Lodewijk de Waal

Lodewijk de Waal (Rotterdam, 1950) is, per 1 juli, de nieuwe directeur van Humanitas. Sinds 1973 is hij actief geweest in de vakbond. Hij begon als kaderlid van de NVV-bond Mercurius, was wao-coördinator en bondsvoorzitter van de Dienstenbond FNV. In 1992 maakte hij de overstap naar de vakcentrale waar hij, vijf jaar later, het voorzitterschap overnam van Johan Stekelenburg.

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Achteraf denk ik: het zou raar zijn geweest als ik géén conflicten met de paters van de Franciscanenschool had gehad. Het was in die jaren niet zo bijzonder om kritiek op de autoriteiten, kritiek op het instituut van de kerk, te hebben. Ik ging gewoon met de stroom mee. Ik las de pauselijke encycliek – ik meen de Humanae Vitae – en dacht: daar wil ik niet bijhoren. Het instituut was alles en als dat instituut wegvalt, wat blijft er dan nog over? We voerden daar op school uitvoerige debatten over. Ik had een buitengewoon irritante godsdienstleraar die zei: ‘Twijfel is ook onderdeel van het geloof’. Toen ik een keer, uit protest, een blanco proefwerkblaadje bij hem inleverde, zette hij er een negen boven. Ik was woedend – want ik wilde natuurlijk een nul – maar hij zei tevreden: ‘Je hebt er in ieder geval over nagedacht’. Briljant, bij nader inzien, maar het lukte hem niet mij voor het geloof te behouden.

De rationaliteit kreeg de overhand. Je ziet het heelal en waar een ander misschien denkt ‘Dit moet gecreëerd zijn’ dacht ik alleen maar: wat is hier de zin van? En ook: die verhalen over de kruisdood zijn prachtig, maar hoe zou het zijn als je aliens op een andere planeet aantreft? Hebben die ook een Jezus gehad? Ik ging, uiteindelijk, het geloof voorbij.

Ik vind het mooi als mensen, zeker ouderen, troost vinden in het geloof; als ze zich door die gedachte kunnen verzoenen met de dood. Het is onzin, maar als het je helpt: prima. Een placebo-effect. Nee, een gelovige is niet naïef maar* ik zal je eens een verhaal vertellen over mijn oom Lodewijk. Hij was Jezuïet, doctor in de wiskunde, hoogleraar kerkelijk recht aan de Gregoriana te Rome – bepaald geen domme man en toch deed hij mij, in alle ernst, een oude catechismus cadeau waarin precies stond beschreven hoeveel engelen er waren en in hoeveel koren ze waren opgedeeld. Ik heb nooit kunnen begrijpen hoe een slimme man er zulke dwaze ideeën op na kon houden. Het enige wat ik kan bedenken is dat hij in twee werelden leefde. Zoals christenen op zondag iets moois bedenken en op maandag het tegenovergestelde doen. En toch zijn het dezelfde mensen.”

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Er zijn, in naam van God, verschrikkelijke dingen gebeurd, maar ik geloof niet dat – zoals Ayaan Hirsi Ali bijvoorbeeld over de islam betoogt – religies in essentie zo verdorven zijn dat de praktisering ervan wel tot geweld móet leiden. Ik denk dat je het breder moet zien. Voor wie de absolute waarheid in pacht meent te hebben, lijkt alles geoorloofd. Dat geldt voor de islam, voor het christendom, maar ook voor het leninisme, het communisme en het – humanisme? Nee. Een humanist zal niet beweren dat hij de waarheid bezit. Een zeker relativisme – een beetje Karl Popper, zal ik maar zeggen – is hem niet vreemd, hij zal niet snel denken: die andere opvatting moet ik zien uit te roeien, nog even en het Heil is daar.

Wat ik in dit verband interessant vind, is het debat dat nu binnen het humanisme speelt over het ten strijde trekken tegen religies. Ik was laatst op een congres van internationale humanisten in New York en hoorde hoe men in Afrika te hoop loopt tegen de hekserij, hoe men in Amerika een strijd voert met creationisten die eisen dat de evolutieleer niet langer op scholen wordt onderwezen, en hoe in men zich in Iran teweer stelt tegen de onderdrukking door het geloof. Dat soort uitwassen moet je bestrijden, maar hier, in Nederland, is daar al jaren geen sprake meer van. Goed, als minister Van der Hoeven een wetenschappelijke discussie over het Intelligent Design wil stimuleren, denk ik: hou toch op! Daar is een weerwoord van het humanisme wel geboden, maar dat zijn toch de randgebieden.

Ik heb aan de grondslag van de FNV gewerkt en daarin was de, enigszins laconieke, boodschap opgenomen dat iedere inspiratiebron – of het nu het katholicisme, de islam of iets anders is – acceptabel is zolang je maar geïnspireerd aan onze idealen werkt. Dat kan, in ons land. Voor een humanistische djihad tegen het kwaad van de religie is hier, wat mij betreft, geen enkele aanleiding meer.”

Gij zult de dag des heren heiligen

“Ik ben, wat die zondagsheiliging betreft, in cao-termen heel fanatiek geweest. In een debat met toenmalig CDA-minister Ruding stelde ik dat wie de zondag wilde heiligen, de zaterdag moest verdedigen. Ik zei: ‘God heeft de mensen de vrije zondag- en de vakbond heeft ze de vrije zaterdag gegeven.’ Dat vond hij een zeer oneerbiedige opmerking. Wat mij betreft is het – niet om religieuze redenen, maar wel uit sociaal oogpunt – belangrijk om een rustpunt in het leven te hebben. Die opstelling bracht mij vaak in de vreemdste coalities. Ik herinner me dat tijdens een bijeenkomst van Veluwse protestanten in Spakenburg, een dominee plotseling vertwijfeld uitriep: ‘Maar we mógen het toch helemaal niet met hem eens zijn?’ De antichrist is het met ons eens – wat is hier aan de hand? Ik heb altijd zeer van dat soort debatten genoten. Zo zijn SGP-leider Bas van der Vlies en ik het in een forumdiscussie eens geweest over de noodzaak het minimumloon te verhogen, tot ik hem vroeg: ‘Zeg, waarom bent u er eigenlijk voor?’ ‘Nou’, zei hij, ‘de man moet zoveel verdienen dat zijn vrouw niet hoeft te werken.’ Daar heb ik nog hartelijk om gelachen, maar toen even later iemand naar me toekwam en zei: ‘Meneer de Waal, het spijt me verschrikkelijk dat wij u niet hebben kunnen overtuigen want dat is onze zonde’, was al die vrolijkheid op slag verdwenen. Wat een treurigheid! Je ziet de wereld van je afdrijven, je gelooft dat het jouw schuld is en je kunt er niets aan doen. Weet je dat ik er helemaal akelig van werd? Wat dat betreft was het katholicisme toch een stuk vrolijker.”

Eer uw vader en uw moeder

„Zelfs toen ik van school werd gestuurd, heb ik van mijn ouders niet horen zeggen dat het verkeerd met mij zou aflopen. Ze hadden een groot vertrouwen in mij: hij doet misschien een beetje raar, maar het komt allemaal wel goed. Ook in ideeën kwam er tussen ons geen grote verwijdering. Mijn moeder werd lid van de PPR – wat voor een katholiek toch een hele stap was – en ze genoot ervan dat ik meedeed aan demonstraties tegen Vietnam of verdacht werd van het gooien van rookbommen. Mijn vader was daar minder enthousiast over. Hij liet, toen de politie op de stoep stond om te controleren of ik de maker van die bommen was, doodleuk de kamer van mijn broer zien. Maar als ik ‘Mijnheer de President’ van Boudewijn de Groot liep mee te zingen, zei hij: ‘Het zijn wel de Amerikanen die ons hebben bevrijd’. Ik had eens een vlag van het Amerikaanse consulaat in Rotterdam getrokken en die als deurmat voor mijn kamer neergelegd. Mijn moeder veegde haar schoenen eraan af, maar mijn vader stapte er keurig overheen. Toch leverden die situaties nooit conflicten op. Ik had een prachtige jeugd en heb, toen ik het huis uitging, altijd contact met mijn ouders gehouden.

Mijn band met hen werd nog sterker toen mijn vader Alzheimer kreeg. Nee, niet door een dreigend afscheid, maar door de emoties die zijn ziekte opriepen. De smartelijke dingen die we met z’n allen hebben meegemaakt, hebben ons gezin heel dicht bij elkaar gebracht. Het pijnlijke was dat mijn vader zich heel bewust is geweest van de situatie. We zagen hem worstelen met zijn geheugen, maar ook met zijn humeur: het maakte hem razend dat hij dingen vergat. Hij werd bang als mijn moeder de deur uitging, maakte haar de vreselijkste verwijten. Zij trok het zich vreselijk aan. ‘Hij is ziek’, zeiden we tegen haar, ’tien jaar geleden zou hij zoiets nooit tegen je hebben gezegd’. Maar zij kon hem niet zien als een patiënt. Ze bleef hem, tot zijn dood, zien als de man van wie ze zo lang zo verschrikkelijk veel had gehouden.

Aanvankelijk werd hij thuis verzorgd – mijn zus, die vlakbij woonde, heeft daar nog een mooie rol in gespeeld – maar op een gegeven moment was de situatie niet langer houdbaar. Er was geen plaats in het verzorgingstehuis. Pas toen mijn moeder midden in een winkelcentrum in elkaar stortte werden er instanties ingeschakeld en was er sprake van spoed. We hebben hem naar het tehuis gebracht. Dat was een verschrikkelijke ervaring. Hij nam het ons heel erg kwalijk dat wij hem ‘lieten opsluiten’. Tot aan zijn dood, twee jaar later, bleef hij ons daar verwijten over maken. Aan de andere kant* toen mijn zoon werd geboren, was hij heel erg blij. We zijn in die tijd nog vaak gaan wandelen samen. Dat was zo moeilijk aan die ziekte: er kon zomaar ineens een moment van vreugde zijn. Wanneer ik afscheid van hem nam? Ik denk op de begrafenis. Hij bleef toch mijn vader, ook al droeg hij op het laatst een luier. Het was voor hem, voor iedereen, beter toen hij stierf. Mijn moeder had ook zo’n soort tekst voor de rouwkaart uitgezocht: als het leven lijden wordt, komt de dood als een verlossing. Zo was het ook. We namen ons voor mijn moeder nog een leuke tijd te bezorgen – en dat was ze zelf ook van plan – maar een jaar na zijn overlijden, knapte een ader in haar buik en nog voor ze in het ziekenhuis aankwam, was ze al doodgebloed. Ja* Een naar einde, voor allebei. Ik zal die moeilijke tijd nooit vergeten, maar toch stel ik mij mijn ouders altijd in gelukkiger jaren voor, toen ze zeventig waren en ik regelmatig bij hen op bezoek kwam. En dan zie ik weer voor me hoe we samen lachten.”

Gij zult niet doden

„Ik was met mijn kinderen op reis in Zuid-Afrika en we hadden nog wat tijd over om Johannesburg te bezoeken. Ik was er eerder geweest, wist dat het beter was om uit bepaalde wijken weg te blijven, maar dacht: kom, één straat, een drukke winkelstraat, kan ik wel laten zien. We waren er nog maar net toen een paar mannen op ons afkwamen, één van hen een groot mes tegen mijn keel drukte en een ander mijn zoon omver schopte. In mijn ooghoek zag ik hoe mijn dochter, heldhaftig, tegen de schenen van de overvallers stond te trappen. Ik had natuurlijk onmiddellijk mijn tas af moeten geven, maar ik krijg op dat soort momenten – het is me drie keer eerder overkomen – een waas voor mijn ogen: ik zal me toch zeker mijn tas niet laten afpakken! Blinde woede. Er ontstond een geweldige commotie en uiteindelijk gingen de overvallers er met de tas van mijn zoon vandoor.

Op dat moment realiseerde ik mij pas welk risico ik had genomen en begon te trillen op mijn benen. We holden naar de auto en achter ons klonk een groot rumoer: een menigte mensen kwam – de tas van mijn zoon deinde boven hun hoofden – op ons af. Een van de achtervolgers zwaaide met een pistool en riep: ‘Als hij die tas niet had teruggegeven, had ik hem doodgeschoten!’ Daar schrok ik, geloof ik, nóg meer van.

Wat de lezer hiervan leert? Dat het onverstandig is om mij te beroven! Nee, kijk, rationeel weet ik wel dat het beter is je spullen onmiddellijk af te geven, maar ik verlies gewoon de controle. Ik kan een enorme gifkikker zijn, al lukt het me die woede, in het dagelijks leven, steeds beter beheersen. Ik geloof dat ik mij het meest erger aan de combinatie van macht en domheid. Wat dat betreft zat ik goed bij de vakbond, want daar kon ik een zekere tegenmacht opbouwen; ik kon er tenminste nog iets aan dóen.”

Gij zult geen onkuisheid doen

„Ik herinner me dat er op de lagere school één keer een pastoor is langs geweest die iets over de bloemetjes en de bijtjes kwam vertellen. Dit tot grote opluchting van mijn vader, omdat hij er op die manier mooi van af was gekomen. Maar onkuisheid, nee, daar had niemand het over. Zeker niet toen ik ging puberen. Het waren de roemruchte zestiger jaren, echt een permissive society, waarin alles werd gedaan wat God verboden had: seks, drugs en rock-’n- roll.

Ik ben niet zo tekeergegaan als sommigen van mijn vrienden en vriendinnen, maar toch* Wat mij weerhield? Dat weet ik niet. Misschien was het wel verlegenheid.”

Gij zult niet stelen

„Voor mensen die zelf iets nieuws opbouwen – zoals Frits Goldschmeding dat met Randstad heeft gedaan – kan ik nog een zeker respect opbrengen, maar ik wind mij nog altijd op over topmanagers die zichzelf zonder blikken of blozen enorme salarissen toekennen, een bedrijf in de problemen brengen en vervolgens weer vertrekken. Die bestelen de aandeelhouders en de werknemers. Ja, kleptocraten. Die term staat dankzij mij in de Van Dale. Nou ja, dankzij mij* ik was met mijn vriendin op vakantie, luisterde naar de Wereldomroep, hoorde een bericht over lui die zichzelf zo onbeschaamd verrijken en riep: ’Stelletje kleptomanen!’ Mijn vriendin zei toen: ’Kleptocraten zul je bedoelen.’ Later heeft mijn woordvoerder bij het FNV, tijdens de voorbereiding van mijn 1 mei-toespraak het woord ’kleptocratentaks’ bedacht. Ook die term wordt aan mij toegeschreven, maar Paulus Plas heeft hem bedacht.”

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Ik ga hier niet beweren dat ik mij altijd aan de wet heb gehouden, maar dat wil niet zeggen dat ik onbetrouwbaar ben. Je kunt met mij wel degelijk afspraken maken.”

Gij zult geen onkuisheid begeren

„Ik ben vrij jong getrouwd geraakt en die relatie is op de klippen gelopen. De relatie daarna, die met de moeder van mijn kinderen, is ook gestrand. Die tweede breuk was met name voor de kinderen traumatisch.

Het is een nare tijd geweest. Pijnlijk, maar niet bloedig; er is in het bijzijn van de kinderen geen onvertogen woord gevallen en we hebben nog altijd contact met elkaar. Die amputatie is netjes afgehecht. Natuurlijk heb ik me afgevraagd of ik wel geschikt was voor relaties, maar ik heb mij nooit door angst laten lijden. Ik ben niet gaan zoeken, maar ik ben wel iemand tegengekomen. Ze heeft ook twee kinderen en woont in Brugge. Hoewel ik niet zo snel meer zou willen samenwonen, is die afstand me nu wel iets te groot. Toch zullen we moeten wachten tot de kinderen de deur uit zijn voor we die situatie kunnen veranderen. Zeker, een relatie is voor mij belangrijk.

Ik heb ooit, in een interview met Opzij, gezegd dat de mens geen sociaal wezen was – of zoiets dergelijks. Van die uitspraak had ik onmiddellijk spijt, maar toen ik voorstelde hem te schrappen, zeiden ze dat het goed was voor de losse verkoop om hem te laten staan. Ik had het ongetwijfeld gezegd, maar het sloeg nergens op. Natuurlijk is de mens een sociaal wezen. Ik ben na het beëindigen van mijn relatie drie jaar alleen geweest, dus ik kan het uitstekend beoordelen: ik kan niet als een kluizenaar leven.”

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Ik kan mij verbazen over mensen die steeds meer verlangen. Word je echt gelukkiger als je vijf boten hebt of drie buitenhuizen? Ik ben er wel eens van verdacht machts- of carrièrebelust te zijn, maar ik mag toch hopen dat mijn stap naar Humanitas critici ervan heeft overtuigd dat ik niet uit ben op het grote geld. Ik ben geen burgemeester geworden, ik ben de politiek niet ingegaan.

In zekere zin ga ik door met waar ik al mee bezig was, op een ander niveau. Ik ben een bevoorrecht mens. Wie kan op zijn vijfenvijftigste nog kiezen wat hij wil gaan doen? Ik heb in mijn leven veel mazzel gehad, maar ik heb er ook mijn best voor gedaan. Laatst hoorde ik een voetbaltrainer zeggen: ‘De bal moet voor je voeten komen’. Dat is helemaal waar. Maar je moet hem er ook in schoppen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden