Liever nergens echt bij horen

Dinaw Mengestu over verloren Afrikaanse idealen en haperende Amerikaanse droom

Het zijn vooral jonge schrijvers, vluchtelingen uit de Balkan en Afrika, die zich onderscheiden in de bloeiende stroom immigrantenliteratuur van de laatste jaren. Dinaw Mengestu (1978), die in Ethiopië werd geboren en in zijn tweede levensjaar met zijn ouders naar Amerika emigreerde, is zo'n schrijver.

Sinds zijn debuut in 2007 ('Children of the Revolution') geldt hij als een groot talent.

In 2010 prijkte hij in de top-20 van schrijvers onder de 40 jaar van The New Yorker. Terwijl in de doorsnee immigrantenroman heimwee en ontheemding de boventoon voeren, legt Mengestu andere accenten. Zo geeft hij een originele draai aan het genre.

In zijn derde roman 'Al onze namen' voert hij een verteller op die begin jaren zeventig van de vorige eeuw als 25-jarige vanuit Ethiopië naar Oeganda reisde, en daar zo op terugkijkt: "Ik was niemand toen ik aankwam in Kampala - en dat was precies wat ik wilde." Een vreemde zijn, een buitenstaander, uiteindelijk nergens echt bij horen wordt in deze roman niet per definitie als een drama gezien, maar als een aantrekkelijke mogelijkheid om jezelf te blijven. Met zo'n eigenzinnige visie overstijgt Mengestu de gangbare clichés van het genre.

In het verhaal van deze Afrikaanse ik-verteller komen we terecht in de sfeer van 'de extatische beloften' die het eerste decennium na de onafhankelijkheid beheerste ("destijds wilden alle jongens van onze leeftijd revolutionair zijn").

De verteller, die de ambitie heeft om 'een beroemde schrijver' te worden, raakt hartstochtelijk bevriend ('als twee zwerfhonden bij hun zoektocht naar voedsel en gezelschap') met zijn Oegandese leeftijdgenoot Isaac die hem steeds verder meesleept in zijn revolutionaire idealen. Subtiel schetst Mengestu hoe de verteller in al zijn liefde voor Isaac ook vol angst en huiver zit over de uiteindelijk consequenties van diens steeds militantere engagement.

Zonder dat diens naam genoemd wordt, bevinden we ons in het Oeganda van dictator Idi Amin en Mengestu weet het decor van toenemende intimidatie, angst en geweld indringend voelbaar te maken. Als Isaac zich aansluit bij het 'bevrijdingsleger' van een zekere Jozef, is de verteller ooggetuige van een geheime bijeenkomst waar de kopstukken arriveren in zwarte Mercedessen: "Als er iets te vrezen was op de wereld, waren het mannen die onder dekking van het avondduister opdoemden, in dure auto's achter geblindeerde ramen".

Zonder zelf commentaar te leveren laat Mengestu zien hoe het verzet tegen de meedogenloze dictator in dezelfde meedogenloosheid ontaardt. En hoe de verteller een vriendschap ziet stranden op ontsporende idealen.

Dit verhaal wordt ons stukje bij beetje uit de doeken gedaan in een roman die daarnaast, in alternerende hoofdstukken, het verhaal bevat van Helen, een maatschappelijk werkster in het midwesten van de Verenigde Staten die de gevluchte Afrikaanse verteller begeleidt bij diens inburgering en al snel verliefd op hem wordt. De jongeman, wiens (valse) paspoort de naam Isaac Mariba vermeldt, geboren in Afrika (zonder specificatie van land en stad van geboorte), blijft voor Helen hun hele affaire lang een raadsel ('een schets van een man die ik met moeite probeerde in te kleuren'). Seks is een belangrijk ingrediënt in hun tamelijk zwijgzame relatie: "We wisten niet waar al de barsten en breuklijnen tussen ons zich bevonden, dus zeiden we maar weinig, om ze te ontwijken."

In het conservatieve provinciestadje dat nog maar tien jaar eerder gestopt was met de segregatie van openbare toiletten, bussen, scholen en restaurants is de publieke verschijning van Helen met haar zwarte verovering een heikele zaak, wat Mengestu meesterlijk schetst in een scène in de lunchroom.

Het is een vondst om de worsteling van jonge Afrikaanse landen met de net verworven onafhankelijkheid te plaatsen naast de Verenigde Staten waar de dromen van de jaren zestig verzand zijn in het eeuwige interraciale onvermogen. Op vernuftige wijze gebruikt Mengestu die decors om de nodige parallellen te trekken tussen deze twee gedoemde liefdesgeschiedenissen.

Dinaw Mengestu: Al onze namen

Vert. Adriaan Krabbendam. Meridiaan;

272 blz. euro 20

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden