Liever historie dan kunst zonder kader

Zomaar een Nederlandse expositie in het buitenland heeft weinig zin. Cultuur in den vreemde moet weer in dienst staan van politieke en economische betrekkingen.

door Hans van Baalen en Rijpstra Jan en Marius Wessels

Dit jaar is op de begroting van buitenlandse zaken een bedrag van ruim 13 miljoen euro te vinden voor internationaal cultuurbeleid. Een dergelijk klein bedrag moet zo effectief mogelijk worden besteed en vooral onze internationale politieke en economische relaties ondersteunen.

Lange tijd was dat ook het uitgangspunt. Maar sinds 2001 krijgt het internationaal cultuurbeleid door bemoeienis van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap (OCW) steeds meer een eigen karakter, waarbij te weinig samenhang overblijft met andere pijlers van het buitenlands beleid.

Bovendien is, onder invloed van OCW, ook in het internationale cultuurbeleid het begrip 'Nederland Vrijhaven' geïntroduceerd, om Nederland als internationale ontmoetingsplaats van uiteenlopende culturen op de kaart te zetten. Uitstekend, maar tegelijkertijd dreigt het gevaar dat hetgeen wij in onze cultuurhistorie als uitgesproken Nederlands beschouwen, uit het zicht raakt.

Er wordt juist steeds meer aangedrongen op aandacht voor onze nationale identiteit. Bovendien hebben we vanuit onze cultuurhistorie tal van boeiende relaties met andere landen, die ingezet kunnen worden voor het aanhalen van de actuele internationale betrekkingen. Daarom moet bij het internationale cultuurbeleid de traditionele band met het buitenlands beleid weer volop tot zijn recht komen.

Zo kent Nederland een boeiende (cultuur)historische relatie met New York. Ooit werd de grondslag voor het vrije en kapitalistische klimaat in New York gelegd door Nederlanders. Onlangs schreef de Amerikaan Russell Shorto (waarom niet een Nederlandse historicus?) daarover nog een buitengewoon boeiend boek. New York is weliswaar uitgekozen als een stad waar soms Nederlandse culturele activiteiten worden gesubsidieerd met geld van buitenlandse zaken, maar daarbij wordt nauwelijks ingespeeld op die historische relatie. Wanneer (om het wat te chargeren) een Nederlands symfonieorkest naar New York wordt gestuurd dat, onder leiding van een dirigent uit Estland en met een solist uit Japan, werken speelt van een Tsjechische componist, is het de vraag of dat veel bijdraagt aan de relatie tussen Nederland en New York. Nederland zou veel meer kunnen inspelen op de aansprekende, Nederlandse voorgeschiedenis van New York, die ook de Amerikanen zelf weer bezig zijn te ontdekken.

Een droevig voorbeeld van ons falende internationaal cultuurbeleid is ook de teloorgang van het Dom Holenderski in Gdansk. Met deze belangrijke Noord-Poolse stad had de Republiek der Nederlanden lange tijd een belangrijke handelsrelatie: Gdansk was de meestbezochte haven bij de handel in het Oostzeegebied, de zogenaamde 'moedernegotie'. Die intensieve relatie wordt tevens weerspiegeld in de architectuur, de vestingwerken, de kunstwerken in Gdansk. Het mag dus niet verbazen dat, toen de Nederlandse havenconsulent voor de Wereldbank, Chris van Krimpen, in de jaren rond 1990 neerstreek in Gdansk, hij zo onder de indruk raakte van de historische band met die stad dat hij twee oud-Hollandse gevels aan de prestigieuze Dwugi Targ (Lange Markt) liet opknappen en daarachter het Dom Holenderski (Holland Huis) vestigde. Dat zou zich richten op de versterking van de culturele en de economische banden. Het renderend maken van het pand kostte echter meer tijd, maar Buitenlandse Zaken wilde geen (eenmalige) gift doen. Het Dom Holenderski is onlangs failliet verklaard. Voor Nederland dreigt een aanzienlijk gezichtsverlies bij de Polen, die zelf wél veel belangstelling tonen voor het Dom Holenderski. En dat terwijl Polen inmiddels een belangrijke partner voor Nederland is geworden in EU en Navo en bij internationale militaire operaties als in Irak.

Meer zouden we ook kunnen doen met de belangrijke rol die Nederland (via de handelsvestiging op Decima) twee eeuwen lang gespeeld heeft als doorgeefluik tussen het -toen nog sterk gesloten- Japan en de rest van de wereld. Voor die historische relatie bestaat veel belangstelling in Japan. Hetzelfde geldt voor Taiwan. Toen een Nederlandse sinoloog in 2001 er een tentoonstelling organiseerde over de VOC-periode (gefinancierd door een nationaal dagblad) kwamen er 20000 bezoekers op af. Meer aandacht dient verder uit te gaan naar het Nederlands historisch erfgoed in Brazilië, Suriname, Zuid-Afrika, Indonesië en Sri Lanka.

De Nederlandse regering zou meer besef moeten hebben van de betekenis die nauwe relaties uit het verleden kunnen hebben voor hartelijke relaties in het heden. Met een nieuwe prioriteitstelling binnen het internationaal cultuurbeleid zouden deze meer aandacht krijgen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden