LIEGEN MET STATISTIEK

“Het jaarverslag? Nee, dat hebben wij niet hoor, dat zal wel op de hoofdvestiging liggen. Ik heb er tenminste nog nooit van gehoord.” Maar op de Amsterdamse Deltascholengemeenschap voor IVBO en VBO, onderdeel van het Meerkant College, weet niet elke docente van alles, want directeur C. P. Dol heeft het stuk zo boven tafel. Een klein stapeltje papier, samengebonden met een paperclip. “Er staat alleen het hoognodige in, alleen wat wettelijk verplicht is”, zegt hij verontschuldigend. Geen ouder heeft ooit om het stuk gevraagd. Elk jaar wordt het braaf naar de Inspectie gestuurd en dat was dat.

Op College Blaucapel in Utrecht moet even naar het jaarverslag worden gezocht. Het ligt niet in de kluis. Zou het soms aan iemand zijn uitgeleend? Na een kleine speurtocht is het er toch: een klein stapeltje, ook hier met een paperclip. Alsof de vormgeving is voorgeschreven.

Maar zover is de wetgever in 1993 niet gegaan. Niettemin moeten scholen behoorlijk met de billen bloot in het jaarverslag. Percentages zittenblijvers, dropouts en het aantal schorsingen en verwijderingen moeten erin worden opgenomen. Daarnaast zijn overzichten verplicht van percentages geslaagden per schooltype en het gemiddeld behaalde eindexamencijfer per vak. Om er zeker van te zijn dat ouders het jaarverslag kunnen inzien als zij dat willen, schrijft de wet ook nog voor dat het stuk “in het gebouw van de school ter inzage wordt neergelegd op een voor ieder toegankelijke plaats” en moeten ouders schriftelijk van de terinzagelegging in kennis worden gesteld.

Al die voorschriften hebben er niet toe geleid dat ouders beter geïnformeerd tot een schoolkeuze komen. In 1992 wees het onderzoek 'Schoolkeuze in de gemeente Utrecht' uit dat ouders op zaken letten als de sfeer van de school, het soort leerlingen dat erop zit en de afstand van huis tot school. Slagingspercentages of aantallen dropouts speelden geen enkele rol. En dat is nog steeds zo, zegt H. B. Wijnholds, directeur van basisschool Boemerang in de achterstandswijk Ondiep. “Ouders kiezen voor een school die dichtbij is en waarover ze goede verhalen hebben gehoord. Maar dat is in wijken met hoogopgeleide ouders misschien anders.”

Daar ziet het niet naar uit. W. Keunings, directeur van basisschool De Regenboog in het chique Tuindorp, zegt dat ouders met kinderen op zijn school evenzeer letten op zaken als afstand en goede naam. Maar in tegenstelling tot Ondiep komt dat niet voort uit gebrek aan belangstelling voor prestatiegegevens. “Als ouders zouden weten dat die gegevens in openbare jaarverslagen staan, zouden ze daar zeker naar vragen”, denkt Keuning. “Ik merk dat ouders belangstelling hebben voor dat soort informatie. Ze vragen ook aan mij naar welk schooltype de leerlingen van deze school vooral doorstromen. En ik ken verhalen van ouders wier kind van school werd gestuurd terwijl ze nooit aan die mogelijkheid hadden gedacht. Als ze op de hoogte waren geweest van de dropoutcijfers van die school, dan hadden ze daar misschien wel rekening mee gehouden.”

De gemeente Utrecht gaat er prat op ouders gedegen te begeleiden bij de schoolkeuze. Er zijn afspraken gemaakt met de scholen, zodat het proces in de stad uniform verloopt. Alle ouders met kinderen in groep acht van de basisschool krijgen in september een uitnodiging voor een ouderavond, waarop wordt uitgelegd wat er de rest van het jaar op het terrein van schoolkeuze staat te gebeuren. De ouders ontvangen een brochure met informatie over alle Utrechtse scholen voor voortgezet onderwijs. Daarin staan globale gegevens, zoals de schooltijden, de aanwezige schooltypen en bijzondere onderwijskundige aspecten.

In de herfst werken de leerlingen een lespakket over schoolkeuze af. Vervolgens is er in januari een scholeninformatiemarkt, waar de Utrechtse scholen voor voortgezet onderwijs zich presenteren. De leerlingen krijgen lijstjes mee met voorbeelden van vragen die zij de scholen kunnen stellen. In februari houden de scholen open middagen en kunnen leerlingen proeflessen bijwonen. Tenslotte is er in maart de Citotoets, waarna de definitieve schoolkeuze volgt.

Zelfs in een stad waar de schoolkeuze serieus is aangepakt, worden prestatiegegevens ver van ouders gehouden. “Scholen zijn erop tegen om die cijfers openbaar te maken, omdat ze vrezen dat ouders dan alleen nog op cijfers letten”, zegt een woordvoerder van het School Advies Centrum dat het Utrechtse schoolkeuzeproces begeleidt. P. Hermelink, directeur van College De Klop voor mavo, havo en VWO in de wijk Overvecht, blijkt een genuanceerdere mening toegedaan. “Ik heb geen bezwaar tegen het openbaar maken van prestatiegegevens, maar dan moeten ze wel eenduidig zijn. En daar heb ik mijn twijfels over. Slagingspercentages zeggen op zichzelf niet zoveel over een school. Sommige scholen zijn sterk selectief voor de toegang tot de examenklas. Daardoor krijgen ze hoge slagingspercentages, maar blijven er wel veel leerlingen in het voorafgaande jaar zitten.”

Daar heeft de overheid echter rekening mee gehouden, gezien de wettelijke voorschriften over de inrichting van het jaarverslag. Zittenblijf- en dropoutcijfers zijn verplicht, dus ouders kunnen zich ook over de achtergrond van de slagingspercentages informeren. Maar dat combineren van gegevens is voor veel ouders te ingewikkeld, vreest Hermelink. Anderzijds verwacht hij dat de meeste ouders verstandig genoeg zijn om op verschillende aspecten van een school te letten bij de schoolkeuze, ook al beschikken ze over slagingspercentages. “Het pedagogisch klimaat en de naam van de school blijven het belangrijkst.” Ouders die hem om slagingspercentages vragen, krijgen die dan ook meteen, zegt hij.

Begin augustus stuurde staatssecretaris Netelenbos een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer om een volgende stap te kunnen zetten op weg naar openheid over kwaliteitsgegevens van scholen. Vanaf 1999 worden scholen verplicht een schoolgids te maken. De inhoud is gedeeltelijk voorgeschreven. Een groot deel van de cijfermatige gegevens die nu in het jaarverslag staan, moeten erin worden opgenomen. Omdat de schoolgids naar alle ouders moet worden gestuurd, is het zeker dat de schoolresulaten bij hen terechtkomen.

Met het verplicht worden van de schoolgids verdwijnt het jaarverslag, zo is de bedoeling. Dat betekent een verlies, want in het jaarverslag moeten scholen openlijker zijn over hun prestaties dan in de schoolgids. Zo hoeven scholen straks niet meer te melden wat het gemiddelde examencijfer per vak is. Ook van het aantal schorsingen en verwijderingen blijft de buitenwereld na 1999 onkundig.

Uit toelichting bij het wetsvoorstel voor een schoolgids blijkt waarom staatssecretaris Netelenbos de openheid over schoolresultaten aan banden legt. De Onderwijsraad heeft zich negatief uitgelaten over de openbaarheid van welke kwantitatieve gegevens van scholen dan ook. De raad vindt dat schoolresultaten een scheef beeld geven van de kwaliteit van een school, omdat die geen rekening houden met de achtergrond van leerlingen. Zo is het voor scholen in achterstandswijken veel moeilijker om hoge slagingspercentages te krijgen dan voor een school in een buurt met veel hoger opgeleide ouders, ook al gaan leerlingen met slechtere prestaties vaak naar lagere schoolsoorten.

Dat argument is veel gehoord in kringen van onderwijssociologen, waartoe ook de de voorzitter van de Onderwijsraad, prof. dr. Leune, behoort. Er is dan ook veel onderzoek naar gedaan. In 1987 publiceerde J. Roeleveld het onderzoek 'Verschillen in resultaten tussen Nederlandse scholen voor voortgezet onderwijs'. Uit de gegevens van 37 000 leerlingen maakte hij op dat scholen van hetzelfde schooltype grote verschillen vertonen als het gaat om dropout, zittenblijven, doorstroom naar hogere of juist lagere schooltypen en in slagingspercentages. Die verschillen worden beïnvloed door de sociale achtergrond van leerlingen. Als er ook rekening worden gehouden met het advies van de basisschool, de score van de leerlingen op de Citotoets en met de sexe van de leerling (meisjes presteren beter dan jongens), blijkt dat de school niet volledig, maar voor slechts tien procent verantwoordelijk is voor de resultaten van leerlingen. De Onderwijsinspectie houdt het zelfs op vijfentwintig procent.

Dat is niet overdreven veel, maar de verschillen tussen scholen zijn zo groot, dat de verantwoordelijkheid van de school niet moet worden uitgepoetst. Zo vond Roeleveld flink wat mavo's met een slaagpercentage dat niet hoger lag dan 33. Daarentegen was er ook een groot aantal mavo-scholen met negentig procent of meer geslaagden. Soortgelijke verschillen trof hij aan bij de cijfers over zittenblijvers en dropouts.

De Onderwijsinspectie wijst al jaren op de grote verschillen tussen scholen. Die zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op de kwaliteit van het onderwijskundig management van de schoolleiding en van de organisatie in de klas. Nu het voortgezet onderwijs al enige tijd in beweging is door fusies, grotere financiële zelfstandigheid, de invoering van de basisvorming in de laagste klassen, het studiehuis in de hoogste klassen van havo en VWO en de leerwegen in de hogere klassen van VBO en mavo, is er grote druk op beide typen management ontstaan. Dat vertaalt zich over het geheel genomen echter niet in slechtere presaties van leerlingen, aldus de inspectie.

De wetenschap dat scholen geringe invloed hebben op de prestaties van leerlingen maakt de onderwijssocioloog J. Dronkers van de Universiteit van Amsterdam, bij wie Roeleveld in 1994 promoveerde, tot fervent tegenstander van het publiceren van wat hij 'ruwe prestatiegegevens' noemt. “Wat de overheid met de schoolgids van scholen verlangt, is liegen met statistiek”, zegt hij. “Het komt neer op pure volksverlakkerij.” Dronkers wijst naar Engeland, waar de onderwijsinspectie sinds kort de prestatiegegevens van scholen publiceert. Enkele scholen zijn daarop met een daling van het leerlingenaantal geconfronteerd.

Nu is de Britse situatie niet goed met de Nederlandse te vergelijken. De verschillen tussen scholen zijn daar groter dan in Nederland, omdat ze verschillend worden bekostigd. Scholen in arme regio's hebben minder geld dan scholen in rijke gebieden. Het aandeel van de school zelf in de prestaties van de leerlingen is dus veel groter dan de Nederlandse tien procent.

Dat slagings-, zittenblijf- en dropoutpercentages niets meer of minder zijn dan hulpmiddelen bij schoolkeuze, lijken de scholen beter begrepen te hebben dan sommige onderwijssociologen of de Onderwijsraad. Zeker nu ze zo langzaam maar zeker aan het idee van een openbare schoolgids zijn gewend, is het vertrouwen in het oordeelvermogen van ouders groot. Zelfs bij scholen met veel kinderen uit achterstandsbuurten, zoals de Deltascholengemeenschap voor IVBO en VBO in Amsterdam. Directeur Dol: “Als ouders heel veel waarde zouden hechten aan slagingspercentages, zouden ze nu wel om het jaarverslag vragen. Maar dat doen ze niet. Ze kijken bij schoolkeuze naar veel meer zaken. Ik verwacht daarin geen cultuuromslag.”

Staatssecretaris Netelenbos: 'Dit is een revolutie'

Staatssecretaris Netelenbos had de manier waarop schoolresultaten openbaar worden gemaakt, graag zelf geregisseerd. “Mijn zorg is dat de resultaten van individuele scholen naar buiten komen, zonder dat er iets over de achtergrond van die scholen wordt gezegd.”

De rechter heeft besloten dat de Onderwijsinspectie Trouw de prestatiegegevens van alle scholen moet overhandigen. Dat had de staatssecretaris liever anders gezien, maar ze is natuurlijk niet tegen openbaarheid op zich. Ze is alleen bang voor verkeerde beeldvorming. “Een school in een achterstandsbuurt, zoals de Haagse Schilderswijk, heeft een moeilijke taak. De leerlingen hebben soms een leerachterstand van wel twee jaar. De slaagpercentages zullen daar dus niet zo hoog zijn als op andere scholen. Terwijl het een heel goede school kan zijn.”

Netelenbos is zelfs voorstander van openheid: “Scholen moeten ouders goed informeren over hun resultaten. Vandaar ook dat de scholen een jaarverslag moeten maken en er straks schoolgidsen komen. De kwaliteit van het onderwijs moet voor ouders inzichtelijk zijn. Hoezeer dat nodig is, blijkt uit de uitspraak van de rechter.”

De kwaliteit van een school draait om meer dan schoolprestaties alleen, vindt Netelenbos. Dat spreekt niemand tegen, maar ze is bang dat door het publiceren van ranglijstjes het verband slaagpercentage - kwaliteit toch wordt gelegd. Vandaar het idee om in stappen aan de openheid van schoolresultaten te werken. “Dan is het een soort evolutie. De uitspraak van de rechter betekent een revolutie.”

De voorzichtigheid van Netelenbos is onder meer ingegeven door ervaringen in Engeland, waar de schoolprestaties al enige jaren worden gepubliceerd. Op sommige slecht scorende scholen heeft de demotivatie toegeslagen. Dat dit in Nederland wel eens mee zou kunnen vallen omdat de verschillen tussen scholen hier kleiner zijn, gelooft ze niet. “Er zijn hier ook verschillen. Daarom is het zo belangrijk de cijfers in hun context te plaatsen.”

Of de scholen in staat zullen zijn in een schoolgids de achtergronden van de school te schetsen, is de vraag. Het gaat om ingewikkelde zaken, zoals het type wijk waarin de school staat, de schoolbevolking en de pedagogische aanpak van het onderwijs. Netelenbos heeft experimentele exemplaren gezien. “Daar zaten goede bij.”

Ondanks alle zorgen over wat derden met de inspectiegegevens kunnen doen, heeft Netelenbos zich niet tot het uiterste tegen het vrijgeven ervan verzet. Nog voor Trouw naar de rechter stapte, kreeg de krant van het ministerie van onderwijs de aantallen examenkandidaten en geslaagden van elke school, uitgesplitst naar nationaliteit. Op het departement worden deze gegevens gebruikt voor de bekostiging van scholen. Voor de gegevens van de inspectie, dat zijn de zittenblijfpercentages, uitvalpercentages en de gemiddelde cijfers voor de examenvakken, moest Trouw echter naar de rechter. De vertrouwensrelatie met de scholen was immers in het geding. Toen de rechter besloot dat alles moest worden vrijgegeven, ging de staatssecretaris niet in hoger beroep. Alsof de gang naar de rechter vooral een gebaar naar de scholen is geweest. Netelenbos: “We hebben de uitspraak van de rechter bestudeerd en vervolgens besloten dat we niet in hoger beroep zouden gaan. Daar zit niets achter.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden