Lopen de VS voorop, met de herkansing voor 'gevallen' sporters?

HALL OF FAME | Bij de verering van sporthelden in Amerika doemt een nieuwe vraag op: verdienen dopingzondaars een nieuwe kans?

Hoe eert een volk zijn grote sportmensen? In Nederland varen we soms door de Amsterdamse grachten en doen dan een beetje gek, en in de VS hebben ze overal in het land gebouwen ingericht als voortdurend aan te passen eerbetoon aan topsportmensen.


Die organisaties kennen wij als 'Hall of Fame', vrij vertaald 'eregalerij'. Het zijn goed gestructureerde, steeds licht wisselende exposities over (vooral) Amerikaanse sporthelden.


Denk aan stevig uit de kluiten gewassen musea waar in sport geïnteresseerden gemiddeld 20 euro moeten betalen om naar hun helden uit het verleden te kijken.


De oudste van de vele Halls of Fame is die van de honkballers. Deze organisatie stamt uit 1935 en bevindt zich in Cooperstown, New York. De drie andere bekende Noord-Amerikaanse sporten bevinden zich in Toronto, Canada (ijshockey, sinds 1943 en overigens tweetalig; de Franse Canadezen spreken van Le Temple de la Renommée du Hockey), Springfield, Massachusetts (basketbal, sinds 1985) en Canton, Ohio (American football, sinds 1963).


Voor iets minder bekende 'Amerikaanse' sporten zijn er Halls in Rhode Island, RI (tennis), Fort Lauderdale, Florida (zwemmen), Holyoke, Massachusetts (volleybal), Canastota, New York (boksen), in Sparks, Maryland (lacrosse) en een International Women's Hall of Fame in het nietige gehucht East Meadow, NY.


Veel van deze Halls zijn stichtingen. Zij zijn voor een groot deel afhankelijk van kaartverkoop en schenkingen of sponsoring. Over de hele linie, bij alle sporten, loopt die de laatste jaren opmerkelijk terug. De mensen in Canton dachten aan een half miljoen bezoekers op jaarbasis, maar moeten het tegenwoordig met 250.000 doen.


Honkbal en basketbal zijn blij met het aantal van 300.000 toeschouwers per jaar en de andere sporten komen bij lange na niet aan die aantallen.


Toch is een plaatsje in zo'n Hall voor de Amerikaanse sporter een soort hemel op aarde, ook omdat het op te nemen aantal leden zeer beperkt is en de nieuwe sporters er vaak jaren over doen om opgenomen te worden. Velen gebruiken de term Hall of Fame op hun visitekaartje of in hun cv.


Over het opnamebeleid bij de honkballers is ineens veel te doen. Twee notoire dopinggebruikers in die wereld, de toppers Barry Bonds en Roger Clemens, zijn de afgelopen jaren op snoeiharde wijze weggehouden uit de Hall. De mensen die mochten kiezen, leden van de Amerikaanse vereniging van honkbaljournalisten, hadden een stilzwijgende afspraak dat de valsspelers van weleer buiten de Hall zouden blijven. Om duidelijk te maken aan de volgende generaties: valsspelers hebben geen plaats in een organisatie waar begrippen als integriteit, moed, respect, toewijding en uitblinken de hoofdpijlers zijn van het stevige gebouw.


Pas als een genomineerde (tien jaar nadat hij gestopt is) 75 procent van de stemmen van de journalisten krijgt, wordt hij opgenomen. Lukt het in tien jaar niet, dan wordt de genomineerde van de lijst kanshebbers afgevoerd.


Bonds (homerunkoning) en Clemens (won 354 wedstrijden als werper), moesten het de laatste jaren doen met zielige percentages van 5 tot 15 procent, maar opeens gloort er hoop voor de twee mannen die onlangs tegenover de Amerikaanse samenleving diep door het stof moesten gaan: bij de laatste metingen voor de toetreding van dit jaar blijken beiden ineens al meer dan 65 procent van de benodigde stemmen achter hun naam te hebben.


Vanwaar deze merkwaardige wending? De meeste betrokken journalisten laten weten dat het vrijwel moeiteloos opnemen van Bud Selig (voormalig 'commissionar' van de Major League Baseball en notoire 'wegkijker' als het dopingzaken betrof) en manager Rudy La Russo (gaf leiding aan ploegen waar meerdere 'pakkers' in speelden) voor hen de barrière voor de spelers Bonds en Clemens heeft weggehaald.


Met andere woorden: als men te makkelijk leidinggevenden in de honkbalsport toelaat tot de prestigieuze Hall of Fame, waarom zullen de journalisten dan nog ethische en morele bezwaren blijven aanvoeren?


Vorig jaar kreeg Clemens 45 procent van de benodigde stemmen en Bonds 44,3 procent; voor beiden bij lange na niet voldoende om in de Hall te komen. Hun percentages naderen nu de magische grens van 75 procent. Is er, vanuit de VS, een morele herbewapening bezig of moet je het een 'verzachter' noemen? Zijn de opnames van de heren Selig en La Russa alleen de aanleiding voor deze onverwachte koerswijziging? Of komen we in een tijdperk dat we de vele (doping)gestraften in de topsport een herkansing gaan geven? Ook in Amerika wordt immers al geopperd om Lance Armstrong te ontdoen van zijn kettingen als het gaat om mee te kunnen doen aan georganiseerde sport. En moet zijn naam dan ook weer teruggezet worden op de uitslagenlijsten onder het mom: 'Iedereen deed het in die jaren'?


Gaan we naar zo'n nieuwe tijd?


Niet voor Gordon Wittenmayer van de Chicago Sun-Times, die zelfverzekerd schreef: 'Bonds en Clemens belazerden de zaak. Ze werden sterren omdat ze vooral talentvol waren, maar daarnaast langdurig de boel belazerden. Duidelijke zaak dus. Niet opnemen.'


De enige Nederlandse vrouw in de International Women's Hall of Fame heet Fanny Blankers-Koen. Volkomen terecht en zonder enige vorm van twijfel al in 1982 in de groep van (nu) 113 vrouwen opgenomen. Overigens, met DDR-zwemster Kornelia Ender als 'collega'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden