame/ What the river has done/ To this poor cracker`s land`.``

Het lijkt een beetje op het bezoek van George Bush jr. nu. Te laks en te laat, zo oordeelde vrijwel iedereen. Zelfs het anders zo gematigde weekblad Time ging mee in de kritiek en legde de nadruk op Bush` belofte om zich garant te stellen voor de herbouw van de weggevaagde senaatswoning in Mobile: `There`s going to be a fantastic house. And I`m looking forward sitting on the porch.`

De verontwaardiging is begrijpelijk, maar niet terecht. Washington reageerde beide keren laat, maar hielp wel, terwijl de `lokale` overheden zoals de staat Louisiana en het stadsbestuur van New Orleans altijd machteloos toekeken.

Zo nam het Congres onder Coolidge`s opvolger, ingenieur Herbert Hoover, in 1928 de Flood Control Act aan. Er werd een bedrag van 325 miljoen dollar vrijgemaakt om de dijken langs de Mississippi van Vicksburg tot New Orleans te herstellen. In 1936 volgde een tweede wet. Met The Army Corps of Engineers werd één orgaan benoemd om toezicht te houden op alle rivieren en hun stroomgebieden in de VS.

De kritiek op Washington is extra twijfelachtig nu blijkt dat de milieubeweging in 1977 een door het Army Corps of Engineers ontwikkeld deltaplan voor New Orleans via de rechter tegenhield omdat ze niet alleen bang waren voor schade aan het milieu, maar ook vreesden dat het gedeeltelijk leegpompen en indammen van Lake Pontchartrain andere investeerders zou aanmoedigen zich in het moerasgebied te vestigen.

Nee, niet alleen Washington heeft gefaald. Ook de lokale overheid heeft het laten afweten. Niet voor niets weigerden de politie en de brandweer van New Orleans om bepaalde wijken te evacueren omdat er op hun mensen geschoten werd. Het ontbreken van enige ordehandhaving in de stad waar binnen enkele uren nadat Katrina aan kwam waaien volop geplunderd, verkracht en zelfs gemoord kon worden, zegt meer over de hoge criminaliteit in de stad (Murder City One) dan veel mensen tot nu toe wilden weten. Zo waren er bij de evacuatie voor de in 1998 langstrekkende orkaan George al eerder problemen met straatbendes en groepen plunderaars en verkrachters in The Dome. Eveneens `vergat` het stadsbestuur onder leiding van de nu zo geplaagde Ray Nagin vorig jaar na de dreiging van Ivan gebruik te maken van stads - of schoolbussen - waarschijnlijk omdat de chauffeurs er geen trek in hadden. Ook toen waarschuwden hulpverleners al over de gevaren bij zulke operaties en klaagden zij over de gebrekkige coördinatie tussen de verschillende hulpdiensten. De door Nagin toegezegde verbeteringen bleven uit.

Het beeld dat New Orleans graag van zichzelf laat zien is dat van een vrolijke mix van de oude (blanke) romantiek van het Zuiden van voor de afschaffing van de slavernij in 1865 en de (zwarte) romantiek van de muziek van de bevrijde slaven, de jazz en de blues. Samen levert dat een feeststad op vol cafe`s en strooien hoedjes in het oude centrum en een oude Mississippiboot in het water. Cool! Maar het lachen vergaat je als je ook maar iets van de geschiedenis van Louisiana probeert te doorgronden.

Anders dan de meeste andere staten, begint de kolonisatie van Louisiana niet met de Engelsen of Spanjaarden maar met de Fransen, toen La Salle in opdracht van Lodewijk XIV in 1682 als eerste blanke de Mississippi afzakte en eenmaal aan de monding van de rivier gekomen met zijn mannen het marslied `Vexilla regis prodeunt` aanhief. Voor de Indianen, zoals de Natchez, was de komst even wrang als die van andere pioniers in andere delen van Noord-Amerika, maar wat opviel aan de Fransen was dat zij zich, anders dan de Engelsen die in 1763 de macht overnamen, meer richtten op enkele vrije handelsposten dan op de systematische kolonisatie van het hele gebied. Anders dan in Alabama, Mississippi en Georgia bijvoorbeeld liepen er in de stad voor het einde van de burgeroorlog al behoorlijk wat Afro-Amerikanen vrij rond en viel de discriminatie mee. Er ontwikkelde zich na 1865 zelfs een behoorlijke gemengde Creoolse middenklasse die vrij probleemloos met de oude Franse families in het centrum van de stad kon wonen. De wederzijdse beïnvloeding van de culturen was goed te horen. Opera en traditionele volksmuziek mengden zich tot een begin van wat later jazz werd genoemd.

Maar met de lichtpuntjes in New Orleans (door Twain `electrisch gesproken de meest verlichte stad` van het Zuiden genoemd) zijn we er niet. De verloren Burgeroorlog (1861-1865) tegen de Noordelijke Staten duwde met het Zuiden ook Louisiana kopje onder. Met de afschaffing van de slavernij (uiteindelijk de inzet van de oorlog) viel de Zuidelijke economie in duigen. De oude katoenplantages raakten vaak in verval, de kleine boeren verarmden omdat zij uit pure noodzaak hun akkergronden te intensief gingen bewerken en de voormalige slaven trokken naar het Noorden of bleven vrij maar berooid achter. In het gunstigste geval mochten ze in dienst blijven bij hun voormalige landheer. Maar meestal moesten zij de plantages verlaten, vonden ze geen baan meer en werden ze overal waar ze kwamen gediscrimineerd en letterlijk als honden weggejaagd.

Zelfs in New Orleans kwam er spoedig een einde aan de ooit zo geprezen gemengde samenleving. In 1894 volgde een segregatiewet die de Creolen gebood het Oude Kwartier te verlaten. De wettelijke segregatie verbood de niet-blanke letterlijk zich te ontwikkelen. Zelfs het dragen van nette kleren, normaal taalgebruik en een rechte houding werden door de blanken als provocaties gezien, zo constateerde de Amerikaanse socioloog John Dollard al in de jaren dertig. Vanuit die positie is het niet verwonderlijk dat er eigenlijk maar één route open lag: die naar de getto`s van de grote steden.

In zijn roman The Confidence-Man (in 1997 briljant vertaald door Anneke Brassinga) beschrijft Herman Melville hoe de blanken op een Mississippiboot zo`n zwarte man bejegenen: `Hoe heet je, ouwe jongen,` vroeg een paars blozende veedrijver`De Swarte Guinje noem ze meheer.``En wie is je baas, Guinje?``Ach meheer, ik ben`t hond zonner baas.``Zwerfhond, hè? Nou voor jou spijt me dat, Guinje. Honden zonder baas treffen het slecht.`

Als de veedrijver even later informeert waar de kreupele zwarte woont, vertelt hij dat hij langs heel de oever woont en soms in de stad slaapt, op de hete vloer van een bakkersoven.

Het zegt veel over het lot van de voormalige slaaf, in de volksmond ook wel Jim Crow genoemd.

Het zal niemand verbazen dat de achterstelling van de voormalige slaven in wet en praktijk een desastreuze werking op hun mentaliteit heeft gehad. De negers waren niet alleen tweederangsburgers, maar gingen zich er ook naar gedragen. Op een enkeling na werden ze zwervers zonder doel en bestemming, troubadours, krekels in plaats van mieren. Een typerend bluesliedje uit die tijd is The Banjo Player van Fenton Johnson. Ik geef het voor de verandering alleen in het Nederlands weer: ,,Er zit muziek in mij, de muziek van een boerenvolk. Ik zwerf langs de dijken(!), tokkel op mijn banjo en zing mijn liedjes over thuis en over `t land. In café `De laatste kans` ben ik welkom als de viooltjes in maart Achter de spoorlijn klappen de kinderen in hun handen Maar toch vrees ik dat ik een mislukkeling ben. Gisteravond noemde een vrouw mij `troubadour`. Maar wat is dat, troubadour?``

Om zich staande te houden zochten de oude elites van Louisiana, de Bourbons en de lossers of Redeemers, contact met het Noorden, waar de hout- en mijnindustrie bloeide. Zo voeren er aan het eind van de negentiende eeuw behalve katoenschepen ook grote stoomschepen vol kolen de rivier af en nam het aantal houtvlotten toe. Totdat het water in opstand kwam en de rivier steeds vaker buiten haar oevers trad. Met de overstromingen van 1882, 1903 en 1907, 1913, 1922 en 1927 betaalden met name Louisiana, Mississippi en Tennessee de prijs voor de massale ontginning van de bossen en de mijnen in Minnesota, Iowa, Illinois, Ohio en Pennsylvania en de erosie die daar het directe gevolg van was.

Extra rampzalig bij al die overstromingen was de zwakke staat van de dijken, waar Twain in 1883 al over schreef. In een bijlage van zijn reisverslag nam hij een artikel op van de activist Edward Atkinson met daarin een wel heel wrang detail: Tot 1860 werden de praktische onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd door slaven. Toen die er niet meer waren, begon het verval.

Er is veel mis gegaan in Louisiana. In het kader van The New Deal, het grote sociale en economische herstelplan dat president Roosevelt ontwikkelde om de grote crisis te bestrijden, liet de overheid in 1938 een serie korte documentaires maken door H.B. McClure, Joris Ivens en Pare Lorentz. Ze moesten de bevolking de noodzaak laten zien van grote werken als de Tennessee Valley Authority, waarbij het overtollige water van de stroomgebieden van de Missouri en de Mississippi werd opgevangen in een groot stuwmeer en benut werd voor electriciteit. Interessant is dat de TVA in The River - de documentaire die Pare Lorentz maakte - direct gekoppeld wordt aan de grote overstromingen van de Mississippi, die Lousiana zo teisterden. De nadruk bij die New Dealprojecten lag op de noodzaak van samenwerking tussen de verschillende staten, die in het verleden slechts oog voor het eigen belang hadden gehad.

Louisiana was zo`n staat. In 1949 schreef de historicus V.O. Key al dat er in Louisiana meer politici rondliepen die in de gevangenis gezeten hadden dan in welke andere Amerikaanse staat ook. De grootste schurk was de in 1928 tot gouverneur gekozen populistische senator Huey Long. Wars van Washington en sterk neigend naar het fascisme voer Long een totaal eigen koers. Onder het (ook door Randy Newman bezongen) mom `Every Man a King (but No One wears a Crown)` nam de advocaat het op voor de arme blanke man, die hem met open armen binnenhaalde.

In de hoop Louisiana te laten profiteren van haar ligging aan zee, liet hij bij Baton Rouge een extreem lage brug bouwen, zodat de grote Mississippi-schepen uit het Noorden niet verder konden met hun lading en de schepen uit New Orleans automatisch binnen de grenzen van zijn staat zouden blijven. In 1981 hoorde schrijver Jonathan Raban van zijn gids Bob wat de gevolgen van die zet waren:

,,Bob wees op de brug waar de stad begon. `Dat heeft Huey gedaan. Daar heeft hij zo`n doortrapte streek mee uitgehaald Zie je hoe laag hij is? Die brug is maar twintig meter hoog. Huey had het helemaal uitgeknobbeld. Hij wilde alle grote schepen in Louisiana houden, snap je wel? Hij wilde voorkomen dat de centen in Mississippi en Tennessee terechtkwamen. En dus laat Huey een smerig klein bruggetje bouwen. Probeer daar maar eens met een groot schip onderdoor te varen, dat breekt doormidden. In Vicksburg gingen ze tekeer toen ze van Huey`s brug hoorden, en Huey die lachte zich te pletter. Het was net alsof hij een massieve muur over de rivier had gebouwd. Goddomme, zoals de `Kingfish` maken ze ze tegenwoordig niet meer. Hij was de scherpste, smerigste klootzak die ooit op Gods akker heeft rondgelopen.``

Maar zo dachten de meeste blanken in Louisiana er in de jaren dertig niet over. Zij zagen alleen wat Raban zag toen hij onder de brug door was: `Plotseling zat de rivier vol grote vrachtschepen en tankers.`

Every Man a King: tegenover de New Deal stelde Long zijn eigen plan van de `Share Our Wealth Society`. Hij beloofde iedere Amerikaan een radio, een auto en een jaar inkomen van 2000 dollar. De kosten moesten via de belastingen worden weggehaald bij de rijken: alles wat zij boven een miljoen per jaar verdienden, moest aan de staat gegeven worden. Het program klonk de kleine blanke als Dixieland in de oren, maar bleek al snel onuitvoerbaar.

Hoe populair `de dictator van Louisiana` in Amerika was, zullen we nooit weten. Toen hij zich opmaakte om Roosevelt uit te dagen bij de presidentsverkiezingen van 1936 sloeg de schrik de Democraten om het hart. Maar tot een serieuze confrontatie kwam het niet. In 1935 werd Huey vermoord door iemand die meende dat hij teveel op Hitler leek. Gouverneur O.K. Allen stond erbij en ging meteen op de moordenaar af. Zijn commentaar: `Als er geschoten wordt, wil ik van de partij zijn.`

Long en zijn opvolgers - zijn broer Earl en de beroemde zanger Jimmy (`You are my sunshine`) Davis met op de achtergrond de corrupte en racistische oliebaron Leander Perez - hebben voor een belangrijk deel het klimaat gezaaid dat nu met tranen wordt gemaaid. In In de schaduw van een groot licht (1971) noemt J.W. Schulte Nordholt Perez de ongekroonde koning van de Plaquemines Parish, het uitgebreide moerasgebied ten zuiden van New Orleans, `sluw en primitief, anti-neger, anti-semiet`, ja, iemand waarbij de beruchte gouverneur van Alabama Edgar Wallace `an angel of reason` was. Het effect van de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King jr. was hier dan ook geringer dan in Georgia, Alabama, Mississippi en Tenessee. En dat terwijl New Orleans in 1960 met 234.000 (in 1900 waren dat er 78000; inmiddels zijn dit er 326.000 op een totaal inwonertal van 485.000) verreweg het grootste aantal zwarte inwoners in het Zuiden telde.

Ondanks de systematische studie van enkele Nederlandse historici zoals Rob Kloosterman en Chris Quispel naar het verband tussen het racisme en de slechte positie van de voormalige slaven in de Zuidelijke staten, blijft het lastig hoe de geringe belangstelling voor de burgerrechtenbeweging te verklaren is. Voelden de Afro-Amerikanen van New Orleans zich meer Jim Crow dan hun broeders en zusters naast hen? Gold voor hen meer dan voor anderen het adagio `We are happy, aber glücklich sind wir nicht`? Of waren zij toen al ondergedompeld in een wereld die dominee King niet meer kon bereiken.

Hoe het ook zij, het lijkt wel alsof het drama van Katrina helemaal past in de geschiedenis van Louisiana. Het is de geschiedenis van een buitenbeentje. Een vreemde combinatie van blanke solidariteit en gefrustreerde grootheidswaanzin in eigen buurt, vol water en olie en een vleugje sheriff en maffia. De geschiedenis ook van de kinderen van de blues van Ma Rainey en Bessie Smith die hun Martin Luther King hebben gemist. Soms kregen ze de kans Fats Domino te wezen, maar in de regel moesten ze het doen met een positie ergens tussen de Lower en de Last.

Hoe groot is het zelfreinigend vermogen van Amerika? Hoe veerkrachtig de inwoners van Louisiana en omgeving? Hoe daadkrachtig hun tot op heden vooral klagende politieke leiders? Verdwijnt de toegezegde 52 miljard dollar straks in een bodemloze put of krijgt het geld zijn bestemming als onderdeel van een serieus herstelplan zoals ooit de New Deal?

Over een jaar of tien zal blijken wanneer de werkelijkheid, waar Noach met zijn megafoon over sprak, weer begon. Ik hoop dat er tegen die tijd nog een verslaggever te vinden zal zijn die terugwil. Naar dat laagste punt in 9th Lower Ward.

May God bless Louisiana.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden