Lieve Joris in Congo: hangen en meegaan en op het goede moment aanwezig zijn.

door Sybilla Claus

De Congolezen steken met armen en benen uit het nieuwste boek van Lieve Joris. Met dit soort beeldend taalgebruik maakt ze duidelijk dat Congo voor haar uit mensen bestaat, niet uit cijfers. „Ze bellen, komen langs en blijven me informatie geven”, zegt Joris over ’Het uur van de rebellen’. Het is alweer haar derde boek over Congo. Van ’Dans van de luipaard’ werden er sinds 2001 45.000 verkocht.

Neemt de schrijfster geen risico door weer over de puinhoop Congo te beginnen? Interesseert het de lezers nog, die diverse rebellengroepen, dat volk dat zich laat uitmoorden zonder tot inzicht en actie voor het algemeen belang te komen?

„Zo kan ik niet denken”, antwoordt Lieve Joris (53) in haar appartement in Amsterdam, met aan de muur een vergeelde schoolkaart van Congo. „Ik zie iets; dat wil ik dan volgen, omdat ik er iets van kan leren. Mijn boek over Hongarije heeft minder verkocht dan mijn andere boeken, maar ik heb er wel de Roland Holstprijs mee gewonnen. Waarom zou ik me dan zorgen maken?” Misschien over de financiën? Joris werkte vijf jaar aan dit boek, en maandenlang logeerde ze bij Congolezen thuis. „Het was soms moeilijk, ja. Maar ik heb geen auto, geen kinderen. Ik ben geen big spender.” Lachend doet ze voor hoe haar vriend Marek zijn hoofd om de deur van haar werkkamer stak en zei: „En als het nou níet lukt de hypotheek voor de aankoop van dit huis rond te krijgen?”

De hoofdpersoon van ’Het uur van de rebellen’ is Assani, die opklimt van herdersjongen tot generaal van het nationale leger. Omdat zijn voorouders ooit uit Rwanda naar Congo migreerden, en de lange Tutsi door zijn landgenoten niet als Congolees wordt gezien, sluit hij zich aan bij het Rwandees Patriottisch Front en wordt voor landverrader versleten. Joris slaagt erin Assani zo dichtbij te halen dat via hem de talloze conflicten in de regio begrijpelijk worden. „Qua aanpak en research lijkt het op ’Mali Blues’ en ’De poorten van Damascus’, waar ik de achtergronden van een land ook probeer te schetsen door me intens in één personage in te leven.”

Na talloze bezoeken kent ze Congo als geen ander. Weinig schrijvers blijven één land zo lang volgen. Dit keer is ze „tot aan de grens van mijn kunnen gegaan. Ik ben trots op het geheime materiaal dat ik aan mensen die deels in de clandestiniteit leven, heb weten te ontrukken”. Een grote groep lezers reist met Lieve Joris mee, van boek tot boek. De sleutel tot haar benadering is tijd.

„Wat ik doe is vertragen, wachten. Ooit logeerde ik in Bunia in een huis vol kleine ritselaars. ’s Ochtends om halfzes stonden ze te dansen op het terras. Wat doen ze toch de hele dag, vroeg ik me af. Op een middag zag ik hen zitten voor een pakhuis. Eén van hen verkocht binnen spullen. Ik ging erbij zitten en algauw begon het leven zich voor me te ontvouwen.” Het is op zo’n moment, ze vertelt er haast euforisch over, dat ze ineens ’naar binnen’ gaat, ’hun leven begint te leiden’. Hangen en meegaan, en aanwezig zijn op het goede moment.

In 1998 zag ze voor het eerst de man die tot Assani is uitgegroeid. „Hem wilde ik volgen. Maar hij verdween. Was hij gesneuveld?” Joris begreep dat ze niet één rebel kon volgen. Toen leerde ze zijn moeder kennen, een ex-geliefde en een collega. En ze was in Goma, toen hij terugkwam van het front. Joris: „Hij zag eruit als een zombie. Kon de telefoon amper nog bedienen, verbaasde zich dat de mensen in Goma uitgingen, was erg op zijn hoede. Omdat ik hem zo goed kende, kon ik achterhalen hoe hij zich voelde.” Wat een rebel écht op zijn geweten heeft, weet niemand. Dat blijft ook in deze faction, een combinatie van feiten én fictie, vaag.

Iets anders om dichterbij te komen is: samen geschiedenis maken. „Bij mensen wier leven steeds wordt stukgeschoten; krijg je krediet als je er na de zoveelste breuk nog bent.” Vaak kent Joris iemand al voor hij doorstoot naar de top. Dankzij jaren investeren; ontbijt ze bij vice-president Ruberwa, en kon ze in 2004 de gevaarlijke hoogvlaktes bij de grens met Rwanda en Burundi in. „Je moet mensen achter je hebben die een militair telefonisch kunnen verzekeren dat je ongevaarlijk bent.”

Elkaar vertrouwen is te veel gevraagd in dit land vol paranoia. Joris werd eerst voor Belgische spion aangezien, hoofdpersoon Assani denkt dat zijn vrouw door Rwanda is ingehuurd en dat zijn beste vriend hem moet vermoorden. Dat de paranoia terecht is, blijkt als Joris wat foto’s aanwijst: „Sylvain Buki kon chefstaf worden. Maar 2,5 maand geleden kwam het schuim uit zijn mond en oren – dood; volgens geruchten vergiftigd.” Foute beleefdheid, zou Assani zeggen, die nergens iets eet, alleen gesloten flesjes water drinkt.

De roman is geslaagd, en geeft zelfs kenners veel inzicht. „Ik wil mijn kennis delen. Er trekken zoveel buitenlanders naar Congo die een paar rapporten hebben gelezen en dan rebellengroepen turven...”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden