Review

Loflied op oerkracht van de natuur

Als een Nescio reisde schrijver Kester Freriks door het ’getemde’ Nederland, en ontdekte warempel verborgen wildernis.

Is er in het geknechte Nederlandse landschap, waarin elke are is geordend, nog ergens een plukje wildernis te ontdekken? Kester Freriks trok afgelopen jaren door het met mensenhanden gemaakte landschap, dat hij ’een duistere bibliotheek vol beleidsnotities’ noemt. Hij streek neer bij struwelen in de polder, de oevers van een meanderende kreek en de rietkragen van het oude veengebied. Als dat geen wildernis is.

„Het is waar dat zo’n beetje alles in Nederland door menselijke bemoeienis is ontstaan. Maar het overige, wat niet door mensenhanden is gemaakt, is dan dus wildernis”, redeneert Freriks. Wildernis is voor hem dat wat uit eigen kracht ontstaat, dat wat wij mensen niet kunnen beheersen of temmen. „Dat, wat we niet in onze macht hebben. Of dat we hebben losgelaten.” De Bisonbaai in de Ooijpolder bijvoorbeeld, of de Boschplaat en de Noordkaap op Terschelling, maar ook De Kerf en Wieringermeer, of de plekken uit Freriks’ jeugd: de Engbertsdijkvenen en het Wierdense veld.

In zijn boek ’Verborgen Wildernis’ dat deze week uitkomt, betuigt Freriks op de kliffen en in de wolfskuilen van Nederland zijn liefde voor dat ruige landschap.

„Je kunt wildernis natuurlijk breed en groot zien: de woestijn, het oerwoud. Groots, majestueus, boven de menselijke maat uitstijgend. Maar als de definitie van wildernis is dat iets op eigen kracht groeit, kan ook een varen op de kademuur wildernis zijn, of een verruigde polder. Er zijn dorpen en steden in Rusland die helemaal zijn verlaten. Tsjernobyl is daar een mooi voorbeeld van. Dat is inmiddels helemaal overwoekerd door de natuur. Er lopen weer vossen rond, er broeden sneeuwuilen. Zodra de mens zich terugtrekt, neemt de natuur het over. Dat boeit mij enorm. Het is ook de essentie van natuur: iets dat zich aan onze zeggenschap onttrekt. Met die optiek ben ik naar het Nederlandse landschap gaan kijken.”

Vaak vroeg Freriks zich af waar nu die obsessieve drang van ingenieurs en waterbouwkundigen vandaan kwam om dit land te bedijken. „Er moest natuurlijk gestreden worden tegen het water, dat begrijp ik wel. Maar op sommige plekken helemaal niet. Toch diende het wilde te worden ontgonnen. Wat was er eigenlijk tegen het wilde? Waarom moest het land per se nut hebben?”

Geïnspireerd door de Britse schrijver Robert Macfarlane die in Engeland en Schotland op zoek ging naar ’De laatste wildernis’, maar ook door ’Waar wij wonen’ van Jac. P. Thijsse en Nescio’s ’Natuurdagboek’, trok Freriks door Nederland. Thijsse en Nescio deden hetzelfde in een andere tijd, Macfarlane in een ander land, toch keken de schrijvers met eenzelfde blik naar het land.

„De overeenkomst tussen ons vieren is dat wij kijken naar wat de natuur is, naar de eigenwaarde, zoals de natuur in zichzelf bestaat. Zonder aan het landschap vanuit de menselijke drang nut toe te kennen. Als je de natuur goed observeert, ben je getuige van een dagelijkse schepping. In de lente zien we dat allemaal. De bomen krijgen blaadjes en de bloemenweides exploderen bijna. Maar wie goed kijkt, ziet die vorming elke dag, ook in de winter. De wereld wordt opnieuw geschapen, gewoon waar ik bijsta. En die schepping is ook nuttig, als dat woord per se gebruikt moet worden, omdat het zijn eigen grote betekenis heeft.”

Op zijn speurtocht kwam Freriks ook op de plekken uit zijn jeugd terecht, de ommelanden van Groningen en de Engbertsdijkvenen en het Wierdense veld bij Almelo. „In die tijd een gigantische barre woestenij van moeras, met muren van turf waaraan in de winters zúlke ijspegels hingen. Je mocht er eigenlijk niet komen, het was er ook gevaarlijk. Maar we waren jong en roekeloos, en keken naar de zwarte sterns en de velduilen die daar overdag wiekten.

„Daar ben ik echt van het dreigende landschap gaan houden. Ik was als kind in het moeras zo ver weg van de wereld, en heel dichtbij een andere. Ik voelde de nietigheid en kreeg later de eerbied. Die sensatie is ook de bron voor dit boek geworden. Toen ik gebieden voor mijn hoofdstukken moest sorteren, kwam ik het eerste uit bij Emmer-Compascuum, maar ook bij de Groote Peel. Bij jeugdbeelden van het ontoegankelijke moeras.”

Die kriebels uit zijn jonge jaren, voelde Freriks ook toen hij afgelopen jaren door de veel bediscussieerde Oostvaardersplassen struinde. Hij komt er graag, al vindt hij het jammer dat de grote grazers zo hun best doen dat er voor de graspieper en roodborsttapuit geen struweel meer overblijft. „Het wordt hier te kaal, en of dit nu het enige oerlandschap van Nederland is? Ik weet het niet, en vind het ook niet belangrijk. Het is wel jammer dat er in de discussie over ’echte natuur’ zo scherp wordt geoordeeld over het cultuurlandschap. Dat doet mij ook pijn en is beledigend voor het landschap zelf. Met mijn boek wil ik aantonen dat ook in cultuurlandschap, zelfs in de polder, ook in weilanden met bomengroepen, iets van de sensatie van de wilde natuur is te beleven. Ik wil de scheiding tussen natuur en cultuur helemaal niet maken.”

Zijn ’loflied op de oerkracht van de natuur’ heeft Freriks laten illustreren met oude cartografische prenten, waarin melding wordt gemaakt van ’moerassige streeke lands daar nauwelijks een Mensch over gaan kan’. Of : ’wildernisse, door geen Mensch te betreden’. „Die zinsneden vormen de kern van dit boek: al het land is in dienst van de mens.

Sommige kaarten laten overduidelijk de trots van de landeigenaar zien, met nadruk op het ontgonnen land. Maar er zijn ook oudere kaarten die juist de harmonieuze verschijningsvorm van het landschap tonen, geen rechte lijnen, maar in een natuurlijkheid die we nu niet meer kennen. Dat uit eigen wetten en krachten is ontstaan. Rivieren doorsnijden het land, gaan meanderen, er vormen zich eilanden in de rivier en het water komt uiteindelijke via een enorme delta in zee. De rivieren hadden een enorme ruimte en wij hebben ze met dijken vastgelegd. Aan de oude kaarten kun je zien dat dit geen oplossing is.”

Zijn tocht door Nederland heeft Freriks geleerd dat we niet naar Afrika hoeven om de wildernis te ervaren. Nederland is mooi en rijk en er zijn in eigen land genoeg plekken om die ruigte te ervaren. Die conclusie is geen geruststelling, maar een waarschuwing, benadrukt Freriks. Wildernis is weerloos en moet beschermd en gekoesterd worden. Zoals dat moeras bij Emmer-Compascuum, volgens hem het meest ruige en in zichzelf gekeerde stukje Nederland. „Als je daar verdrinkt, sluit het water zich over je heen, en niemand die je nog terugvindt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden