Lijden, strijden, heilig worden

Lidwina van Schiedam (1380-1433) volhardde na een val op het ijs veertig jaar lang in bedlegerigheid. Volgens sociologe Jolande Withuis bestaan tussen deze rooms-katholieke heilige en hedendaagse radicale moslima’s meer overeenkomsten dan verschillen.

Moslimaterrorisme – dit nieuwe woord zal velen in de oren klinken als een contradictio in terminis. Dat is ten onrechte, en gevaarlijk naïef. De gangbare associatie van vrouwen met vreedzaamheid en harmonie is een fabeltje. Het is weliswaar vrij zeldzaam dat vrouwen terroristische aanslagen plegen, maar onbekend is het verschijnsel niet.

Onder de leiders van de Rote Armee Fraktion die in 1977 zelfmoord pleegden in de Stammheim-gevangenis waren vrouwen. Pas nog werd een RAF-prominente vrijgelaten die betrokken was bij ten minste drie moorden en een vliegtuigkaping. Palestijnse vrouwen hebben zelfmoordaanslagen gepleegd. Tsjetsjeense weduwen waren betrokken bij de gewelddadige gijzelingen in Beslan en in Moskou. En in 2005 blies een jonge Belgische, die via haar huwelijk met een radicale moslim tot de islam was bekeerd, zichzelf op in Irak.

In 1991 verscheen een boek met de intrigerende titel ’Shoot the women first’. Die titel ontleende de auteur, journaliste Eileen MacDonald, aan een internationaal advies aan veiligheids- en politiemensen: in geval ze een terroristische kern zouden arresteren, moesten ze eerst de vrouwelijke groepsleden uitschakelen.

In die dagen waren terroristische groepen niet uiterst rechts, maar extreem links. MacDonald sprak vrouwen van de Duitse RAF, een Koreaanse die een vliegtuig met honderden burgers aan boord had opgeblazen, een lid van de Italiaanse Brigate Rosse. De grens tussen links en rechts is bij terrorisme slecht te trekken (zie Ira, Eta, Hamas), en bovendien niet de meest relevante. Wezenlijk (en griezelig) aan terrorisme is niet de intentie maar de intensiteit van de betrokkenheid – het extremisme.

De raad om eerst de vrouwen neer te schieten berustte op de gedachte dat vrouwelijke terroristen, eerder dan hun mannenbroeders, zelf het vuur zouden openen op hun tegenstanders. Of ze dat inderdaad deden, wordt uit de zeven interviews van MacDonald niet duidelijk. Wel leren de verhalen ons dat alle geïnterviewde vrouwen tot hun politiek engagement kwamen in een context waarin een tegenstelling bestond tussen ’vrouwelijkheid’ en politiek.

Hoe verschillend hun respectieve culturen ook waren, politiek was er vanouds een mannendomein. Vrouwen waren daarvan uitgesloten en aangezien ze ook geacht werden daarin niet geïnteresseerd te zijn, moesten ze meer dan hun mannelijke collega’s hun inzet en trouw aan de zaak bewijzen. Sterker nog: om überhaupt te mogen meedoen, moesten ze ook tegenover die sceptische en seksistische medestrijders hun moed, loyaliteit en competentie aantonen, en de verwachting weerleggen dat ze wel zouden deserteren of falen. Zie daar: de weg naar een schepje erbovenop.

Bovendien stond een nomadisch bestaan als ’beroepsrevolutionair’ verder af van het gangbare vrouwenleven dan van een mannenleven. Zij moesten er meer voor opgeven en konden daardoor slechter op hun schreden terugkeren. Het credo ’Niets te verliezen, want alles al kwijt’ bevordert fatalisme, wanhoop en onverschilligheid ten aanzien van zichzelf en anderen – radicalisering dus.

Hoe zit dat met de radicale moslima’s? Moeten wij aannemen dat zij gemakkelijker radicaliseren dan hun geloofsbroeders? Neigen vrouwen meer dan mannen tot desperadogedrag?

Ook in Nederland groeit het belang van vrouwen in islamistisch-terroristische netwerken. Over de Marokkaanse vrouwen rond het Hofstadnetwerk hebben we enige kennis dankzij het speurwerk van Volkskrant-journalistes Janny Groen en Annieke Kranenberg (’Strijdsters van Allah. Radicale moslima’s en het Hofstadnetwerk’, Amsterdam 2006). Deze Hofstadvrouwen namen actief deel aan huiskamersessies, waar ze door de mannelijke groepsleden werden geïnformeerd over de radicale islam. Daarnaast houden enkele prominente moslimvrouwen zich bezig met de verspreiding van het radicale takfir-gedachtengoed. Ze doen aan dawa (bekering, werving), verspreiden preken, boeken en andere documenten, vertalen teksten en spelen een rol in het radicaliseren van jongeren.

Deze vrouwen lijken in veel opzichten op Marokkaanse moslima’s die zich niet tot geweld maar wel tot de radicale islam voelen aangetrokken en die willen leven naar de letter van de Koran. Ze zijn rond de twintig, goed opgeleid, voelen zich door de Nederlandse samenleving buitengesloten, geven de islam een allesoverheersende rol in hun leven en worden door hun directe Marokkaanse omgeving, familie bijvoorbeeld, als te radicaal ervaren. Opvallend is hun honger naar informatie over het geloof. De moskee speelt in hun leven nauwelijks een rol omdat ze die niet puriteins genoeg vinden, of er de juiste leer niet vinden. Nederlandstalige lezingen, vaker in een buurthuis of een andere ruimte dan in een moskee, zijn populair. Ook ontlenen zij informatie aan websites die het salafisme en de politieke islam uitdragen.

Vrouwelijk radicalisme in politieke en spirituele zin kent een lange traditie waarin een patroon te ontwaren valt. Laat ik u voorstellen aan de Heilige Lidwina van Schiedam, die leefde van 1380 tot 1433. Lidwien ging in 1395 als gezond en nog lang niet heilig meisje uit schaatsen, kwam ten val, brak een rib en is vervolgens nooit meer opgestaan. Medici zien Lidwien als een klassieke hysterica, in de grote stapel hagiografische literatuur daarentegen is zij een wonder. De aan haar gewijde geschriften bieden tegen elkaar op in gruwelijkheden: vuistgrote abcessen, etterende wonden, rottende lichaamsdelen, maden ter grootte van een pink die uit haar buik kropen. Lidwina bleef bedlegerig tot haar dood, bijna veertig jaar later. Ze verwierf grote aanhang, werd onder enorme belangstelling begraven en werd in 1890 door paus Leo XIII heilig verklaard.

Natuurlijk kunnen we Lidwina zien als een typisch geval van katholieke lijdensverheerlijking. Maar van de 321 ’lijdensmystici’ uit de katholieke geschiedenis waren er maar liefst 274 vrouw: 85 procent! Bovendien werd Lidwien tot ver in de twintigste eeuw speciaal aan katholieke meisjes ten voorbeeld gesteld. Ze zag zichzelf ook als voorbeeld. Door het voor te stellen alsof ze met haar ziekte de zonden der mensheid afkocht, maakte ze van haar lijden iets nuttigs en speciaals. En hoe erger, hoe mooier. Met haar paardenharen boetekleden bezorgde ze zichzelf extra pijn, en at ze eerst nog wel een partje appel af en toe, de laatste jaren zou ze louter op hosties hebben geleefd.

In dit genre spiritualiteit telt lijden als prestatie: hoe nederiger, hoe superieurder. De manipulatieve Lidwina, een typisch geval van lijdenswinst, wist met haar extreme lot grote invloed te verwerven op de priesters in haar omgeving. Haar ziekte bracht haar roem in een tijd dat het voor vrouwen onmogelijk was beroemd te worden of zelfs maar een zinvol leven te leiden via werk, wetenschap of kunst. Bovendien ontkwam ze zo aan uithuwelijking. Toen kort voor het schaatspartijtje uithuwelijking dreigde, bad ze God om een ziekte. Trouwen, kinderen krijgen en sterven in het kraambed – dat was het vrouwenlot. Ongetrouwd blijven betekende armoede. Lidwien vond kortom precies die ene deur die voor haar sekse openstond naar een openbaar bestaan: liggen, lijden, heilig worden.

Het interessante (en zorgwekkende) is, dat dit Lidwinapatroon historisch niet alleen valt aan te treffen bij bijvoorbeeld nonnen die zichzelf ernstiger verwondden dan de kerk toestond, maar ook onder linkse en seculiere vrouwen, al nam hun zelfkastijding andere vormen aan. Voor al die vrouwen met hun uiteenlopende levensbeschouwingen gold dat hun verlangen om een politieke rol te vervullen, botste met de wens of plicht te voldoen aan het gedrag dat werd verwacht van goede vrouwen. Door hun streven naar een functie in de gemeenschap, buiten de beperktheid van huwelijk en gezinsleven, raakten ze in conflict met hun omgeving, en dat losten ze op door extra zware lasten op zich te nemen.

We moeten die neiging tot lijden of opoffering dus niet zoeken in een ’vrouwelijke natuur’, maar in de benarde maatschappelijke positie van vrouwen. De invloed bijvoorbeeld die Lidwina verwierf op het kerkelijk leven, was langs minder destructieve wegen onbereikbaar.

Deze redenering verklaart ook waarom dergelijke vrouwen juist de gewoonlijk aan hun sekse toegeschreven zwakte en passiviteit misten. Hun ’sterke’ gedrag drukt een compromis uit, een manier om twee identiteiten te verzoenen die sociaal gezien strijdig waren. Enerzijds traditionele vrouwelijkheid, anderzijds een bestemming in het openbare leven. Deze zelfdestructieve vorm van inzet is een alibi om aan de ’vrouwelijke’ passiviteit te ontkomen. Zo hebben vrouwen in het martelaarschap een ontsnappingsroute gecreëerd uit hun tweederangspositie. Onderschikking, opoffering en uitsloverij zijn voor vrouwen in politieke en sociale bewegingen vaak de manier geweest om mee te mogen doen met de mannen. Naarmate de seksen gelijker worden, zullen vrouwen zich dan ook minder manifesteren als martelares.

Mij lijkt bovengeschetste analyse ook relevant voor de vrouwen van bijvoorbeeld de Hofstadgroep. Bovendien ontkomen we door zo’n sociologische kijk aan het dilemma of het moslimaradicalisme een vorm van emancipatie is of juist het tegenovergestelde daarvan. Met die vraag schipperen ook Groen en Kranenberg. Ik ben het eens met de Belgische journaliste en terrorismedeskundige Hind Fraihi, die in een televisiedebat over hun boek het moslimafundamentalisme kenschetste als ’cynisch feminisme’. Cynisch, omdat het hier gaat om een illusie van gelijkheid van vrouwen die zich in feite in extreme mate onderschikken. Aangezien ze dat doen naar eigen wens en op het eerste gezicht niet tot hun ongenoegen, raken hun beschouwers verstrikt in een vruchteloos welles-nietes: zijn dit geëmancipeerde vrouwen of slachtoffers?

Laten we vooral niet vergeten dat vrouwen in de geschiedenis wel vaker met kracht zijn opgekomen voor anti-emancipatoire ideeën. Zo ondertekenden in 1917 zo’n 43.000 christenvrouwen de petitie ’Geef ons het kiesrecht niet’, omdat zij burgerschap strijdig achtten met de huiselijke bestemming van de vrouw. Gelukkig trokken Aletta Jacobs en de haren zich daar niets van aan.

Productiever dan een oordeel emancipatoir of anti-emancipatoir is het om de dynamiek van het gedrag en de situatie van deze jonge moslima’s te achterhalen.

De ideale moslimvrouw is een moeder die vele zonen baart. Het laagste van het laagste in moslimland zijn gescheiden vrouwen, en bijna net zo veracht zijn de ongehuwden. Duidelijk is dat het klassieke rolmodel niet het leven biedt dat deze meisjes willen, maar evenmin brengen zij het op zich te onttrekken aan de dwang of drang om ’vrouwelijk’ te zijn in de zin waarin dat in hun cultuur, milieu of geloof wordt gezien. Ze willen niet als vrouwen worden geminacht. Ze accepteren de opgelegde tweedeling van de mensheid in twee ongelijke, geheel verschillende soorten, maar willen toch een ander soort leven dan hun sekse traditioneel wordt toebedeeld. Ze vertonen modern en zelfbewust gedrag en koesteren de wens om mee te tellen in een geloofsgemeenschap die vanouds aan mannen toebehoorde. Gehuld in allesbedekkende kleding grazen ze het internet af op zoek naar teksten die vrouwen het recht geven mee te doen met de djihad.

De contradicties in hun seksedenken worden geïllustreerd door hun namen. Zoals dat vaak gaat in sekten, leggen groepsleden hun eigen naam af. Ter bevestiging van hun nieuwe identiteit en van hun toetreden tot een nieuwe ’familie’ kiezen ze een nieuwe naam. Alle Hofstadvrouwen heten automatisch Oum, wat ’moeder’ betekent. Achter die traditionele titel mogen ze zelf een voornaam kiezen. Een van de vrouwen heet Oum Osama, waarmee ze uitdrukt dat Bin Laden haar voorbeeld is. Ze combineert dus de verplichte, generieke, bescheiden moederaanspreektitel met de gewelddadigste en minst bescheiden mannennaam die voorhanden is.

De verlangens en ambities van deze meisjes zijn volgens de Koran of daaraan ontleende culturele tradities niet gepast. Maar wat wél gepast is, verlangen zij niet. Ook anderszins lopen ze het risico als onvrouwelijk te gelden: ze zijn vaak slimmer, beter geïntegreerd en competenter dan hun mannen en de jongens uit de groep. Dat moeten ze compenseren of goedmaken, en daarvoor zijn diverse wegen voorstelbaar, bijvoorbeeld dat zij hun talenten niet inzetten voor hun eigen loopbaan en zelfstandigheid, maar voor de goede zaak.

De kans dat dit soort emancipatie een zelfdestructief of zelfonderschikkend element bevat is dus groot, en helaas is het risico niet denkbeeldig dat radicale moslima’s, anders dan Lidwina, anderen meeslepen in hun zelfdestructie. Hun eventuele ’zelfmoord’-terrorisme behelst moord of zelfs massamoord. Hier raakt het aspect sekse aan een ander belangrijk element van radicalisering: het sektarisme.

Kenmerkend aan het moderne leven is dat mensen verschillende rollen vervullen. Sekten en radicale geloven daarentegen vereisen totale toewijding. Hun geloof biedt radicale moslima’s een totale identiteit, die zwaarder weegt dan wat ook en die niet beperkt is tot bepaalde uren of gelegenheden. Dat vereist inspanning en afzien, maar biedt tegelijk voldoening en gemoedsrust. Leefvoorschriften die vervelend of lastig zijn – zich moeten bedekken, van alles niet mogen eten – worden, als je eraan weet te voldoen, tot bronnen van zelfrespect. Het is als met de anorexiet die tevreden is als zij het hongeren volhoudt, ook al schaadt ze daarmee haar gezondheid. Zo zijn deze vrouwen tot in het ridicule druk met uitzoeken welke ingrediënten ’haram’ of ’halal’ zijn, wat tegelijk hun tijd vult en dus een comfortabel gevoel van zinvol leven oplevert.

Deze extreme invulling van het moslim-zijn, die beslist niet algemeen is, impliceert exclusiviteit. Leden van sekten – en daarmee mogen we dit type islamgroeperingen wel vergelijken – moeten afzien van andere emotionele bindingen dan aan de groep; hun commitment mag niet worden doorkruist door persoonlijke banden; zij dragen hun verbondenheid met medemensen over op hun geloof, en wissen hun sympathie voor buitenstaanders uit door andersdenkenden als vijanden te gaan zien. Radicalisering impliceert dat iemands geloof steeds meer haar verhouding tot haar medemensen kleurt (of bederft). Was het geloof eerst nog één verschil, al radicaliserend wordt het tot dé wezenlijke scheidslijn. Tot een bron van ruzie of afsplitsing, van wrok en vijandschap enerzijds, binding en gezamenlijkheid anderzijds.

Een van de mechanismen waardoor sekten standhouden, is dat de leden leven in de vrees voor uitstoting. Een moskee sluit iemand niet snel uit, maar takfiri’s mogen onderling mensen royeren, desavoueren en zelfs vermoorden. Het radicaliseringsproces maakt mensen kwetsbaar, want hoe verder iemand is meegegaan op de radicale weg, hoe banger zij wordt om buiten de groep te komen staan. Zij heeft haar oude familie en vrienden verlaten of zelfs afgestoten en kan niet eervol op haar schreden terugkeren. Ze is financieel en emotioneel afhankelijk geworden van de groep. Omdat deze vrouwen niet werken, zijn ze soms totaal afzijdig van de samenleving. Weinig contacten in de normale buitenwereld betekent weinig correctie, verminderd realiteitsbesef en ook weinig kans op escape. Hoe geïsoleerder de individuele leden raken, hoe machtiger de sekte.

De informele structuur van de terrorismenetwerken kan de angst voor ui tstoting nog vergroten, omdat leden altijd onzeker zijn over wat op een bepaald moment ’juist’ is. Dit biedt charismatische personen die als leraar optreden nog extra macht. Bovendien ligt de verleiding op de loer om geloofsonzekerheid te compenseren met daadkracht. Een van de Hofstadmeisjes wilde scheiden van haar man, omdat die was opgestaan voor een Nederlandse rechter; een ander sprak met minachting over Samir A., omdat op diens grote woorden te weinig daden waren gevolgd.

Sekteleden leren af empathie te voelen met anderen én met zichzelf. De eenzaamheid die dat veroorzaakt, wordt verzacht door de gezamenlijke strijd tegen de westerse wereld, die daarmee psychisch noodzakelijk wordt. Bij gewelddadige sekten gaat dat nog verder. Het ontbreken van mededogen met ongelovigen is daar een blijk van de eigen deugdzaamheid. Men gaat onderling rivaliseren in onmenselijkheid. Zoals Mohammed B. zijn rol als slachter oefende, zo trainen leden van gewelddadige politieke groeperingen zich in ongevoeligheid. Mohammed B. was ook degene die de 16-jarige Malika in de echt verbond met een andere ’broeder’. Haar huwelijksnacht bestond uit het bekijken van gewelddadige filmpjes. Zo zou ze alvast wennen aan het doden en aan het vooruitzicht zelf martelares te worden. Een meisje vertelde Groen en Kranenberg dat ze net zo lang onthoofdingsfilmpjes had bekeken tot ze er niets meer bij voelde.

De mix van seksisme en sektarisme is gevaarlijk. Om mee te mogen doen met wat des mans is, zoals de djihad, moeten de moslima’s af van de zachtaardigheid die traditioneel tot het vrouwelijke takenpakket wordt gerekend. De zaak blijft in evenwicht door andere aspecten van de traditionele vrouwelijkheid extra aan te zetten. Om goed te maken dat ze iets willen wat niet hoort, zullen ze uitmunten in onderdanigheid, gehoorzaamheid en loyaliteit. Dat is te zien in hun keuze voor de allervrouwonvriendelijkste interpretatie van de islam, compleet met boerka’s en polygynie. Die bittere pil wordt verguld met superioriteitsgevoel. Superioriteitsgevoel is de zoete beloning die de radicale vrouwen niet alleen plaatst boven ongelovigen maar ook boven hun naasten die een minder extreem leven leiden. Boven hun onopgeleide of zelfs analfabete moeders bijvoorbeeld, die worden ’gerespecteerd’ maar in feite onmachtig zijn en zeker niet zichzelf tot Allah kunnen richten of de Schrift kunnen bestuderen. Of boven hun vaders, die noch in geloofszaken noch in sociale positie gezag inboezemen. Hun eigen onderworpen positie is, denken zij, zelfgekozen en impliceert een hogere bestaanswijze. Tegenover niet of minder gelovige seksegenoten zullen deze moslima’s bij hoog en laag volhouden dat hun dienstbaarheid aan hun mannen geen dienstbaarheid aan die mannen is maar aan hun eigen overtuiging, en ’dus’ een vorm van emancipatie.

Vaststaat dat de radicale moslima’s niet alleen vervreemden van de Nederlandse samenleving, maar ook van hun eigen omgeving. Zij vinden dat hun familie niet volgens de ’zuivere islam’ leeft en het geloof verwart met de Marokkaanse cultuur en traditie. Familieleden op hun beurt zitten niet te wachten op een in boerka weggestopte dochter wier echtgenoot weigert met haar moeder aan één tafel te eten. Het door mij geschetste ’compromis’ werkt niet alleen jegens echtgenoten en geloofsbroeders, maar ook ten aanzien van het ouderlijk milieu. De meisjes doen weliswaar iets wat niet wordt gewenst, maar die overtreding ligt in het verlengde van hun ouderlijk geloof. Ze zijn vromer dan vroom, dus wat kunnen die ouders daartegen inbrengen?

Dat hun strategie zowel henzelf verheft als eventuele loyaliteitsproblemen opheft, maakt deze route extra aantrekkelijk. Met hun wens tot deelname aan de djihad, het geven van lezingen en het bestuderen van de Koran trotseren de vrouwen seksetradities, maar dat compenseren ze door superaanpassing op andere fronten. Hoewel ze dus wel degelijk worstelen met de begrenzingen van het in de islam aan vrouwen toegestane domein, gaat hun engagement, anders dan bij de vrouwen uit ’Shoot the Women First’, niet gepaard aan kritiek op de traditionele vrouwelijkheid. Zij belijden juist de meest orthodoxe variant van het geloof en echoën seksistische opvattingen: vrouwen dienen zich te bedekken en geven mannen geen hand.

De echtgenote van Samir A. steunde onlangs via de pers zijn eis om apart van vrouwelijke gevangenen te worden gelucht. Haar man, zei ze, ’stond op springen’ – een primitieve opvatting over seks die we zelden nog vernemen. Mannen mogen er, vinden ook hun vrouwen, vier echtgenotes op na houden, en onderling doen zij alsof ze dat niet erg vinden. Ze sluiten informele huwelijken die louter dienen om seks mogelijk te maken en geen enkele bescherming bieden. Hun feitelijk promiscue levenswijze, waarbij ze bovendien breken met de traditie dat een huwelijk tot stand komt na ten minste goedkeuring door de ouders en de familieoudsten, maakt terugkeer moeilijker. Dat maakt hen nog weer afhankelijker van die pseudo-echtgenoten en hun sektarische geloofsgenoten.

Tegelijk grijpen de vrouwen hun kansen om hun mannen te vernederen als die minder radicaal zijn of te weinig daadkrachtig. Het feit dat ze door het voorschrift van gescheiden mannen- en vrouwensferen een vrij vaste club vormen, zal dit concurreren met en vernederen van de mannen soms zelfs tot een meisjesgezelschapsspel maken. Dat velen van hen door kennis van het Arabisch en de heilige teksten zelf in contact kunnen treden met Allah (in plaats van alleen via een man), is een vernieuwing die hun emancipatie-illusie in stand houdt. Tegelijkertijd bevordert deze illusie hun radicalisering en isolement, want het is een emancipatie die bestaat uit het geobsedeerd bestuderen van de ’zuivere’ leer (die ze overigens toch weer via mannen krijgen aangeleverd).

Ten slotte zullen deze vrouwen, net als hun radicale voorgangsters, geneigd zijn of zich gedwongen zien om het mannelijke vooroordeel dat ze te zwak, bang en onwetend zijn, te bestrijden door in hun geloofsstrijd verder te gaan dan ze misschien zouden willen. Omdat ze zowel hun gelijkheid (in daadkracht en geloofsovertuiging) als hun ondergeschiktheid (als sekse) moeten bewijzen, lijkt mij het risico aanwezig dat ze bereid zullen zijn gruwelijke opdrachten uit te voeren. Hun dubbelzinnige situatie maakt ze tot prooien voor rekrutering.

De vrouwen rond de Hofstadgroep mengen moderne assertiviteit met sektarisme. Sekte- en sekseaspecten raken elkaar in datgene waar elke sekte zich uiteindelijk op werpt: het leven naar de zuivere leer en het zuiveren van de groep. Ook daarin gaan rivaliteit met en onderschikking aan de mannen vloeiend samen.

Toch heb ik me in het bovenstaande, meer dan met de inhoud van de Koran, beziggehouden met de mogelijke functies van de islam en met de sociale en psychische dynamiek die vrouwen radicaal maakt en houdt. We moeten ons niet blindstaren op de oude teksten om te begrijpen wat er rond ons gaande is. Niet in die teksten ligt het antwoord maar in de betekenis die eraan gegeven wordt en in het gebruik dat ervan wordt gemaakt. Het zou een illusie zijn te denken dat we door studie van de Koran antwoorden vinden, en een misverstand dat we zonder die studie niets kunnen begrijpen. Naarmate men radicaliseert, wordt de zuivere leer onmiskenbaar een obsessie, maar hij is dat nooit helemaal zonder bemiddeling: er zijn steeds opportunistische interpretaties en leraren nodig als medium. Vrouwen zijn niet machtig genoeg om zelf een nieuwe interpretatie als ware leer door te kunnen drukken.

Volgens de Amsterdamse emeritus hoogleraar in de sociologie Bram de Swaan doet de letterlijke inhoud van een godsdienst er niet zoveel toe, want men kan uit elke geloofsleer en uit elk heilig boek nu eenmaal halen wat men eruit wil halen. Schriftgeleerden door de eeuwen heen hébben er ook uitgehaald wat ze van pas kwam. De inhoud van godsdiensten wordt, zo stelt De Swaan in het essay ’De botsing der beschavingen en de strijd der geslachten’, bepaald door de sociale verhoudingen. En de strijd om de islam ziet hij als een wereldwijde strijd om behoud van mannelijke macht. Moslimmannen worden in het Westen (en door de globalisering) geconfronteerd met compleet andere sekseverhoudingen, en dat terwijl hun masculiene ’eer’ vanouds de basis vormde van hun zelfrespect. De ’eer’ van een man hangt af van het gedrag van zijn vrouwen, dochters en zussen, en hij ziet het dan ook als een recht en een noodzaak dat hij die vrouwen zijn wil mag opleggen. De masculiene eer impliceert zowel het idee van mannelijke superioriteit als de concrete macht van mannen over vrouwen. Beide zijn in het Westen sterk afgenomen.

Moslimfundamentalisme is seksefundamentalisme. Het ingewikkelde aan het moslimaterrorisme is dat dit enerzijds een geloof betreft dat op wereldschaal (en kleiner) het behoud van de patriarchale macht tot inzet heeft, terwijl er anderzijds vrouwen zijn die zich juist via dat patriarchale geloof willen emanciperen en daartoe zelfs bereid zijn tot terreur. Vanuit diezelfde dubbelzinnigheid kon het voor hun mannenbroeders wel eens aantrekkelijk zijn om hun ’zusters’ deelname aan de djihad ’toe te staan’, dat wil zeggen: de vrouwen in te zetten voor hulp aan terroristen of zelfs voor zelfmoordaanslagen.

Onderwerping, verkleed als emancipatie, en sterker nog, emancipatie die onderwerping impliceert, kan erg gevaarlijk zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden