Liever feiten dan hosanna-verhalen

Goede doelen hebben moedige bestuurders nodig, betogen Charles Groenhuijsen en Edwin Venema, publicisten. Want het wordt hoog tijd voor het meten van hun impact.

In haar proefschrift 'Waarom 'goed' doen, niet goed genoeg is' legt Kellie Liket de vinger op misschien wel het zeerste plekje van goede doelen: impactmeting. Haar pleidooi (Trouw, 7 april) om beter in kaart te brengen welke effecten interventies van goede doelen hebben, zodat donateurs gefundeerder keuzes kunnen maken aan wie zij hun vertrouwen en geld schenken, verdient echter aanvulling.

Liket schetst de praktijk waarin filantropische organisaties zelden geld uitgeven aan deugdelijk onderzoek naar de vraag of hun hulpprogramma's goed besteed zijn. Als belangrijke reden hiervoor wordt aangevoerd dat de gevers goede doelen min of meer dwingen zo veel mogelijk te besteden aan het goede doel zelf, onder het motto 'zo min mogelijk aan de strijkstok'. Dat laatste lijkt een containerbegrip voor alle, ook noodzakelijke, kosten om goed doen goed te doen. De vraag is hier of de goede doelen niet ook zelf hebben bijgedragen aan deze 'no cost-mythe' door te roze verhalen. Maar feit is dat gevers en instellingen elkaar vasthouden in een ijzeren greep van schijnzekerheid.

Behalve de strijkstok, speelt nog iets anders. Veel bestuurders van goede doelen betwijfelen namelijk het nut van impactmeting. Het gaat ze dus niet zozeer om de kosten, maar eerder koesteren ze de idee dat dit onmogelijk en zelfs onwenselijk is. Standaard wordt hiervoor het zogenoemde attributieprobleem van stal gehaald: in complexe hulpketens is het onmogelijk om bepaalde effecten te correleren aan de interventie van het betreffende goede doel. Verder zouden er te weinig concrete meetinstrumenten zijn. Maar het meest gehoorde contra-argument ligt niet in de methodologie, maar in de emotie. Veel bestuurders zijn bang om het 'gevoel' van het goede doel te verstikken in cijfers. Daarop zouden de donateurs volgens veel goede doelenbestuurders ook niet zitten te wachten. Die houding roept veel vragen op.

Het is niet meer van deze tijd om te roepen dat 'geven vooral emotie' is: die gevoelskaart wordt al te lang getrokken en is duidelijk geen panacee. Het gaat erom effectiviteit te koppelen aan die emotie. Eén leven helpen redden, barst van verbeelding. Met precies dezelfde gift dertig levens redden doet niets af aan de emotie, maar betekent wel het verschil tussen leven en dood van 29 andere mensen.

Anders dan elkaar op de geversmarkt te overtroeven met hosanna-verhalen zouden de grote goede doelen het voortouw moeten nemen om gezamenlijk, zwaar en langdurig te investeren in een 'impact-Deltaplan'. Het gaat hierbij om bewustwording onder goede doelen zelf, voorlichting aan het publiek, ontwikkeling van bruikbare en geijkte meetmethoden en de koppeling van impactgegevens aan rapportages en publicaties.

Juist door de effectiviteit van de interventies centraal te stellen kunnen bestuurders voor hun donateurs een heldere relatie leggen tussen kosten en maatschappelijke opbrengsten. Deze relativiteit biedt ook een uitweg uit de eeuwige strijkstokdiscussie. Voorwaarde is echter de oprechte wil om transparant te zijn in wat wel en niet goed werkt. Die eerlijkheid zullen donateurs zeker belonen door met hun portemonnee te stemmen op de doelen die zich waarachtig inspannen om met publieksgeld het onderste uit de maatschappelijke kan te halen. Daarvoor hoeft het hart geenszins uitgeschakeld te worden. Bestuurlijke moed om de impactsleutel in het slot van de eigen organisatie te steken zal zeker beloond worden.

Het hart zat al op de goede plaats, nu het hoofd nog.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden