Loof

Trouw gunt beginnende schrijvers een plek in de krant. Vandaag Jan Krol (..) uit Groningen. Hij mijmert over zijn zoon, die andere dromen heeft dan voortzetting van het familiebedrijf.

Ik verbouw peen. Niets maakt me gelukkiger dan een veld peen op de vroege morgen, wanneer de ochtendnevel langzaam optrekt en de wereld kleur krijgt. Ik heb het niet van een vreemde.

Mijn vader verbouwde peen, mijn grootvader verbouwde peen, diens vader verbouwde peen. Zoals er geslachten zijn van vissers, kooplieden, dominees en ministers, zo zit mijn geslacht in de peen. Alleen dreigt er nu een kink in de kabel te komen. Die kink heet Johannes. Johannes is mijn zoon.

Het is niet mijn bedoeling te klagen over Johannes, daarvoor heb ik hem te lief. Hij lijkt op mijn zus, die veel te jong gestorven is. Wie mijn zus heeft gekend weet wat ik bedoel. Johannes heeft haar ogen en als hij lacht, lacht Thea. Er zijn momenten dat ik er niet goed naar kijken kan. Johannes heeft niets met peen.

Hij is dertien nu, een mooie leeftijd. Toen ik dertien was droomde ik van een meisje in een woonwagen met wie ik de wijde wereld in trok. Raar. De wijde wereld. Mijn wereld was en is wijd genoeg. Het polderland, groen zover als je kijken kunt, heel in de verte schemert de dijk. Ze heette Lonnie, dat meisje van de woonwagen. Ze was tenger en had zwart haar. Ik denk dat ze uit Indonesië kwam.

Ik weet niet waar Johannes van droomt. Hij lacht soms in zijn slaap. Met Lonnie keek ik naar de ondergaande zon, ergens in een land met bergen. Haar handje lag in mijn hand. Ze rook naar een vrucht die ik toen nog niet kende, maar nu wel. Mango. Ze zei: ’Als het nacht is worden we geesten.’

’En als het weer dag is?’

’Dan zijn we weer onszelf. Maar anders.’

Toen hingen we ons paardje een deken om en gingen slapen in de woonwagen.

Er zijn dingen die je niet vraagt aan je zoon. Waarvan droom je? Waar lach je om? Op hete zomernachten heeft hij de dekens afgeschopt. Daar ligt hij met zijn dunne lijf, ik kan zijn ribben tellen. Hij eet genoeg, daar ligt het niet aan. Hij eet me de oren van mijn kop. Hij moet lachen als ik dat tegen hem zeg: je eet me de oren van mijn kop.

’s Morgens vroeg loop ik door de velden, het natte loof veegt langs mijn broekspijpen, de zon is nog onderweg. De dijk, waarop nu een windmolen staat. De wind steekt op, voert het geluid van de eerste tractor mee.

Het loof buigt. Ik graaf in de natte aarde, mijn rug wordt oud. Als ik overeind kom staat daar Johannes. Hij steekt zijn hand uit en ik leg er een peen in, modderig en koud.

Soms zou je willen gaan liggen, op ochtenden als deze, liggen in het groen. Ogen dicht. De zon strijkt nu over het land, over je lichaam, je handen, je gezicht, gloed. Een kus. Iemand komt in je armen liggen. Je ruikt iets dat je niet thuis kunt brengen en toch ook weer wel. Je vraagt niets. De wind ritselt door het loof. Je wilt nooit meer opstaan.

Dit is een van de 460 inzendingen rond het thema ’Mijn wortels’. Het nieuwe thema luidt: ’De wachtkamer’. Meedoen kan via www.trouw.nl/schrijf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden