LITERATUUR Jacq Vogelaar: 'Schrijven is een lust'

“Hij is geen profeet met een blik ver boven de horizon, die voorspelt hoe de maatschappij zich ontwikkelt. Een schrijver onderzoekt, laat de lezer iets meemaken dat hij nooit eerder heeft gezien. Alleen in dat opzicht is de schrijver een bevoorrecht mens.” De uitgever van Vogelaar is De Bezige Bij.

HANNEKE WIJGH

Desondanks noemt Jacq Vogelaar (48) zichzelf auteur, geen schrijver. Sinds een ambtenaar op de burgerlijke stand eigenhandig het beroep van 'schrijver' in 'kantoorklerk' veranderde, gebruikt hij die wat neutralere benaming, om verder misverstand te voorkomen. Maar hij zou net zo goed essayist kunnen heten, of criticus. Tenslotte schrijft hij wekelijks een recensie over buitenlandse literatuur in De Groene Amsterdammer.

Vogelaar maakt echter geen verschil tussen een roman, kritiek of essay: het zijn allemaal produkten van zijn onderzoekende geest. “Schrijven is zoeken”, zegt hij. “In het schrijven is zoeken belangrijker dan het vinden.”

In zijn woning in de buurt van het Vondelpark in Amsterdam legt hij de laatste hand aan 'Striptease van een ui', zijn essaybundel die in november bij de Bezige Bij gaat verschijnen. De bundel is een vervolg op 'Terugschrijven', waarvoor hij in 1989 werd onderscheiden met de Busken Huetprijs. Uit de essays, onder meer over Gustave Flaubert, Samuel Beckett en de schilder Francis Bacon, blijkt eens te meer hoe veelzijdig en belezen hij is en hoe precieus zijn pen. Voor zijn roman 'De dood als meisje van acht' uit 1991 kreeg hij vorig jaar de F. Bordewijkprijs van de Jan Campert-stichting. Voor beide boeken werd Vogelaar genomineerd voor de AKO-literatuurprijs.

Ondanks de lof die hem veelvuldig - en terecht - wordt toegezwaaid, is Vogelaar geen veelgelezen auteur. Hij schrijft boeken met een hoog essayistisch gehalte, die nogal wat kennis en uithoudingsvermogen vergen van de lezer. Dat is ook precies zijn bedoeling. Vogelaar houdt niet van luie, passieve lezers. Hij wil dat een lezer over een tekst nadenkt. Een lezer is bij hem een 'operateur', een term die hij aan de Franse dichter Stephane Mallarme heeft ontleend. Wie leest, stelt de tekst in werking, zoals de operateur een machine. Niet voor niets noemt Vogelaar een deel van zijn boeken 'operaties' of 'oefeningen'. Hij wil dat de lezer ermee aan de slag gaat.

Met zijn prikkelende opvattingen over literatuur maakt Vogelaar het zich niet gemakkelijk. Lange tijd gold hij als een moeilijk toegankelijk auteur, omdat hij weigerde zoiets als een plot te verzinnen, of een personage op te voeren. In plaats daarvan gebruikte hij teksten uit de reclamewereld, nieuwsberichten of allerlei ambtelijk proza, om aldus de strijd aan te binden met de in zijn ogen verziekte romankunst. Hij stond in die opvatting niet alleen. Met Lidy van Marissing, Sybren Polet en Daniel Robberechts - “het bekende rijtje”, meesmuilt hij - werd Vogelaar in de hoek van 'ander proza' weggezet. Kranten als de NRC weigerde hem nog te bespreken, zeker toen Vogelaar zich ook ontpopte als een marxistisch getint criticus. “Bert Poll noemde 'ander proza' een lek bootje. Hij wachtte net zo lang totdat het gezonken was.”

Hoewel zijn laatste roman als iets heel bijzonders wordt geprezen - “Een rijkdom aan beelden en metaforen”, en volgens een andere recensent “Een boek als een koortsdroom, sprookjesachtig, gruwelijk en betoverend tegelijk” - vindt Vogelaar zelf niet dat hij zijn vroegere ideeen verloochent. Hij houdt er nog steeds niet van als boeken gereduceerd worden tot de vraag: waar gaat het over? Wel is hij tot de conclusie gekomen dat literatuur aan geen wet gehoorzaamt. Literatuur laat zich niet ringeloren, zelfs niet door een schrijver.

Vogelaar publiceerde zijn eerste gedichten en verhalen in 1965, toen hij net eenentwintig was: 'Parterre, en van glas' en 'De komende en de gaande man'. Een jaar later verscheen de roman 'Anatomie van een glasachtig lichaam', in 1967 gevolgd door 'Vijand gevraagd'. Achterin de 'Boerenroman', zoals de ondertitel luidt, nam Vogelaar veertien stellingen op, net als bij een proefschrift. De eerste zin van een stelling luidt: “Directe invloed van het schrijven blijft een illusie.” In een lezing die Vogelaar vorig jaar hield, herhaalde hij deze stelling: schrijvers moeten geen politiek bedrijven. De enige invloed waarop een schrijver mag hopen is volgens hem: een andere manier van kijken.

“Nee”, poneert Vogelaar met grote stelligheid, “een schrijver is geen ziener, geen visionaire geest. Harry Mulisch zei ooit jaloers te zijn op Russische schrijvers, omdat die vervolgd werden om wat ze schreven, maar dat is nonsens. Nu de Muur is gevallen, is de belangstelling voor literatuur in de landen van het Oostblok nagenoeg verdwenen. Een tijdlang vervulde de literatuur er een plaatsvervangende rol. Alleen in boeken kon nog gezegd worden wat elders verboden was. Als een schrijver die rol op zich wil nemen, en daartoe ook de geestkracht heeft, is dat prachtig. Maar die rol is niet eigen aan literatuur.”

“Al sinds de Franse Revolutie is de literatuur ontslagen van die verplichting. Het politieke debat, de overdracht van kennis en informatie, speelt zich elders af, in wetenschap en filosofie. De literatuur is in de negentiende eeuw verzelfstandigd, met als groot voordeel dat het eigen karakter kon worden bestudeerd, maar tegelijkertijd kreeg het isolement zijn beslag. De veronderstelling dat een schrijver op maatschappelijk of politiek gebied nog iets te vertellen heeft, is potsierlijk. Maar hij laat zich die rol maar al te graag aanleunen. In de krant en op de televisie worden ze naar hartelust geinterviewd, terwijl hun opinies over andere dan literaire kwesties er absoluut niets toe doen.”

Vooral in de roemruchte jaren zestig stak de Grote Ziener opnieuw de kop op, aldus Vogelaar. “Alsof schrijvers als profeten, met een blik ver boven de horizon, konden voorspellen hoe de maatschappij zich ging ontwikkelen. Een tamelijk overspannen verwachting. Over welke capaciteiten moeten schrijvers dan wel niet beschikken? De meesten hebben niet meer informatie dan de gemiddelde krantelezer. Een schrijver is geen profeet. Een schrijver is iemand die onderzoekt, die de lezer iets laat meemaken dat hij nooit eerder gezien, gehoord of ervaren heeft. Alleen in dat opzicht is de schrijver een bevoorrecht mens.”

Jacq Vogelaar werd op 3 september 1944 in Tilburg geboren. “In hetzelfde jaar als De Bezige Bij.” Zijn echte naam is Frans Broers, maar al sinds zijn eerste publikatie in 1965 schrijft hij onder het pseudoniem Jacq Firmin Vogelaar, al heeft hij die tweede voornaam onlangs laten vallen. In 1984 publiceerde hij 'Nora. Een val' onder de naam Koba Swart, om wat meer bewegingsvrijheid te krijgen op publicitair gebied. Vogelaar studeerde Nederlands en filosofie in Nijmegen en Amsterdam, beide studies maakte hij niet af. Van 1971 tot 1976 was hij redactiesecretaris van Te elfder ure, het op marxistische leest geschoeid tijdschrift waarvoor hij teksten vertaalde van Benjamin, Adorno en Horkheimer, filosofen van de Frankfurter Schule. Vanaf 1977 is hij redacteur van Raster.

In zijn marxistische periode hield Vogelaar er uitgesproken meningen op na over taak van de kunst en die van de literaire criticus in het bijzonder. In zijn inleiding bij 'Konfrontaties', een nog altijd lezenswaardige bundel kritieken, verdedigde Vogelaar de stelling “dat een materialistische kritiek zich plaatst in het perspectief van de arbeidersbeweging en de noodzaak onderkent van een ideologiese konfrontatie.” Zulke ferme uitspraken vind je niet terug in zijn latere bundels. In 'Terugschrijven' erkent hij dat er geen beproefde methode voor literatuur bestaat: “Het gaat me dus vooral om een vrijheid van handelen. Daarom heb ik ook geen zin om me voortdurend te moeten verdedigen en verantwoording af te leggen. Aan wie in godsnaam!”

De Vijftigers vormen, wat hem betreft, een breekpunt in de naoorlogse letteren. “Ik las de gedichten van Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek en Sybren Polet voor het eerst op de middelbare school, en het was alsof er een explosie in mijn hoofd plaatsvond. Zij verwoordden een opstandigheid die ik zelf voelde, maar nog niet kon duiden. Internationaal gezien brachten de Vijftigers niets nieuws, in het buitenland had de avantgarde al veel eerder toegeslagen. Maar toch doe je de Vijftigers te kort, als je ze alleen als een verre echo beschouwt. Hun achterstand hebben ze wel degelijk weten om te zetten in een voorsprong. Met hun weerbarstige poezie hebben zij iets losgewoeld in de Nederlandse samenleving: een uitbarsting van creatieve energie. Provo, de happenings, de opkomende studentenbeweging in de jaren zestig, zijn er min of meer het gevolg van.”

Anno 1993 wordt op die jaren enigszins meewarig teruggeblikt, maar Vogelaar doet daar niet mee. Wel zegt hij dat alle speelsheid in de jaren zeventig verloren is gegaan. De samenleving raakte volstrekt gepolitiseerd. “Voor de literatuur betekenen de jaren zeventig een absolute kaalslag. Er kwamen wel nieuwe schrijvers bij, uit de hoek van Propria Cures, zoals Mensje van Keulen, Jan Donkers, Peter Andriesse en Guus Luyters. Maar behalve een hoop reactionaire praatjes hadden ze niets te vertellen. Typerend voor die jaren was de afkeer van het politieke en literaire experiment. Alles wat afweek, werd verketterd.

Het was het realisme, of niets.''

De jaren tachtig zijn een verademing, aldus Vogelaar, alleen al gezien het feit dat er een einde kwam aan die heilloze verkettering. “Alles mocht opeens in de literatuur, er ontstond een prettig soort anarchie, die eigenlijk nog steeds voortduurt. Er is geen dominante stroming, ieder schrijft wat hij wil. Zo iemand als Marcel Moring fietst toch door alle stromingen heen. Voor de lezer is die vrijblijvendheid wel eens lastig, die heeft behoefte aan scheidsrechters, critici die hun de weg wijzen in de stapels boeken die verschijnen. Vandaar ook al die toptienen en andere hitlijsten, als een laatste houvast.”

Jacq Vogelaar is een schrijver die zegt dat hij niets anders kan. Maar diep in zijn hart wil hij dat ook niet. Want schrijven, zo heeft hij in de loop van de jaren ontdekt, geeft hem een enorm lustgevoel: “Voor mij is het lichamelijke genoegen van het schrijven steeds meer voorop komen te staan”, bekent hij in 'Terugblikken'. “Als je schrijft, ben je doof en blind voor je omgeving. Je moet je ook isoleren, anders kun je je niet concentreren. Maar als je dat stadium eenmaal hebt bereikt, als al je zintuigen op scherp staan, is schrijven een grote lust. Schrijven is geen intellectuele bezigheid, althans niet in de eerste plaats.

Schrijven is ademen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden