Review

Lippenstift zit slordig om haar open mond

De Amerikaanse journalist E. Benjamin Skinner onderzocht acht jaar lang waar je mensen als slaaf kunt kopen en wat dat kost. In 2006 reisde hij naar Boekarest, doorvoerstad voor verhandelde prostituees. Een fragment uit zijn boek ’Mensenhandel op klaarlichte dag’.

Voor de deur van een zwarte stripclub vlak bij het J.W. Marriott Hotel stopte Petrica, de misdaadjournalist die mij op weg kon helpen in de Roemeense onderwereld. Hij zei dat hij niet verder mee kon. De aanblik van zijn auto en zijn gezicht zou bij de bordeelhouders weleens een gewelddadige reactie kunnen uitlokken.

Ion (niet zijn echte naam), een van zijn contactpersonen in de onderwereld, zou mijn tolk Alexandru en mij overnemen.

Ion kwam meteen aanrijden, onderuitgezakt achter het stuur van het nieuwste model Opel, speciaal voorzien van leren banken en knetterende boomboxen. Hij glimlachte zonder iets te zeggen en parkeerde op de stoep, zoals iedereen in Boekarest doet. Ion was een haiduk, wat zoveel als ‘bandiet’ betekent, maar eigenlijk wordt er een soort Robin Hood mee bedoeld, een boef met een hart van goud.

Roemenië staat vanouds tolerant tegenover de kleine misdaad. Doordat er na de val van het communisme zo onvoorstelbaar veel IT’ers werkloos zijn geraakt, is creditcardfraude, waar Ion zich mee bezighoudt, een bijzonder populaire bedrijfstak.

Petrica gaf me nog een laatste advies voordat hij wegreed. „Praat zacht, maar niet té zacht”, zei hij. „Sommige Roma spreken Engels, maar ook als ze dat niet doen, vinden ze het verdacht als je fluistert. Bel me als je in de problemen komt. Dan bel ik de politie.”

We stonden op het punt een gebied in Boekarest binnen te gaan dat nooit had kennisgemaakt met de westerse maatregelen tegen mensenhandel. Ik wist niet wie ik hier kwam kopen, maar ik nam aan dat ze een niet-geregistreerd slachtoffer was van de recente binnenlandse migratie-explosie die Boekarest tot de dichtstbevolkte stad van Europa had gemaakt. Sommigen vergaarden hier hun fortuin. Anderen, onzichtbaren, leefden in slavernij.

Ion reed naar het eindstation Gara de Nord. In de jaren negentig, toen de weeshuizen werden gesloten, waren duizenden kinderen in kartonnen dozen bij de verwarmingsroosters in dat station komen wonen. In 1998 greep het stadsbestuur van Boekarest in, maar toen was de buurt al door de pedofielen ontdekt.

Oudere kinderen, die het geld van de bezoekers zelf hielden, traden op als pooier voor de jongere kinderen, die snoep en lijm als beloning kregen. De kids leefden in de riolen en bedienden hun klanten in duistere appartementjes of in het dichtbij gelegen hotel Ibis, welbekend bij Roemenen uit de middenklasse en sekstoeristen met een kleine beurs.

We staken de straat over naar het park waar dakloze mannen en vrouwen op de bankjes sliepen. Twee vuile jongens met een glazige blik in de ogen kwamen naar ons toe om te bedelen. Ze keken boven de plastic zakken uit die ze onder hun neus hielden om Aurolac te snuiven, een verfverdunner die het hongergevoel verdooft en de hersen- en levercellen geleidelijk afbreekt.

Een van de jongens had brandwonden op zijn voorhoofd, waarschijnlijk doordat het zure spul in aanraking met zijn huid was gekomen. Voor twee sigaretten wilde een van de jongens wel kijken waar je een meisje kon kopen.

Wij gingen weer in de auto zitten en reden de hoek om, naar Soseaua Orhideelor in de wijk Basarab, een van de gruwelijkste getto’s van Boekarest. Hier had de vroegere Roemeense dictator Nicolae Ceausescu de mensen op de laagste sociale tree van de samenleving, de Roma, gehuisvest in de huizen van de hoogstgeplaatsten, de rijke buitenlanders. Die laatsten gingen daarop terug naar hun vaderland.

De regering bezat nog steeds 90 procent van de gebouwen in deze wijk, maar was van plan een groot deel daarvan te slopen om een viaduct aan te leggen.

We stapten uit voor een bouwvallig negentiende-eeuws herenhuis tussen een schoenenwinkel en een bandenreparatiewerkplaats. Alexandru leek niet erg op zijn gemak; dit was nieuw voor hem. Een Romavrouw met een scherp gezicht sprong overeind uit een klapstoel die voor het gebouw stond. Aan haar haarkleur te zien zal ze halverwege de dertig zijn geweest, maar te oordelen naar haar paniekerige gelaatsuitdrukking, haar uitgeteerde gestalte en haar rotte tanden had ze ook halverwege de tachtig kunnen zijn.

„Florin!”, riep ze.

Er kwam een Roma de hoek om, een kleine man die net als zijn partner wilde ogen had en een agressieve indruk maakte. Zijn neus was platgeslagen en zijn armen waren lenig en gespierd, maar zijn handen waren kort en breed, zodat zijn vuisten ronde balletjes werden. Zijn haargrens begon zich al terug te trekken en hij had een stoppelige, vooruitstekende kin. Hij droeg een geel horloge, een korte broek en een openhangend marineblauw overhemd. Op zijn armen en zijn linkerdij had hij donkergroene gevangenistatoeages. Zijn hele torso ging schuil onder een verbleekte veelkleurige draak, maar hij stond bekend als een peste, een vis – het Roemeense woord voor pooier.

Er werden geen beleefdheden uitgewisseld, geen ‘Hoe gaat het?’ of Cu plaçere, zelfs geen hallo.

„Ik wil een meisje kopen”, deelde ik via Alexandru mee.

„Voor hoeveel?”, vroeg Florin zonder een spier te vertrekken.

„Dat hangt ervan af hoe ze eruitziet”, zei ik. „Mogen we binnenkomen?”

Door een gebutst plaatstalen hek kwamen we op een bouwvallige, schimmelig ruikende binnenplaats van kale bakstenen. In de modder op de grond speelden kraaiende peuters. Een forse vrouw met een baby aan de borst zat breeduit op een wrakke divan voor een laag bijgebouwtje.

„Gagicute!”, riep Florin. Uit het bijgebouwtje kwam een angstig kijkend jong Romameisje in hotpants en tanktop.

„Je kunt haar voor een week krijgen, op zijn langst”, zei Florin. „Ik dacht meer aan de langere termijn”, zei ik.

„Twee weken?”

„Ik wil een meisje kópen”, legde ik uit. „Wat kost dat, en op welke basis? Hoeveel zou je anders aan haar verdienen?”

Florin schudde zijn hoofd.

„Kan dat niet?”, vroeg ik.

„Hoogstens een maand. En een maand is heel duur – 1000 euro.”

„Ik wil haar voorgoed kopen”, zei ik.

„Nee. Alleen huren. Een week, oké. Een week, twee weken op zijn langst. In heel Boekarest kun je geen meisje kopen. Dit meisje hoogstens anderhalve maand.”

„Hoe oud is ze?”

„Twintig”, zei Florin, wat zo te zien minstens vier jaar overdreven was.

„Ik zoek iets jongers”, zei ik.

„We hebben ook een blondje”, kwam de vrouw met het scherpe gezicht tussenbeide.

„In een kamer boven. Maar alleen voor een uurtje – of twee, drie, vier, vijf uur. En alleen hier, boven op de kamer. Ze weet wat ze moet doen. Ze is goed”, zei Florin.

„Ze lijken haar niet echt graag te willen verkopen”, legde Alexandru zacht uit. „Ze zeggen dat ze er dan op inschieten.”

„Ik wil graag weten hoeveel”, antwoordde ik.

De vrouw met het scherpe gezicht ging ons voor, achter de schoenenwinkel een betonnen trap op naar een overloop, waar we moesten wachten. De pleegroene muren zetten alles in een ziekelijke gloed. Ook de geur deed aan een plee denken: het rook naar uitwerpselen en dode muizen. Via een doorzichtige kunststof buis langs de zijkant van het trappenhuis werd het rioolwater naar de betonnen binnenplaats afgevoerd. Misschien was de verstikkende geur normaal voor een gemiddelde vochtige bouwval in Boekarest, maar hier leek een giftige damp te hangen, zompig en prikkerig. Als slavernij inderdaad gelijkstaat aan de dood, zoals Cicero beweert, dan waren we nu in een knekelhuis.

Opeens klonk boven een schreeuw. Een dikke vrouw met oranje haar dat met een gouden bandje naar achteren was gebonden, kwam snel pratend naar buiten. „Ze wil niet”, zei ze. „Ze is bang, ze denkt dat je haar gaat slaan of dat je haar wilt doorverkopen.”

De dikke vrouw ging weer naar boven. „Laat haar naar buiten komen!”, riep ze. We liepen door naar de eerste verdieping, waar twee vrouwen bij de deur van een verduisterde kamer stonden te schreeuwen. Een derde vrouw kwam naar buiten; zij hield het meisje vast. Het meisje had gebleekt, roestkleurig haar. Haar hoofd leek gekrompen, haar neus was plat. Door de tranen die uit haar diepliggende ogen stroomden liep haar mascara uit en ze keek naar haar blote voeten met wijd uitgespreide tenen. De haastig opgebrachte make-up kon de overduidelijke tekenen van het downsyndroom niet verhullen. De lippenstift zat slordig rond de openhangende mond. De strakke gele tanktop en short waren duidelijk te klein.

De bewaakster hield de linkerarm van het meisje zo stevig vast dat haar schouder hoog werd opgetrokken. Aan de binnenkant van haar rechterelleboog zaten tien diepe, vuurrode krassen, opgezwollen en met verse korstjes erop. Ik was inmiddels in heel wat louche bordelen op drie continenten geweest, maar zoiets ergs had ik nog nooit gezien.

Ik bedacht dat ik een microfoontje op had, dat ik niet uit mijn rol mocht vallen. Maar wat zou mijn ‘personage’ doen als hij tegenover zo’n wezentje kwam te staan? Hoorde ik me nu te amuseren? Ik deed mijn best te glimlachen. Ik keek naar Alexandru en Ion. Op hun gezicht stond onverholen afgrijzen te lezen.

„Wat vindt u van haar?”, vroeg een van de vrouwen.

„Kan ik haar even spreken?”, vroeg ik. „Hoe oud is ze?”

„Achtentwintig”, antwoordde de vrouw voor het meisje.

„Over wat voor bedrag hebben we het nu?”

Haar bewaakster vroeg of ze met me mee wilde. Het meisje mompelde iets over slaan, maar Alexandru kon haar niet goed verstaan.

„Ze zegt ja”, zei de vrouw.

„Ik geloof dat ze heel bang is”, zei Alexandru. „Ze wil niet mee.”

„Oké, laten we met die kerel over de prijs onderhandelen”, zei ik en we draaiden ons om.

Beneden was Florin in een meningsverschil met zijn partner verzeild geraakt. Ik verstond lang niet alles, maar ik ving het woord cascaval op – dat kon ‘cheddar’ of ‘cash’ betekenen. „U krijgt nergens een meisje zo lang mee als bij mij”, zei hij. „Twee maanden, 2000 euro.”

„Wat zijn de regels?”, vroeg ik.

„Die zijn er niet. U mag doen wat u wilt. Twee maanden.”

„Voor 2000 euro? Dat snap ik niet, want u verdient anders ook in twee maanden geen 2000 euro aan haar. Het lijkt me veel te veel.”

„Zo veel is dat niet. Normaal levert ze me per nacht 200 euro op.”

Liegen tegen gadje, buitenstaanders, is een oude Romatraditie. Zoals de politie het later reconstrueerde, betaalden al Florins klanten, waarschijnlijk mannen uit de buurt, de peste per keer zo’n 10 euro. Ze gingen er ook vanuit dat het meisje per avond tussen de vijf en de twintig keer verkracht werd. Florins schatting klopte dus wel ongeveer, al was die aan de hoge kant.

„Vertel me eens wat meer over dit meisje. Ik koop liever geen kat in de zak”, zei ik.

„Ze is heel schoon. Een heel lief meisje – met haar krijgt u geen moeilijkheden. Ze doet alles wat u zegt. Alles wat u wilt.”

„Tweeduizend is wel veel”, zei ik.

„Nee, voor twee maanden is dat heel voordelig!”

Het vooruitzicht van een grote transactie maakte de zakenman in hem wakker. „Het is een heel lief meisje, ze is niet aan de drugs. En ze is erg goed in haar werk.”

„Iets anders dan?”, stelde ik voor. „Ruilen. Een motor – die is ongeveer evenveel waard.”

„Een auto misschien. Geen motor. Een goeie auto.”

„Een Dacia?”, opperde ik – het nationale merk. Florins ogen begonnen te stralen. „Maar alleen als ik haar voor drie maanden kan kopen”, voegde ik eraan toe. „Vijftigduizend kilometer op de teller.” De auto die ik beschreef, zou bij de juiste omkatgarage zo’n 1500 euro kosten.

„Oké”, zei Florin. Voor het eerst grijnsde hij zijn smerige tanden bloot.

„Even een paar belletjes plegen”, zei ik. „Mag ze mee naar het buitenland?”

„En als je me dan met mijn ogen in de zon laat staan?”, zei hij – een Roma-uitdrukking voor ‘iemand laten zitten’. „Hoe weet ik dat je haar weer terugbrengt? Je moet een borg storten. Maar ik kan wel een Roemeens paspoort voor haar regelen.”

Ik gaf hem een hand en we liepen terug naar de auto. Toen we wegreden, zette Ion de muziek uit. We zakten allemaal in. Eindelijk verbrak Alexandru de stilte. „Wat was dat daar in godsnaam?”

Ik was nog helemaal verdoofd en gaf geen antwoord. „Blond”, zei hij. „Ja hoor. Britney Spears.” Helemaal fout. Schokkend. Maar ik moest lachen. Om niet te huilen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden