Literatuur zonder hoofddoekje

Afgelopen jaar presenteerde Remco Campert tijdens het zilveren jubileum van Poetry International de jonge dichter Mustafa Stitou, een Nederlandstalig debutant van Marokkaanse afkomst. 't Leek niet alleen een poëtische daad maar vooral ook een gebaar van ongeduld: wanneer horen we nu eens iets literairs van al die migranten? Want hoe pluriform de Nederlandse samenleving de afgelopen dertig jaar ook mag zijn geworden, hoezeer ook gekleurd door rijksgenoten, gastarbeiders en asielzoekers, op literair gebied merk je er weinig van.

Wie van de letterkunde onder meer verwacht dat ze, hoe dan ook, een beeld oplevert van de tijd waarin ze wordt geschreven, mag zich zelfs de nodige zorgen maken over een adequate beschrijving van onze epoche. Op wat exotische schoonmaaksters in de grote-stads-poëzie van Robert Anker of een Turkse minnaar in de rare schrijfsels van A. Moonen na, lijkt het met de allochtone invloed op de Nederlandse contemporaine literatuur wel ongeveer gedaan. O ja, Geerten Meijsing:

'Zijn observaties waren dezelfde van iedere spijtoptant: dat de straten en plantsoenen vol vuilnis en hondestront lagen, zodat je met gebogen hoofd gedwongen werd voort te gaan onder een loodgrijze lucht, je een plaats bevechtend tussen Arabieren, Marokkanen, Surinamers, Creolen, Chinezen, Tamils, Hindoes en Turken, die zich allemaal meer in de hoofdstad leken thuis te voelen dan hijzelf. Deze allochtonen, zoals ze in het moderne spraakgebruik genoemd bleken te worden, hadden overdag de straten en de trams aan zich. Ze werden bediend door kashba-achtige winkeltjes en toko's, moskeeën, opvangcentra, Baghwan-jurken, welzijnswerkers en ambtenaren van herhuisvesting. (...) Hun oudjes hadden ze thuisgelaten; de kinderen moesten volgens de leerplicht zes jaar lang gedwongen het Nederlands aanleren - geen gemakkelijke taal, die slechts door heel weinig mensen verstaan wordt en zelfs door autochtonen gebrekkig gesproken. Geen potentieel publiek voor hem, en je kon er voorzichtigheidshalve ook beter niet over schrijven.' (uit 'De grachtengordel').

Hoe zit het met de allochtone aanwezigheid in de Nederlandse letteren? Waarom breekt er niemand van de tweede, derde generatie echt door? Want zo is het, er is wel een klein contingent allochtone schrijvers, Turken, Marokkanen, Surinamers, maar voor de nationale letterkunde lijken ze nauwelijks van betekenis. Dat geldt trouwens ook, zij het in mindere mate, voor de schrijvers van Westindische komaf, maar hun positie is wezenlijk anders dan die van de echte allochtonen, omdat er al een aardige traditie van Westindische invloed in de Nederlandse literatuur bestaat, Helman, Debrot, Arion; het Nederlands is voor hen bovendien geen vreemde maar een tweede, vaak zelfs eerste taal.

Recensenten laten ze veelal links liggen omdat ze het werk niet 'literair' genoeg vinden en zich van sociologische belangstelling verschoond achten, voor uitgave van hun werk zijn ze aangewezen op marginale uitgeverijen zonder veel literaire pretenties (Sjaloom, De Geus, De Populier, De Derde Spreker-serie); grotere literaire uitgevers met wat derde wereld in hun fonds (Meulenhoff, Elsevier) branden hun vingers niet aan migrantenliteratuur van eigen bodem. Kranten publiceren interviews met deze schrijvers liever op hun human-interest-pagina's dan in de kunstbijlagen. En zo blijven ze veelal verstopt in de hoek waar ze neergezet zijn, als met een zeker paternalisme (het maatschappelijk opgeklommen neefje van racisme) bekeken beginners met onontwikkelde literaire maatstaven.

In 1987 kopte het Buitenlanders Bulletin nog optimistisch 'Hausse in vertalingen Turkse literatuur', maar dat bleek vooral te slaan op werken van niet-Nederlandse Turken. 'Wij zijn in eerste instantie geïnteresseerd in de literatuur van de tweede generatie in Nederland. Die is er wat de Turken betreft nauwelijks', verklaarde de belangstellende uitgever Elsevier. Er lijkt weinig veranderd. Om maar eens een kwantitatief feit te noemen. Van de circa tweehonderd romans en verhalenbundels die ik vorig jaar als jurylid van de Librisprijs las, kwamen er zegge en schrijve twee uit allochtone hoek, 'Vriendinnenvrouwen' van de Surinaamse Joanna Werners en 'De ridders van Amsterdam', een thriller van de Nederlands-Turkse auteur Sadik Yemni. Eén procent.

In haar boek 'De lust tot lezen' oppert Maaike Meijer dat de doorbraakmogelijkheden van literatuur van minderheden, of het nu feministische, zwarte, of allochtone letteren zijn, beperkt en gefrustreerd worden door de misplaatste Mythe van de Ene Literatuur: er is een homogeen corpus teksten dat literair genoemd mag worden en deze literatuur is universeel, waardevol en vormend voor de geletterde cultuurdeelnemers, luidt de verzwegen vooronderstelling in Nederland en het Westen. Of anders gezegd, literatuur uit anders-geaarde tradities wordt vanwege een discutabel gebrek aan literaire kwaliteiten afgestoten en uitgesloten.

Daar is zeker iets van waar, het is evident dat het hele netwerk van uitgevers en critici bijvoorbeeld de allochtone literatuur voornamelijk links laat liggen, niet geneigd om haar met emancipatorische bedoelingen even voor het voetlicht te halen, evenmin van plan om de eigen 'Nederlandse' smaak opzij te zetten. En dat het een kwestie van smaak is lijkt me onmiskenbaar. Veel verre en exotische culturen hebben literaturen die ofwel van een soort sociaal realisme ofwel van een soort surrealisme vervuld zijn dat in onze Westerse ogen verouderd aandoet. Naast onze eigen letteren, vol verfijnde observaties, psychologische dieptepeilingen en talige ironieën, lijken de allochtone literaturen vaak tamelijk primitief. Líjken.

Maar je kunt het ook anders zien, bewijst Sadik Yemni die op zijn beurt de betekenis van de Westerse literatuur sterk relativeert. Sinds het kapitalisme de individu plette verdween ook de grote roman, meldde hij in een interview met de NRC uit 1987, men zoekt het steeds meer in portretten van waardeloze individuen of in thrillerachtige mythen als 'De naam van de roos'. 'In Nederland heeft iedereen een uitkering, er is geen oorlog, er zijn geen grootse stakingen. Dus kan er nooit een goede roman geschreven worden.' Een grove analyse, maar met een kern van waarheid voor het probleem. De Nederlandse literatuur is immers, krachtens haar eigen wezen, niet erg geïnteresseerd in emancipatorische, strijdende literatuur.

Daarom gedraagt het handjevol allochtone schrijvers dat de Nederlandse oppervlakte wel haalt, zich ook niet bijzonder allochtoon en wil het merendeel ook niet tot de migrantenliteratuur gerekend worden. De Turkse schrijver Halil Gür bijvoorbeeld, die in 1984 debuteerde met het succesvolle 'Gekke Mustafa en andere verhalen' en sindsdien drie aardige prijzen in de wacht sleepte voor zijn volwassenen- en kinderboeken, vergelijkt zijn eigen werk graag met dat van Carmiggelt, en Sadik Yemni schrijft een thriller die zich wel in het Amsterdamse Turkse milieu afspeelt maar nadrukkelijk geen oosters literair tintje heeft. Een begrijpelijke mimicry, die echter ook weer een ander gevaar oplevert: dat men in de grote stapel verdwijnt.

De vraag is vervolgens ook voor wie deze literatuur in eerste instantie bedoeld zou kunnen zijn. Niet zozeer voor de allochtonen in Nederland, lijkt het, maar voor de Nederlandse markt. Schrijvers zijn nu eenmaal binnen hun ethnische groep vaak buitenbeentjes die met open ogen naar de Westerse wereld kijken, atypische vertegenwoordigers die juist niet over hoofddoekjes en discriminatie willen jeremiëren.

En moet men de eigen literaire traditie blijven bewaren? De Duits-Turkse satiricus ëinasi Hikmen stelde eens in een interview vast dat het typisch Turks is om niet tot de kern te komen maar er omheen te dwalen. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik in het ook in het Nederlands vertaalde 'Het leven is een karavanserai' van de Duits-Turkse schrijfster Emine üzdamar, waarin een vrouwelijke personage zegt: 'Met mij gaat het iets beter dan met de schoonzoon die bij zijn schoonmoeder woont.'

Maar wat bij üzdamar boeit, kan ook vervreemden. Toen ik afgelopen winter in Istanbul deelnam aan een vertaalproject met Turkse dichters kreeg ik een gedicht onder ogen, waarin de voormalige gevangene inderdaad nog een roos tussen zijn tralies zag bloeien. Bloemrijke beeldspraak die bij mij haar effect miste. De maker van dit gedicht begreep op zijn beurt helemaal niet waarom ik me in mijn gedichten zo bezighield met de raadsels van de ziel.

Ook de onlangs verschenen dichtbundel van Halil Gür, 'Wakker het vuur niet aan', (verschenen bij De Geus, dus veel pers zal hij niet krijgen) lijkt nogal eens ten prooi aan een zangerige, lyrische oppervlakte, een soort hartstocht ook die in de zuinige, ironische en afstandelijke Nederlandse dichtkunst slecht aardt.

'Mijn hoop is nog niet vervlogen': vrienden kijk niet op mij neer / de inkt van mijn lijden is nog niet opgedroogd // ik hunker naar / het land op wiens schoot / ik te gast ben / mijn taal een wees / armoede mijn deel // wie spartelt er niet? in het roestige raderwerk van relaties / wie stottert er niet/ tegen verzegelde harten / kijk niet op mij neer vrienden / mijn hoop is nog niet vervlogen / de bliksem uit stapelwolken / een hemelschreiende kreet // mijn hoop is nog niet vervlogen'.

Duidelijk het gedicht van een grensganger, met retorische herhalingen, pathos en indirectheid die ons gedateerd voorkomen. Of is dit het gelijk van Maaike Meijer aangaande een intolerante, exclusieve, witte en westerse literatuuropvatting?

De moeizame doorbraak van allochtoon proza in de Nederlandse literatuur heeft zeker niet alleen met onze eigen literaire normen te maken maar ook met getalsmatige feiten. Turkse en Marokkaanse schrijvers in Nederland zijn nog altijd op één hand te tellen en de eigen gemeenschap van allochtonen lijkt grosso modo ook niet overmatig geïntereseerd in integratie en emancipatie van de nieuwe grenscultuur. De Turks-Roosendaalse schrijver Hürrum Efe, vroeger onderwijzer thans machinewerker bij Philips maar vooral ook columnist in het Turks-Marokkaanse blad Hizmet (oplage 25.000), heeft dan ook geen hoge pet op van de culturele flexibiliteit van zijn landgenoten in Nederland. Volgens hem houdt het fanatisme van de Islam zijn meeste landgenoten toch op een of andere manier in de ban en weigeren vooral de ouderen om naar de toekomst te kijken: “De meesten kwamen hier zonder een diploma en zonder het alfabet te kennen. Ze werden hier heengehaald volgens het criterium dat ze gezond moesten zijn. Ze maken hier hun eigen kleine wereld van de driehoek moskee, huis en koffiehuis.” Geen vruchtbare bodem voor verspreiding van een eigen literatuur.

Maar waarom lukt het in het buitenland wel, waar schrijvers als Nedim Gürsel (in Frankrijk) en Emine üzdamar (in Duitsland) groot succes kennen? De situatie in bijvoorbeeld Duitsland is wezenlijk anders. In absoluut opzicht is de allochtone gemeenschap daar veel groter. Er wonen tegen de twee miljoen Turken, waarvan alleen al 250.000 in Berlijn. Er heeft daar ook werkelijk ghettovorming plaats, gek genoeg misschien niet eens de slechtste voorwaarde voor een eigen culturele bloei.

Terwijl de allochtone literatuur in Nederland nog steeds lijkt aangewezen op kleine, idealistische uitgeverijen naar welks produkten de gezaghebbende kritici nauwelijks omkijken, bezit Duitsland een volwaardige uitgever voor Turkse en andere allochtone literaturen in het Duits, Babel Verlag, met zelfs een eigen tijdschrift dat het gestencilde stadium verre overstijgt, Sirene, dat als een soort kweekvijver voor eigen aanstormend talent dient. Zover is het in Nederland nog lang niet.

Voor ons klimaat is typerend dat het succes van Mustafa Stitou pas gestalte kreeg onder het patronaat van een gevestigde auteur als Remco Campert en dat we zelfs onze allochtone literatuur liefst uit het buitenland halen. 'Het leven is een karavanserai' van üzdamar werd in de oorspronkelijk Duitse én in de inmiddels door Gerda Meijerink geleverde Nederlandse vertaling overal gunstig onthaald als een epos van klassieke allure, geschreven in een Duits vol foutjes en oneffenheden die de schrijfster in plaats van ze te verbeteren als haar eigen handelsmerk hanteert en omtovert tot een karakteristiek taaleigen: 'We gingen een badhuis binnen, een kutteplaneet, een moederbuik, een zonnige. (...) Zon viel door het glazen dak en loste op in veertig kleuren op het water. Onze stemmen gingen omhoog, en meteen kwamen ze als een echo naar onze voeten terug. Deze watergeesten wasten zich urenlang, wreven elkaars lichamen met zijden doeken, de oude huid kwam als gedroogde tabak van ons vlees en liep door de gaten met het water het huis uit.'

Daar ergens ligt misschien ook in de Nederlandse letteren de kans voor allochtone schrijvers om door te breken, met literatuur die niet op z'n tenen staat om met de overheersende modes mee te mogen doen maar die de eigen literaire achtergrond en traditie niet verloochent, zonder evenwel met een hoofddoekje om te lopen.

(Bij het schrijven van dit artikel heb ik veel gehad aan informatie van Alli Sönmez, medewerkster van het Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden