Liever een van de jongens

In de jaren zestig was Burnier militant. Maar toen de tweede feministische golf opkwam, bleef zij op afstand

SYLVIA HEIMANS

Een goeroe tegen wil en dank was Andreas Burnier. Ze was een schuchter spreker, afstandelijk en sociaal onhandig maar met haar androgyne verschijning, zowel op papier als in het echt, haar intellectuele onverschrokkenheid en haar kritische kijk op het (mannelijke) westerse denkkader trokken haar lezingen en openbare optredens begin jaren tachtig enthousiaste groupies uit lesbische en feministische kring. Het leverde haar zelfs een stalker avant-la-lettre op, zo valt te lezen in de deze week verschenen biografie 'Metselaar van de wereld'. In 1983 drong een psychotische fan Burniers huis binnen en bedreigde haar. Ondanks haastig aangebracht veiligheidsglas, rolluiken en ijzeren hekwerk hield Burnier er nachtelijke angstaanvallen aan over.

Zeven jaar werkte Elisabeth Lockhorn, gerenommeerd interviewster van Vrij Nederland en Opzij, aan haar biografie over de schrijver en criminoloog Catharina Irma Dessaur (1931-2002), beter bekend onder haar schrijverspseudoniem Andreas Burnier. Lockhorn raakte betrokken bij Burnier toen zij haar interviewde voor haar bundel 'Geletterde vrouwen' (2000). Dat gesprek loopt helemaal niet, tot vriendin Ineke van Mourik (door Burnier Daniel genoemd) erbij komt en het ijs breekt. 'Als een betrapt kind', schrijft Lockhorn, stemde Burnier toe dat Van Mourik bij het gesprek aanwezig bleef. Het resultaat was toen een zeldzaam openhartig interview en nu een vuistdikke, rijke biografie die leest als een pageturner.

Gescheiden van haar ouders zat Burnier als kind ondergedoken op zestien adressen. Dat leidde tot levenslange angsten - haar schoenen stonden altijd klaar voor vertrek - en sociaal onaangepast gedrag zoals weggaan zonder afscheid nemen. Maar haar pen was vlijmscherp. In de jaren tachtig zorgde ze voor ophef met haar behoudende standpunt in de opkomende euthanasiediscussie. Burnier bezag euthanasie in de context van het 'gif van de nationaal-socialistische ideologie' en noemde actieve levensbeëindiging 'zelfmoord op zieken en bejaarden'. Enkele jaren daarvoor publiceerde ze het door vakgenoten zeer kritisch ontvangen 'De droom der rede', waarin ze onder andere het (te westerse) mensbeeld in de sociale wetenschappen bekritiseerde.

Al heel vroeg in het leven wist Burnier dat ze liever een jongen was en dat ze lesbisch was. Daarover handelen haar romans zoals 'Een tevreden lach', 'Het jongensuur' en 'De huilende libertijn', die vanaf 1965 verschenen. Het woord 'lesbisch' gebruikte ze overigens niet, zij was 'homoseksueel'. Vrouwen waren voor haar 'mensen met een vrouwelijk lichaam'. Het liefst ging ze gekleed in herenkostuum. Op de auteursfoto van haar debuut werd op haar verzoek een snor en een baard getekend. Best gek dus dat op de omslag van de biografie een portret van de auteur als klein meisje in een jurk staat. Al trekt het meteen je blik, die androgyne Burnier als verwonderd, schattig meisje.

Burniers belangstellingssfeer was veel breder dan de leerstoel Criminologie die ze van 1973 tot 1988 aan de katholieke universiteit in Nijmegen bekleedde. Ze begon haar wetenschappelijke opleiding met medicijnen en filosofie, maar over de Griekse oudheid (Plato), Freud, Jung, de Europese literatuur, Van Gogh, het boeddhisme, de bètavakken en esoterie bouwde ze ook veel kennis op. Op een van haar onderduikadressen en via Willem Zeylmans van Emmichoven, die tien jaar haar schoonvader was, kwam ze in aanraking met de antroposofie. Zij omschreef zichzelf als 'een spirituele zoeker en werker in de mensheid'. "Ik probeer in dit leven in contact te komen, of te blijven, met het Onbenoembare."

In de jaren zestig was Burnier een militante feminist, die de achtergestelde positie van vrouwen onderbouwd aan de kaak stelde. Ze muntte de term seksefascisme. Toch bleef ze, toen de tweede feministische golf opkwam, op afstand. Feministen leden in haar perceptie aan ideeënarmoede en projecteerden hun problemen op mannen, het kapitalisme of 'de structuren', en dat stond haar tegen. Bovendien was ze bang voor massabewegingen. Liever verkeerde ze in het gezelschap van jongens. Jarenlang voerde ze de Platoclub aan, een groep van veelbelovende denkers onder wie schrijver Oek de Jong en criminoloog Chris Rutenfrans, met wie ze filosofische teksten besprak.

De Platoclub beviel haar stukken beter dan de leesclub met alleen vrouwen 'In liefde bloeyende' die ze in 1985 begon en die ze snel weer staakte: te weinig discipline, te veel onderling gedoe.

De biograaf bouwt haar boeiende verhaal op uit soms lange citaten, die hier en daar pareltjes bevatten, zoals dat van Maarten 't Hart die meldt dat hij altijd de deur voor de collega-auteur openhield als hij haar bij de groentewinkel tegenkwam, alleen maar om haar feministische pleidooien te ontkrachten en de attente man te zijn. Ook maakt Lockhorn gebruik van andere bronnen om haar betoog te

ondersteunen. Soms is haar bewijslast wat dun, bijvoorbeeld als ze suggereert dat Burniers reden om nooit een geslachtsveranderende operatie te ondergaan dezelfde is als die waarom Maxim Februari hier pas laat in zijn leven voor koos, namelijk omdat zijn familie het moeilijk had gehad in de oorlog.

Van het privéleven van Burnier komt de lezer soms iets te weinig te weten. Er is beperkt zicht op de band met haar ouders, haar broer en die met haar kinderen na de scheiding. Op een gegeven moment worden zij in een pleeggezin geplaatst. Zagen ze elkaar nog wel? Ook wordt niet duidelijk waarom vriendin Paul Franssen na zeventien jaar bij Burnier weggaat.

Het meest ontroerende deel van de biografie betreft Burniers keuze om rond haar 58ste het joodse geloof toe te laten in haar leven. Ze gaf het verzet op tegen de angst en de pijn van het verlies van familieleden en klasgenoten die haar Joodse afkomst haar decennialang had bezorgd. Fascinerend om te lezen hoe de stappen ernaartoe verlopen: eerst heeft ze een voorspellende droom, dan maakt ze twee joodse begrafenissen mee, waarbij ze zich zeer aangesproken voelt door de rituelen. Ten slotte besluit ze om Dachau te bezoeken. Een mentaal loodzware opgave, maar ze voelt het als een noodzakelijke reis. Het sluitstuk is haar lidmaatschap van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam, waar ze in sneltreinvaart haar joodse kennis bijspijkert. Ze leert Hebreeuws, verdiept zich in de kabbala en de joodse gebruiken en bezoekt wekelijks de sjoeldiensten. Voor haar kwam in het jodendom alles bij elkaar: haar zoektocht naar wijsgerige theorieën, de geschiedenis, de mystiek, de religie.

Burnier was altijd een toeschouwer gebleven van de bewegingen waarmee ze zich identificeerde, maar van de joodse gemeenschap maakte ze volledig deel uit.

Elisabeth Lockhorn: Andreas Burnier. Metselaar van de wereld Atlas Contact; 541 blz. euro 29,99

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden