Loon naar werken, ook voor ambtenaren

Het is dom dat de vakbonden tegen prestatieloon voor ambtenaren zijn. Een beloningsstructuur zoals in het bedrijfsleven kan ambtenaren aanzetten tot betere prestaties.

Minister De Graaf wil de voor- en nadelen van prestatiebeloning van ambtenaren laten onderzoeken, maar Abvakabo-voorzitter Snoey weet al hoe het zit: door prestatiebeloning gaan organisaties niet beter werken.

De opmerkingen van de vakbond zijn een voorbeeld van een pavlovreactie: we denken überhaupt niet na over -broodnodige- prikkels om een cultuuromslag onder ambtenaren te bewerkstelligen. Die pavlovreactie combineert deze met een poging de verantwoordelijkheden af te schuiven: het is niet de ambtelijke cultuur, zegt Snoey, de rijksoverheid moet het werk anders organiseren en de politiek, die ze eerst nog zo besluiteloos vond, neemt nu zoveel besluiten dat de ministeries verzuipen in de opdrachten.

Haar reactie past in het door tegenstanders opgeroepen beeld dat werken in de publieke sector het tegendeel is van werken in luilekkerland. Waarom wordt er niet ingegaan op de redenen die minister De Graaf aangeeft om in te grijpen? Is de prestatiedrang van onze overheid inderdaad zo groot en boezemt het overheidsoptreden zoveel ontzag in dat er al gewag wordt gemaakt van een cultuuromslag terwijl die zich nog lang niet heeft voltrokken?

Of zou het waar zijn dat de overheid nog steeds niet kan wedijveren met het bedrijfsleven om de best gekwalificeerde werknemer, dat de prestatiedrang en het ambitieniveau van de gemiddelde ambtenaar onder dat van zijn collega in het bedrijfsleven ligt en dat een ambtenaar zich met aanmerkelijk minder risico voor verlies van zijn positie ziek kan melden en dat dat alles bijdraagt aan een weinig prestatiegerichte cultuur?

Het belangrijkste verschil tussen de publieke en de private sector is gelegen in een verschillend arbeidsethos. Dat wordt instandgehouden door de wijze van beloning van die arbeid, of erger: dat wordt er zelfs door versterkt. Waar excelleren in het bedrijfsleven normaliter leidt tot functie- en dientengevolge salarisverbetering gaat dit in het ambtelijke apparaat lang niet altijd op.

Promotie maken binnen een ambtelijke organisatie is vaak afhankelijk van het aantal dienstjaren. Niet de geleverde prestatie maar anciënniteit bepaalt de te maken promotie. Het gevolg: goed presterende ambtenaren zonder uitzicht op positieverbetering verlaten niet zelden gedesillusioneerd de overheidsinstelling. Daar komt nog eens bij dat slecht presterende overheidsdienaren niet of nauwelijks de deur kan worden gewezen. Dat is een dodelijke combinatie voor iedere op progressie en vitaliteit gerichte organisatie.

De oplossing is dan ook (grotendeels) gelegen in het doorvoeren van een beloningsstructuur binnen de overheid die meer op meetbare prestaties is gebaseerd. Daarop worden ambtenaren, in navolging van hun politieke bazen, afgerekend. Net als in de private sector: loon naar werken. Want waarom kunnen (en moeten) politiek bestuurders op meetbare prestaties, als bijvoorbeeld het aantal gerealiseerde woningen, worden afgerekend maar hun ambtenaren niet?

Vaak wordt ter rechtvaardiging verwezen naar het fenomeen van 'the problem of the many hands', een term uit de organisatiesociologie. Daarmee wordt bedoeld dat in overheidsorganisaties iedereen verantwoordelijk is voor een deel en daarmee niemand voor het geheel. Dat principe zou prestatiebeloning onmogelijk maken. Maar dat is te makkelijk al zijn er, net als overigens in het bedrijfsleven, factoren die zich minder makkelijk laten vangen in 'targets'.

Het veelgehoorde argument dat collega's door de invoering van het prestatieloon verworden tot concurrenten is ronduit opmerkelijk. Concurrentie is nu juist hetgeen ontbreekt binnen overheidsorganisaties. Daardoor neemt de prestatiedrang af of is die geheel afwezig. Na invoering van het prestatieloon en de daar onlosmakelijk mee verbonden 'targets' zullen collega's (eindelijk) concullega's worden terwijl de zwakste schakels en de 'meelifters' in het ambtelijke apparaat dan wel kunnen worden afgerekend op hun gebrek aan daadkracht dan wel het ontlopen van verantwoordelijkheid.

Tegenstanders als Snoey en en in mindere mate ook CNV-bestuurder Lohman blijken anno 2004 nog steeds te geloven in de surrealistische gedachte die de commissie-Van Rijn in 2002 liet optekenen in het jaarverslag van de Stichting Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) naar aanleiding van het onderzoek dat zij deed naar het arbeidsmarktbeleid van de overheid. De commissie-voorzitter schreef: 'Ik denk dat er intussen niet zo veel verschil meer is tussen het werken bij de overheid en in het bedrijfsleven'.

De burger weet wel beter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden