Lou Landré / De cirkel is rond, Horatio

De cirkel is rond, Horatio. Het afscheid van acteur Lou Landré. ,,Het enige wat ons rest is onze taal.''

Je kunt wel met een lijst wapenfeiten, bekroonde bijrollen, getourmenteerde hoofdpersonages en vrijwel alle landelijke theatergezelschappen aan komen zetten, maar mooi dat Lou Landré daar geen oren naar heeft. Toneel gaat niet over vroeger, maar louter over nu, en als het even kan over het 'optimale NU'.

Allerminst een kwestie van bijgeloof maar louter toeval is het toch ook niet dat het eerste toneelstuk waarin Lou Landré in 1966 bij Toneelgroep Studio speelde 'Lettres Mortes' heette en hij zijn afscheidsrol de komende weken in het toneelstuk 'Niemandsland' speelt. De verwantschap tussen 'Dode brieven' en 'Niemandsland' kan toch zeker niemand ontgaan? En daarbovenop: 'Lettres Mortes' is geschreven door de Fransman Pinget, 'Niemandsland' door de Brit Harold Pinter. Wie verzon of bedong dat 'Pinget' slechts één letter met 'Pinter' verschilt!

Landré kan z'n schaterlach niet langer bedwingen. Nogmaals: van bijgeloof is hij niet gediend, maar niet voor niets zegt Hamlet tegen zijn hartsvriend Horatio dat er meer bestaat tussen hemel en aarde dan wij kunnen waarnemen.

In 'Niemandsland' is Landré de snoeverige en mislukte schrijver Spooner. Pinter beschrijft zijn personage slechts met 'Een man in de zestig' en: 'Hij draagt een zeer oud en versleten pak, donker verschoten overhemd, gekreukte morsige das'. Hij spreekt woorden als: ,,Het enige wat ons rest is onze taal. Kan die gered worden? Dat is de vraag.'' Spoo ners laatste woorden luiden: ,,Nee. Je bent in niemandsland. Dat nooit beweegt, dat nooit verandert, dat nooit ouder wordt, maar dat voor altijd blijft, ijzig en stil.''

Ook Landré is er even stil van, maar zijn ogen parelen van plezier: ,,Die Pinter hè'', sist hij om zich heen kijkend alsof hij een staatsgeheim onthult, ,,dat is een duivel!''

,,'De taal die ons rest...'. Ja, Pinter heeft z'n klassieken opgegeten. Hij heeft zelf nooit uitleg over 'Niemandsland' willen geven. Wel schrijft hij veelvuldig 'Pauze', 'Zegt niets' en 'Stilte' voor. Een pauze kan een tel zijn, zo'n stilte is meestal een dialoog zonder woorden. Dat is het fantastische met Pinter: je bent lang aan het puzzelen en uiteindelijk blijkt het altijd te kloppen. Alles komt uit zijn tekst voort. Het is aan ons, de spelers, om van dat notenschrift muziek te maken. Het moet een strijkkwartet zijn hè, want 'er is al genoeg solistisch gezeik', schrijft Pinter.''

Al op de middelbare school raakte hij verknocht aan theater. Het oude liedje: een bevlogen leraar Nederlands wees hem de weg. ,,De ouders van Rutger Hauer kwamen op die school adviezen geven. Belangeloos, dat bestond nog in die tijd. Uit pure liefde!'' Lastig om aan te geven hoe vervolgens op de Toneelschool leraren de vonk lieten overslaan. Hij herinnert zich een leraar die fluisterde: 'Ja, nu is het goed!' op het moment dat hij zijn tekst kwijt was. ,,Dat soort kleine momenten.'' Of een andere leraar, die verzonken in shagtabak en vloeitjesgefrummel, steevast verzuchtte: 'Ja, 't is moeilijk hoor jongens, 't is moeilijk.' Of dat oer advies van weer een andere mentor: 'Altijd één ding tegelijk!'

Of hij gaandeweg een bepaalde manier van spelen ontwikkelde? ,,Je maakt allicht een ontwikkeling door, al was het alleen al omdat je met andere collega's en regisseurs werkt en steeds andere schrijvers ontmoet. Maar hoe dat nou precies gegaan is? Nog steeds werk ik met dezelfde elementen: de techniek van het vak, het gevecht om spontaniteit niet te verliezen, en ja, ik ben altijd nogal precies geweest.''

Dat is ook het eerste wat collega Gijs Scholten van Aschat over zijn jarenlange samenwerking met Lou Landré zegt. 'Toneelvader' vindt hij een wat zware term, maar onweerlegbaar betekende en betekent Landré veel in zijn toneelleven. Scholten van Aschat: ,,Lou lette altijd goed op me. Ik had de neiging nogal vooruit te spelen, aanvallend, met veel energie, zoals jonge acteurs nou eenmaal doen. Lou leerde mij de 'zachte kant', de waarde van woorden, hoe een woord proeft. Hij zal nooit zeggen: je moet dit of dat doen, wel: kijk nog eens naar die zin. Hij heeft een enorm goed oor voor dat wat waar is.''

Scholten van Aschat en Landré vonden elkaar als een soort beroepsvrienden. Ze stonden tegenover elkaar in Molière's 'Don Juan' als Don Juan en Sganarelle (Landré), als Jago en Othello (Landré), als twee jeugdvrienden in 'Huis en tuin' van Alan Ayckbourn. In dat laatste toneelstuk traden ze gezamenlijk buiten de oevers van zowel toneelstuk als toneelgezelschap. Ze slaagden er niet of nauwelijks in een zekere scène te repeteren omdat beiden unisono in een kronkellach schoten zodra ze elkaar zagen. Het valt niet meer te traceren waar dat nou precies aan lag, maar steevast op hetzelfde moment was daar weer die schaterontsporing, te midden van de troupe louter tussen Scholten van Aschat en Landré. Geen technicus, dramaturg, collega-acteur of regisseur die daar een lasso omheen wist te werpen.

Over zijn solotournee 'Gezelschap' van Beckett oordeelde Trouw-recensent Hans Oranje in 1995: ,,Nu gaat hij alleen, door sneeuw zo diep dat de panden van zijn jas de sneeuw raken, en hij weet dat hij veel, veel meer stappen moet maken. Landré laat die tocht zacht en licht klinkend kraken als een reis van onthechting, prachtig.''

Landré veert op en zegt blij te zijn dat dat herkend werd. ,,Bij de première was ik nog lang niet klaar. Wanneer trouwens wel? Ik was net ontslagen bij het RO Theater. (Waarom? Geen idee. Zo gaat dat: ik 'paste niet meer in de formule'.) Ik had de tekst op papier in m'n hand, en liet die per pagina op het toneel dwarrelen. Opeens kreeg ik een paar black-outs, ik wist niet meer waar ik was. Fysiek vallen kon ik gelukkig niet, want ik zat de hele voorstelling op een stoel. Ik kon niets anders doen dan het gewoon laten gebeuren. Een absolute leegte, ik viel diep, ik verdronk. Jammer. Of nee: niet jammer. Want zo ging dat dan kennelijk. Wonderbaarlijk, dat je dan toch weer boven water komt.''

Hij is verslingerd aan poëzie. Doemt na zijn afscheid misschien een gedichtencyclus als solotoneel op? En wie dan: Marsman? Opnieuw die naar binnen gekeerde schaterlach. Noem hem Marsman! Tijdens zijn 'Parijse periode' droeg hij in het Institut Néerlandais Marsman voor. Geloof het of niet, Horatio, maar op welk jaartal stuitte hij aan het slot van Marsmans 'Tempel en kruis'? 1939! Zijn geboortejaar.

In zijn luttele momenten van 'lichte weerzin' verzuchtte hij tegen zijn tegenspeler Carol Linssen: 'Ik wil geen rollen meer spelen!' Waarop Linssen vernuftig: ,,Dan beschouw je 'Niemandsland' toch als één gedicht!?'' En voort kon Landré weerom.

Hij legt de speellijst van 'Niemandsland' op tafel en streept data en locaties aan. Hier; zaterdag 18 oktober première in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag. Eerstvolgende voorstelling? Breda, vijf dagen later! Zijn pen zakt via de Dordrechtse Kunstmin, het Larense Singer, de Meppelse Ogterop, de Roosendaalse Kring en het Heerenveense Posthuis naar de slotvoorstelling, terug in de Haagse schouwburg. Op zaterdag 20 november 2004. Zijn verjaardag. Zijn 65ste.

Met een oogopslag die fonkelt van zowel duivelse als voluptueuze zeggingskracht: ,,Nee, dat heeft niemand bedacht of geregeld of verzonnen! Gewoon toeval.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden