Losse bladen uit een meesterwerk

Een tot voor kort volstrekt onbekende bijbel die nog uit de Middeleeuwen dateert, blijkt een ware bron van informatie te zijn over het religieuze en maatschappelijke denken in de veertiende eeuw. Het nieuwe Museum M in Leuven laat nu ruim zestig losgemaakte bladen van dit unieke boekwerk zien.

Met echte topwerken uit de wereld van de kunst en wetenschap kan het soms vreemd gaan. Zo rust er al veertig jaar in een bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de Katholieke Universiteit in het Belgische Leuven een bijbel die ondanks zijn grote culturele belang tot nu toe uitsluitend door wetenschappers – en dan nog een uiterst select gezelschap – werd ingezien. Nu, twee jaar nadat hij tot ’topstuk van de Vlaamse gemeenschap’ werd verklaard, duikt de middeleeuwse bijbel plotseling op in het nieuwe Museum M in Leuven.

Met de ’ontdekking’ van de bijbel ontstond ook meteen de vraag in wat voor conditie hij verkeerde, wat er moest worden gedaan om hem voor de volgende eeuwen te behouden en op welke manier hij aan een breder publiek kon worden getoond. Besloten werd om de bijbel te conserveren (in de zin van consolidatie, vooral van de verf- en inktlagen) en niet te restaureren. In dat laatste geval zouden verstrekkende ingrepen gepleegd moeten worden en het onderzoeksteam dat al was samengesteld, vond dat eigenlijk te ver gaan.

Het boek werd voorzichtig uit de band gehaald – tijdens de laatste (neogotische) restauratie een eeuw geleden was de rug veel te krap ingebonden – waardoor de folio’s stuk voor stuk los kwamen. De conditie bleek daarbij niet al te slecht te zijn. Oorlogen en ander strijdgewoel hebben de bijbel gespaard (wat in Leuven indachtig het bombardement van de Eerste Wereldoorlog een wonder mag worden genoemd), maar zo hier en daar heeft de houtworm behoorlijk toegeslagen.

Al op de eerste bladzijden is dat duidelijk zichtbaar, bijvoorbeeld in het openingsdiptiek dat geheel gewijd is aan de opdrachtgever. Koning Robert I van Anjou, die in de veertiende eeuw in Napels hof hield en van daaruit grote delen van Zuid-Europa inclusief het huidige Italië bestierde, is met tal van gaatjes doorboord.

Het publiek dat de losse bladen nu onder ogen krijgt, kan dus de volledige staat van de bijbel opmaken. Ook dat is een uniek gegeven, want hoeveel tentoonstellingen zijn er niet waar uitsluitend opgepoetste objecten worden geëtaleerd ?

Dat het schilderkunstige hoogtepunt van deze bijbel direct al in het begin van het manuscript kan worden aangetroffen, is niet zo vreemd. Koning Robert was immers de opdrachtgever voor de uitvoering van het boek dat hij in 1340 ten geschenke gaf aan zijn kleindochter Joanna. Zij was op dat moment verloofd met een Hongaarse edelman, Andreas genaamd, maar bovenal was ze de wettige erfgename van het Huis van Anjou. Toen Joanna de bijbel in ontvangst nam, was de opdracht nog niet geheel voltooid. Zo moeten op dat moment onder meer de randdecoraties hebben ontbroken die er waarschijnlijk later (en misschien door verschillende bezitters na Joanna) aan zijn toegevoegd. De bijbelse versieringen en de hof- en natuurscènes vormen in het boekwerk geen eenheid, stilistisch niet en zeker niet gezien hun kwaliteit.

Wie was de Angevijnse vorst Koning Robert van Anjou? Bekend is dat hij de kunsten en de wetenschap een warm hart toedroeg. Hij nodigde aan zijn hof in Napels voor die tijd vernieuwende kunstenaars uit als Pietro Cavallini (die als eerste met de Byzantijnse tradities zou breken), Simone Martini en Giotto, die in het Italië van de veertiende eeuw tot de belangrijkste schilder zou uitgroeien. Ook schrijvers, vertellers en dichters verkeerden aan het Napolitaanse hof. Robert had grote belangstelling voor Petrarca, las daarnaast de werken van Aristoteles, Seneca, Plato en Thomas van Aquino.

De opdracht voor het verluchtigen van de bijbel (die de Latijnse vertaling, de zogeheten Vulgaat van Hiëronymus omvatte) die hij zijn opvolgster wilde meegeven, gaf Robert aan twee miniaturisten, de kunstenaars Iannutis de Matrice en Cristophoro Orimina. Degene die hen de teksten heeft aangeleverd, is onbekend gebleven. Feit is wel dat dat deel van het handschrift bijzonder verzorgd is, zodat we er van mogen uitgaan dat Robert ook op dit punt zorgvuldig te werk is gegaan.

De Matrice en Orimina stonden sterk onder invloed van de vernieuwingsdrang in de eerste helft van de veertiende eeuw in Italië. Tot dan toe werd er vooral geschilderd naar Byzantijnse tradities (denk aan de iconen die nog altijd volgens een vast schema tot stand komen), maar Cavallini en Giotto streefden naar een meer herkenbare, zeg maar ’menselijke’ stijl. Met name Giotto schilderde bijbelse figuren als levensechte mensen, dat wil zeggen van vlees en bloed. Christus werd opeens een benaderbare figuur die wonderen deed die voor de ’gewone man’ invoelbaar waren. De invloed van Giotto op het werk van de twee miniaturisten (wier namen wonder boven wonder bekend zijn gebleven) is onmiskenbaar. Sommige houdingen, poses en zelfs gelaatsuitdrukkingen zijn regelrecht van de grote meester overgenomen. Wie wel eens de Scrovegnikapel in Padua heeft bezocht, herkent Giotto (die daar al in 1303-1305 werkte) direct op de expositie in het Leuvense museum.

Deze periode wordt wel de prerenaissance genoemd, omdat ze een kleine eeuw voorafgaat aan de hoogtijdagen van de renaissance van Michelangelo, Bramante en Botticelli. In feite stoelt het realisme van de renaissance op een terugblik op de Antieken, toen er van bijbelse scènes nog geen sprake was. Giotto en zijn navolgers De Matrice en Orimina wortelden echter in een op het geloof gestoelde overtuiging die zij desalniettemin toch een waarheidsgetrouw aanzien wilden geven.

Joanna moet niet lang plezier van het geschenk van haar grootvader hebben gehad. Nadat haar echtgenote Andreas in 1345 werd vermoord, huwde ze opnieuw, maar moest binnen een jaar uit Napels wegvluchten. De kostbare bijbel bleef achter en kwam in het bezit van Roberts secretaris en latere kanselier Niccolò d’Alife. Waarschijnlijk om redenen van jaloezie haalde d’Alife alle bladen waarop het blazoen van Andreas stond uit de bijbel los en liet daar zijn eigen wapenschild overheen schilderen. Alleen de eerste bladzijde waarop Andreas’ wapen was te zien (waarmee de Handelingen van de apostelen beginnen), bleef gespaard. Waarschijnlijk heeft d’Alife nog meer randdecoraties laten aanbrengen, waarbij zijn blazoen soms met fantasiewezens wordt omgeven.

De Anjou-bijbel heeft nadien nog tal van omzwervingen gemaakt. Zo kwam ze in de vijftiende eeuw nog in bezit van Jean, Duc de Berry, die beroemd is geworden vanwege zijn opdracht aan de gebroeders Van Limburg voor het verluchtigen van een bijzonder getijdenboek (’Les Tres Riches Heures du Duc de Berry’). Rond 1509 verzeilde het handschrift in het Atrecht College in Leuven waar het tijdens de woelingen van de Franse Revolutie zeker en goed moet zijn bewaard. Onder Napoleon bestond een sterk antiklerikale en anti-monarchistische stemming waarin de Bijbel bepaald niet populair was. Bovendien waren er in de randversieringen hier en daar ook Franse lelies opgenomen, ook iets dat de Franse bezetters niet op prijs zullen hebben gesteld.

Nog in de vorige eeuw blijkt de bijbel van Anjou aanwezig te zijn in de bibliotheek van het Groot Seminarie in Mechelen. Maar ook daar wordt het historische en artistieke belang van het manuscript nog lang niet onderkend. En hoewel de enorme belangstelling voor de Middeleeuwen (die allang niet meer zo ’donker’ zijn als ze destijds werden geacht) na de Tweede Wereldoorlog historici en andere wetenschappers er toe aanzet om de ene vondst na de andere te doen, lijkt de waardering voor de bijbel van Anjou voorshands het vriespunt te hebben genaderd.

Inmiddels ligt het boek al veertig jaar in de Maurits Sabbe-bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de Katholieke Universiteit van Leuven. Ter verduidelijking: deze Maurits Sabbe was niet de gelijknamige schrijver, maar een theoloog die lang hoogleraar was aan de KU Leuven, in 2004 stierf en zijn naam heeft gegeven aan wat als de grootste en rijkste theologische bibliotheek ter wereld (60.000 boeken) wordt beschouwd. Sabbe zelf heeft de presentatie van het meesterwerk dus niet meer kunnen meemaken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden