Lik op stuk voor Lully

Het Amsterdamse Concertgebouw noemt de ingelijste namen van componisten aan zaalwand en balkon 'De eregalerij'. In de Amsterdamse Stadsschouwburg heet de hoefijzervormig gerangschikte parade van toneelschrijvers, acteurs of schouwburgdirecteur 'Het eerste balcon'. Deze zomer morrelt Trouw aan de muzikale en theatrale beroemdheden, die hun bestaan daar zo gebeiteld en omlijst verzekerd weten. Zijn hun wapenfeiten wel zo vanzelfsprekend? Moet er geen naam wijken voor een levende componist, dirigent, acteur, regisseur of toneelschrijver? Of moet juist een grootse dode alsnog van plaats wisselen met een nóg dodere grootsheid? En waartoe dan wel? Vandaag: Lully wijkt voor Charpentier.

De enige prent waarop (vermoedelijk) Charpentier staat afgebeeld. Linksonder houdt hij zijn 'Menuet de Strasbourg' vast terwijl de Zonnekoning met zijn koningin Marie-Thérèse danst.

Er moet ooit een vergadering van wijze mannen zijn geweest waarin beslist is over wie wel en wie niet in de bovenste eregalerij met componistennamen van het Amsterdamse Concertgebouw opgenomen moest worden. Je ziet ze bijna zitten, de heren musicologen, in een walm van sigarenrook. Helaas is over die bijeenkomst -als die al heeft plaatsgevonden- niets bekend. Het zou namelijk leuk zijn te weten of die laat-negentiende-eeuwse muziekbobo's met hun bolknakken toen hebben gesteggeld over de vraag: 'Lulli wel of Lulli niet?'

Het eventuele gebekvecht viel in ieder geval gunstig uit voor Giovanni Battista Lulli, beter bekend als Jean-Baptiste Lully (1632-1687). Het cartouche met daarin de oorspronkelijke Italiaanse schrijfwijze van Lully's naam heeft een zeer prominente plek in het Concertgebouw gekregen: boven de linkerloge, naast het Haendel-cartouche dat boven de linkertrap prijkt.

Volkomen ten onrechte als u het mij vraagt. Als er al een Franse barokcomponist in de eregalerij thuishoort, dan is dat toch veel eerder de verrukkelijk inventieve Jean-Philippe Rameau en niet die afschuwelijk hautaine Italo-Fransoos die met gefleem en achteruit-trapperij Lodewijk de Veertiende volledig inpalmde en die het een hele generatie getalenteerde Franse componisten uitzonderlijk lastig maakte. Zo'n nichterige Italiaan die zich fluks de Franse gewoonten en zeden eigen maakte, een protserige poederpruik opzette, zijn voorletters G.B. veranderde in J.B. en de i in zijn achternaam door een y verving. Alleen zijn accent heeft hem waarschijnlijk tot aan zijn dood achtervolgd, want Lúlli had het niet meer over allégro moderáto, maar spoorde als Lullý zijn orkest aan tot allegró moderató met die belachelijke klemtoon op de laatste lettergreep.

Ik overdrijf schromelijk, maar dat komt -laat ik het niet ontkennen- omdat ik Lully een loer wil draaien. Een soort verlaat lik-op-stuk-beleid omdat Lully zelf zovelen een loer heeft gedraaid. Daarvoor zometeen meer.

Het eerste wat we ons af moeten vragen is waaróm men besloot om Lully in het Concertgebouw te vereeuwigen. Op grond van zijn muziek kan dat niet geweest zijn, want die werd amper of helemaal niet gespeeld. Maar als muziek-historisch figuur kon men om Lully natuurlijk niet heen. Hij geldt als de uitvinder van de Franse opera (als half-Italiaan een hele prestatie) en hij smeedde met een ijzeren discipline het kleinere orkest van de koning om tot een perfect ensemble waar heel Europa jaloers op was. Deze Petite Bande begeleidde de balletten en opera's waarin Lodewijk respectievelijk zelf danste of verheerlijkt werd.

In werkelijkheid weten we over de jeugd van Lully weinig. Het Florentijnse jongetje Giovanni Lulli werd al in 1646 (hij was amper veertien jaar oud) door een lid van de De Guise-familie meegenomen naar Frankrijk, waar hij vrijwel direct in hofkringen verkeerde omdat hij in dienst kwam van Mademoiselle de Montpensier in haar paleis in de Tuilerieën. Al zeven jaar later werd hij compositeur de la musique instrumentale van Lodewijk de Veertiende.

Met stroop smeren bleek een van Lully's beste eigenschappen en het heeft hem zeker geen windeieren gelegd. Ondanks het feit dat de Zonnekoning helemaal niet te spreken was over Lully's openlijke homoseksuele gedrag, verleende hij hem het ene privilege na het andere, waardoor Lully zo'n beetje het hele Franse muziekbedrijf in handen had. Zoals Lodewijk de Veertiende placht te zeggen: 'l'état c'est moi', zo had Lully die aanmatigende uitspraak op het hoogtepunt van zijn roem kunnen aanvullen met: 'et la musique, c'est moi'.

Veel Franse collega-componisten waren er dan waarschijnlijk ook helemaal niet rouwig om toen Lully in 1687 tijdens een uitvoering van zijn 'Te Deum' de grote stok waarmee destijds al stampend de maat werd aangegeven, per abuis op zijn teen liet neerkomen. Het verbrijzelde lichaamsdeel werd door de hofdoktoren verkeerd behandeld waarna gangreen zijn verwoestende werk kon beginnen. Binnen enkele dagen was Frankrijks muziekdespoot morsdood.

De weg leek vrij voor een hele generatie Franse tijdgenoten, maar Lully's machtswellust had velen letterlijk lam gelegd. Er was eigenlijk geen kroonprins om de operatroon in Frankrijk te bestijgen. Met uitzondering van eentje: Marc-Antoine Charpentier. Van alle tijdgenoten heeft Charpentier de meeste last gehad van Lully. Ook na diens dood werd Charpentier verguisd door de Lullistes, omdat zijn muziek te Italiaans zou zijn. Charpentier had weliswaar bij Carissimi in Italië gestudeerd (in vergelijking met Lully bewandelde hij precies de omgekeerde weg), maar de Lully-aanhangers gebruikten dat als een politieke kapstok. Charpentiers muziek is zo Frans als maar mogelijk en zijn enige grote opera 'Médée' borduurt op de modellen van Lully voort, maar dan met een veel grotere inventiviteit en een veel directere betrokkenheid bij de partituur én bij de titelheldin.

Toen men in Amsterdam besliste over de invulling van de cartouches kende niemand Charpentier. Hij was niet meer dan een naam in een goede muziekencyclopedie. Sinds de jaren vijftig kent bijna iedereen één melodie van hem: de tune bij het Eurovisie-vignet op de televisie is het begin van Charpentiers imposante 'Te Deum'. Maar Charpentier is de laatste kwart eeuw verder aan de vergetelheid ontrukt door enthousiaste authentieke-muziekensembles. Het inmiddels wereldberoemde koor en orkest Les Arts Florissants noemde zich zelfs naar een werk van hem en bracht in concert en op cd de ene na de andere muzikale verrassing aan het licht.

Charpentier blijkt een uiterst veelzijdig en compleet componist. Naast zijn meesterwerk 'Médée' schreef hij uiterst dramatische oratoria, geestige muziekspelen voor tussen de schuifdeuren, fijnzinnige kerkmuziek en werkte hij met Molière samen aan diens laatste komedie-met-muziek 'Le malade imaginaire', die zo succesvol dreigde te worden, dat de jaloerse Lully het project op alle mogelijke manieren probeerde te dwarsbomen. Hij moet zich in zijn handen hebben geknepen toen de doodzieke Molière (die in zijn eigen stuk nota bene de hoofdrol van de 'ingebeelde zieke' speelde) na vier voorstellingen het leven liet. Lully wachtte geen moment en kreeg van de koning gedaan dat hij helemaal gratuite Molières Palais Royal mocht betrekken. En weer had Charpentier het nakijken.

Postuum lacht Charpentier echter als laatste het hardst. Zijn geweldige muziek wordt wereldwijd nu veel vaker gespeeld dan die van Lully -ook in het Concertgebouw. Dus allez houp! met Lully en ruim baan in de eregalerij voor Charpentier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden