Liever dienstbaar bouwen dan wéér een megaproject

Grootschalige projecten leveren de regio weinig op en kosten maatschappelijk veel. Tijd om afscheid te nemen van deze generatie hoogvliegers.

Het besluit van Provinciale Staten van Overijssel om verdere ontwikkeling van een regionaal vliegveld in Twente tegen te houden zou wel eens een waterscheiding kunnen zijn in de ruimtelijke ordening zoals we die de afgelopen twintig tot vijftien jaar hebben gekend. Sterker nog, het is te hopen dat het een keerpunt is in de ruimtelijke ordening.

De crisis heeft namelijk pijnlijk duidelijk gemaakt dat Nederland de afgelopen vijftien jaar op gemeentelijk niveau is ’geleid’ door een kaste van bestuurders voor wie het allemaal niet op kon. ’Groot denken’ was de norm. En zo kon het gebeuren dat eigenlijk iedere grote, ’zichzelf respecterende’ stad grote ruimtelijke projecten startte.

Of het nu een Zuidas of een Noord-Zuid lijn in Amsterdam is, een stationsproject en een Rijnboog in Arnhem, een shopping mall in Tilburg, een pier in Den Haag, of een geheel nieuwe binnenstad in Almelo. Het kon allemaal niet op. Bijna iedere stad kent wel zijn miljardenprojecten in de vorm van stadions, theaters en binnenstedelijke herstructureringen waar het geld van de burger met bakken in vloeit, maar waarvan het economisch rendement zeer twijfelachtig is.

Het eerste probleem dat zich nu pijnlijk manifesteert is van zeer fundamentele aard en dat is het misverstand dat het neerzetten van gebouwen –of dat nu gebeurt door een gemeente of door een projectontwikkelaar– iets bijdraagt aan de regionale economie. Los van de economische crisis hoort het bij iedere bestuurder eigenlijk scherp op het netvlies te staan dat projectontwikkeling niets creëert c.q. projectontwikkelaars niets creëren. Zij zetten panden neer voor bedrijven die producten maken.

Deze panden zijn een leuk doosje voor wat tegenwoordig heet ’de reële economie’. Je kan met geleend geld van de bank wel een pandje neerzetten, maar dat betekent economisch gezien niets, er moet namelijk ’iets’ in komen. En dat ’iets’, dat is juist waar het in de reële economie om draait. Dat zijn bedrijven die iets maken, of iets van waarde toevoegen.

Op deze reële economie en wat voor investeringen die vraagt, daar hebben zowel projectontwikkelaars, bestuurders als de banken geen zicht meer op, verblind als zij waren door het vastgoed dat de afgelopen jaren vanzelf wel volliep.

In hun beeld is de wereld omgedraaid; het is alsof de gebouwen de economie de impuls geven. Maar nu de vraag wegblijft, blijkt het neerzetten van een gebouw geen garantie om d economie een impuls te geven. Kennis en opleidingen zijn dat bijvoorbeeld wel, maar dat is binnen een gemeente geen ’economisch beleid’.

Het tweede probleem betreft de enorme maatschappelijke kosten van deze grootschalige projecten. Het is vooral wat dit betreft zeer belangrijk dat wij afscheid nemen van deze generatie ’hoogvliegers’. De projecten die nu lopen of in de pijplijn zitten kosten de samenleving meer dan de redding van de banken. Want natuurlijk moet de belastingbetaler opdraaien voor alle schulden die ontstaan door bewust te laag ingeschatte projecten als de Noord-Zuid lijn.

Het wordt tijd voor een calvinistische ruimtelijke ordening: sober, duurzaam, doelmatig, gericht op herstel van kwijnende wijken en bedrijventerreinen met kleine goed gerichte maatregelen. Met gemeenten als strenge toezichthouder, bouwbedrijven in plaats van projectontwikkelaars, met dienstbare banken.

En vooral ook weer met woningcorporaties als sobere partners, die worden geleid door mensen met goedkope pakken en schoenen met spekzolen, die zich niet gedragen als verkapte projectontwikkelaars zoals wij ze hier in Arnhem laatst in de wijk hadden, waar ze oude mensjes uit huurwoningen jagen om dure koopwoningen neer te zetten. De ouderen woonden namelijk wel erg mooi aan een bosrand en zo’n locatie gun je toch vooral drie keer modaal.

Het is daarbij goed dat de provincies weer meer hun oude rol als toezichthouder gaan vervullen. Te veel hebben zij meeontwikkeld. Wat dat betreft is natuurlijk ook duidelijk geworden dat de sloop van het oude bouwwerk van de ruimtelijke ordening door minster Dekker desastreus is geweest voor de onderlinge verhoudingen tussen overheden.

En het adagium ’decentraal wat kan en centraal wat moet’ was alleen maar bedoeld om op lokaal niveau een hadjememaar cultuur te ondersteunen, waarbij gemeentelijke bestuurders de vrije hand kregen om zich uit te leven op kosten van de burger, dromend boven maquettes vol luchtkastelen.

De crisis werkt gelukkig helend, niet alleen in de vrije markt, ook in het openbaar bestuur. De hoofdcommissarissen zijn al voorgegaan en zitten aan een broodje kaas. Nu de gemeentelijke bestuurders nog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden