Lof voor de huismoeder

Een feministe was ze niet, maar ze zag wel dat vrouwen uit de schaduw van de mannenwereld moesten komen. Zoals ze dat zelf deed.

Wie aan de illegaliteit in de Tweede Wereldoorlog denkt, denkt aan stoere mannen, aan helden. Maar volgens de Friese dichter, journalist en schrijver Tiny Mulder is er geen groep geweest die zoveel heeft bijgedragen aan het verzet als de Nederlandse huismoeders: „Al die ondergedoken mannen en vrouwen moesten toch een bed hebben”, zei ze drie jaar geleden voor de VPRO-radio. „Er moest gekookt worden, gewassen met die ellendige stukjes rotzeep, er moest gegeten worden. ’s Winters moesten er kolen of turf zijn om de kachel te stoken.” En voor al die noodzakelijke dingen zorgden de gewone huismoeders.

Tiny Mulder, afgelopen donderdag op 89-jarige leeftijd overleden in het Friese Jellum, wist waarover ze sprak. Aan het begin van de oorlog kwam Evelijn in het gezin-Mulder in het Friese Drachten. Het was een Joods meisje van een jaar of zeven, acht, dochtertje van een stel dat in Den Haag was ondergedoken. Het kind was helemaal overstuur, het was van het ene naar het andere adres verkast. „Mijn moeder heeft van Evelijn weer een normaal kind gemaakt door haar steeds maar weer gerust te stellen en liefde te geven. Als ik mijn moeder ergens om bewonder, dan is het hierom.” Evelijn zou tot de bevrijding in huize-Mulder blijven.

Tiny raakte zelf min of meer bij toeval betrokken bij het verzet. Ze werkte op het gemeentehuis van Smallingerland, waar Drachten onder valt, en kreeg in de eerste oorlogsjaren te maken met de distributie van bonnen – haar chef was de verzetsman Pieter Wijbenga die ondergedoken Joden bonnen en valse papieren bezorgde. Later in de oorlog hielp Tiny mee aan het redden van Britse en Amerikaanse piloten die boven de noordelijke provincies door Duits afweergeschut waren neergehaald. En ze deed mee aan de zogeheten Zeemanspot waaruit gezinnen van zeelui werden betaald die buitengaats waren toen de oorlog uitbrak en die niet naar Nederland konden terugkeren. Deze Zeemanspot zou uitgroeien tot een enorme illegale bank die het verzet en onderduikers financierde.

Tiny bleef altijd de bescheidenheid zelve over haar verzetsrol: „Het leek me goed om wat te doen. Ik heb het volbracht en overleefd.” Een kleine 35 jaar na de oorlog schreef ze over haar oorlogservaringen de roman ’Tin iis’ (in het Nederlands vertaald als ’Gevaarlijk ijs’) die ze opdroeg aan haar ouders Akke Salverda en Jan Mulder. Het boek was ook een stil protest tegen de officiële geschiedschrijving en de oorlogsromans waarin vooral de rol van mannen werd belicht, zo niet verheerlijkt.

Aan het eind van de oorlog kwam Tiny in contact met journalisten van het Friesch Dagblad (FD) die de uitgave van hun krant hadden gestaakt omdat ze niet onder de Duitse censuur wilden werken. Na de bevrijding moest het dagblad weer gaan verschijnen, was de bedoeling. Tiny wilde daaraan meedoen. Ze had al ervaring opgedaan als sportverslaggever: hoewel ze naar eigen zeggen amper de spelregels kende, schreef ze als zestienjarig meisje voetbalverslagen voor de Drachtster Courant.

Voor het Friesch Dagblad versloeg ze het proces tegen NSB-leider Anton Mussert. Ze ging naar Engeland, Canada en Amerika om piloten op te zoeken die mede door haar aan de Duitsers hadden kunnen ontsnappen. Ze was geschokt door de rassendiscriminatie in de VS, vooral in het zuiden. Hoe kon dat nou: met behulp van de Amerikanen was het nazisme met zijn übermensch-ideologie verslagen, en nu bleek dat voor diezelfde Amerikanen niet alle mensen gelijk waren?

In 1949 trouwde ze met een redacteur van de Leeuwarder Courant (LC). Dat baarde opzien, want de LC en het FD gunden elkaar het licht in de ogen niet. Ze hield haar eigen naam en bleef werken, ook nadat ze een dochter en een zoon had gekregen. Dat was evenzeer opmerkelijk, een moeder die niet de hele dag thuis was.

Ze begon een jongerenrubriek in de krant (’ons eigen hoekje’) en een vrouwenpagina. Daarop gaf ze handige tips voor de huisvrouw, over hoelang je producten kon bewaren bijvoorbeeld – de houdbaarheidsdatum bestond nog niet.

Ze vroeg zich in deze rubriek ook af waarom vrouwen nog steeds handelingsonbekwaam waren, waarom er geen vrouw op de kansel stond, en waarom de ARP-fractie in de Tweede Kamer slechts mannen telde. Een feministe voelde ze zich echter nooit. Baas in eigen buik, Dolle Mina, of hoe die actiegroepen ook mochten heten, Tiny betwijfelde of ze de wereld werkelijk vooruit hielpen. Anderen zeggen daarentegen dat Tiny juist met die pagina een enorme bijdrage aan het feminisme heeft geleverd: ze bleef dichtbij de gedachtewereld van lezeressen en maakte hen stapje voor stapje bewust van hun ondergeschikte positie.

Tiny Mulder beheerste vrijwel alle facetten van de journalistiek. Haar pen kon buitengewoon scherp zijn; dat ondervond een predikant die zijn gelovigen had opgeroepen dominees aan te geven die niet volgens de letter van de bijbel preekten. ’De nieuwe inquisitie’, noemde ze dat optreden, hier was ’de Bijbelgestapo’ actief: ’Nergens is de smerige walm van achterklap, achterdocht, haat en nijd me zo in het gezicht geslagen als in de kerk van Christus’.

Ze kende het lezerspubliek van het Friesch Dagblad door en door: oergereformeerden, die vrijwel zonder uitzondering op de Anti-Revolutionaire Partij stemden, een van de voorlopers van het CDA. Als kind ging ze met haar moeder mee naar de kerk (haar vader sloeg meestal over), twee keer per zondag, week in, week uit. „Nee, dat moest niet, het werd gewoon gedaan.”

Voor haar krant schreef ze talloze recensies, vooral van Friese boeken. Ze verzorgde ook een literaire rubriek voor de regionale omroep. Naast haar journalistieke werk schreef ze romans, kinderboeken, toneelspelen, cabaretteksten, en (vooral) dichtbundels. Allemaal in het Fries, een taal die volgens haar veel klankrijker is en veel meer schakeringen kent dan het Nederlands, zeker bij gedichten komt dat tot uiting.

Voor haar hele oeuvre kreeg ze de in 1986 de Gysbert Japicxprijs, de hoogste prijs voor oorspronkelijk Fries literair werk. Geen wonder dat de biografie over haar ook in het Fries is geschreven: ’Foar alles is in tiid’, van de hand van Geart de Vries, directeur van het Historisch Centrum Leeuwarden.

Overigens ging Tiny pas op haar twaalfde Fries praten. Ze kwam toen met haar ouders en broertje weer in Friesland te wonen, de provincie waar ze weliswaar was geboren maar die ze als kleine peuter al verliet: haar rusteloze vader, gek op auto’s en motoren, trok op zoek naar werk van Deventer via Doetinchem naar Gorkum. Met zijn vrouw sprak hij Fries, maar met hun kinderen Nederlands. Zijn bedrijf ging failliet in de jaren dertig, waarna hij een amper renderende tabakszaak in Drachten begon. Vanaf dat moment sprak het hele gezin Fries.

Uitgerekend deze week zou Tiny in het Verzetsmuseum in Leeuwarden een Yad Vashem-onderscheiding in ontvangst nemen die postuum aan haar ouders is toegekend voor het verlenen van onderdak aan onderduikers. Die ceremonie gaat gewoon door, zei Hans Groeneweg van het Verzetsmuseum afgelopen vrijdag in het Friesch Dagblad, dochter Rixt zal de oorkonde aannemen.

Als Tiny over de oorlog sprak, sprak ze vooral ook over de bevrijding. Ik ben geen janker, zei ze een paar jaar geleden toen ze terugblikte. „Het enige dat me tot tranen toe kan bewegen, zijn de beelden van de bevrijding. Dan zie je die geallieerde soldaten op de tanks, die glunderende jongenskoppen. Mensen staan te juichen, allemaal heel slank, met die stekelige armen de lucht in, en overal de vlaggen uit. Dan hou ik het niet droog.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden