LIEFST LEVENSLANG LERNEN

Matiging van geloofsovertuigingen, de humaan-wetenschappelijke scholing van velen en een zekere neiging tot bescheiden agnosticisme maken het contact tussen Joden en christenen tegenwoordig gemakkelijker dan het sinds de tijd van Jezus' optreden ooit is geweest. “Maar wat hun gebruiken, hun mentaliteit, hun sfeer en hun mens- en wereldbeeld betreft, zijn deze twee wereldreligies in de afgelopen millennia uitermate ver uit elkaar gegroeid.” De schrijfster Andreas Burnier over Joden en christenen in een agnostische tijd.

ANDREAS BURNIER

De termen 'jodendom' en 'judaïsme' kwamen pas heel laat in zwang, namelijk in de loop van de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Daarvóór sprak men alleen maar over 'de Joden' of over 'het joodse volk'. In het klassieke Hebreeuws ontbrak ten enen male een term voor het huidige begrip 'judaïsme', en eigenlijk is er in het Hebreeuws zelfs geen equivalent te vinden voor ons moderne, westerse concept 'religie'.

De spontane associaties die wij, westerlingen, met het begrip religie hebben, zijn sterk gekleurd door het christendom. Bij 'religie' denken wij meestal aan 'geloof', liefst in een gepersonaliseerde God en aan een systeem van theologische opvattingen, uitspraken en normen, gecanoniseerd in een zekere dogmatiek. Verder associëren wij met het begrip 'religie' waarschijnlijk een hiërarchisch systeem van priesters of andere geestelijken en een door hen via kerken geleide 'kudde'.

Als iemand u vertelt dat zij of hij godsdienstig of religieus is, dan zijn voor ons westerlingen voor de hand liggende vragen: 'O, ben je gelovig?' Of: 'Ga je regelmatig naar de kerk?'

Wanneer iemand echter zegt dat zij of hij joods is, zijn dit soort associaties en vragen doorgaans misplaatst. Veruit de meeste Joden die op dit moment op de aarde leven, zijn niet godsdienstig in de hierboven genoemde zin. Ook als zij zichzelf 'honderd procent Jood' noemen, betekent dat nog niet dat zij bij een van de huidige joods-religieuze stromingen actief zijn betrokken. Van het toch al zeer klein geworden aantal Joden op de gehele wereld is hoogstens een kwart of een derde op enigerlei wijze religieus in het jodendom geïnvolveerd.

VAN MIDDELEEUWS NAAR MODERN JODENDOM

De Napoleontische wetgeving - eind achttiende, begin negentiende eeuw - leidde ertoe dat de sociale en politieke emancipatie van de meeste Europese Joden tegen het eind van de vorige eeuw min of meer was voltooid.

Joden in de christelijke wereld (afgezien van Oost-Europa) zijn, nu ongeveer honderd jaar geleden, gewone staatsburgers geworden van het land waarin zij wonen. Zij heten sinds de Napoleontische tijd: Fransen, Duitsers, Nederlanders, Amerikanen, enzovoort, 'van joodse afkomst' en eventueel 'van het joodse geloof'.

Door de sociaal en politiek buitengewoon ingrijpende veranderingen ten tijde van de joodse emancipatie ontstond de noodzaak voor het jodendom zichzelf veel meer dan voorheen als een specifieke godsdienst te gaan definiëren. Zolang Joden een eigen, afgezonderd levend volk waren geweest was een eenzijdige nadruk op hun religie niet nodig en ook niet gebruikelijk, al leefde het merendeel van de Joden tot ver in de negentiende eeuw nog wel volgens de joodse religieuze traditie. Maar vanaf het moment dat de westerse Joden volledig toegang kregen tot de hen omringende cultuur - die destijds nog geheel werd gedomineerd door de christelijke godsdienst en ideeënwereld - werd van hen een expliciete zelf-definiëring juist ook in religieus opzicht verwacht. In de negentiende eeuw en later ontstaat daardoor een nieuwe waaier van joods-religieuze stromingen, zoals liberalisme, orthodoxie, neo-orthodoxie, en dergelijke. Dit zijn uiteenlopende reacties op de joodse emancipatie, en tevens pogingen om de gevaren van assimilatie en secularisatie het hoofd te bieden. (Zij waren ook bedoeld als een tegenwicht tegen eenzijdig socialisme en zionisme.)

In iets andere woorden samengevat: van oudsher waren Joden in de eerste plaats lid van het joodse volk en in tweede instantie, doordat zij bij het volk hoorden, participanten in de joodse cultuur en de joodse religie. De eenzijdige nadruk op het godsdienstige aspect ontstond ten gevolge van hun emancipatie en onder christelijke invloed.

Een christen is, zoals bekend, iemand die een, theologisch gefundeerd, geloof aanhangt. Zo iemand koestert bepaalde voorstellingen over God, de mensen, het verloop en de betekenis van de mensheidsgeschiedenis.

Maar wat is een Jood? Een Jood is, volgens de rabbijnse traditie, iemand die is geboren uit een joodse moeder, of iemand die - na een meestal lange, moeilijke en zware procedure - is toegetreden tot de joodse gemeenschap. Het al of niet behoren tot het jodendom heeft vaak nogal ingrijpende, praktische consequenties bij een huwelijk, bij de geboorte van kinderen, bij dood en begrafenis, en sinds 1948 voor het wel of niet direct aanspraak kunnen maken op een Israëlisch paspoort en het Israëlische staatsburgerschap.

Dit is, vrees ik, niet het soort antwoord dat iemand die is opgegroeid met christelijke voorstellingen verwacht. Je krijgt er nu niet bepaald mooie, verheven religieuze gevoelens bij. Bovendien is het antwoord erg onbevredigend, want de volgende vraag luidt natuurlijk: Waarom was de moeder joods?

In het algemeen beschouwen Joden iemand die is geboren uit een joodse moeder als Jood als zij of hij geen àndere godsdienst aanhangt, én als zij of hij er blijk van geeft zich met het joodse volk te identificeren. Van mensen die 'uitkomen' als Jood, de zogenaamde gerim ('vreemdelingen' die tot het jodendom overgaan en ol ha-mitswot - 'het juk van de joodse voorschriften en opdrachten' - vrijwillig op zich willen nemen) wordt in de allereerste plaats verwacht dat zij zich met het volk verbinden. De religieuze binding en verplichtingen, hoe belangrijk ook voor de betrokkene, komen in zekere zin op de tweede plaats. In sommige gemeenten is het gebruikelijk dat de 'vreemdeling' die Jood wordt, de eerste keer dat zij of hij op sjabbat wordt 'opgeroepen voor de Tora' ten overstaan van de kehilla (de gemeente) leest uit het bijbelboek Ruth (1 : 16): 'Uw volk zal mijn volk zijn en uw God mijn God'.

In de praktijk is het zelfs zo, dat iemand die zich helemaal niet aan de joodse religieuze voorschriften en opdrachten (de mitswot) houdt - en dat is tegenwoordig het overgrote deel van de na de Sjo'ah hooguit tien of twaalf miljoen Joden in de hele wereld - daarmee niet zonder meer buiten het jodendom komt te staan. Een christen die haar of zijn geloof verliest of het geloof van haar of zijn voorouders afwijst, zal zichzelf meestal niet langer definiëren als 'rooms-katholiek', 'hervormd', 'gereformeerd', 'doopsgezind', of wat dan ook. Maar uit het jodendom kun je niet vallen, zoals je van je geloof kunt vallen. Relatief velen van de moderne, volstrekt geseculariseerde Joden blijven toch nog participeren in wat van oorsprong religieuze joodse activiteiten zijn. Zij 'doen' wekelijks iets aan de sjabbat, zij gaan naar sjoel (de synagoge) op de Hoge feestdagen Rosj HaSjana en Jom Kippoer (Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag), zij zitten aan bij de seder met Pesach (het joodse Paasfeest) en zij zeggen kaddisj voor hun overleden naaste verwanten en de slachtoffers van de Sjo'ah.

De motieven voor zulk traditioneel joods-religieus gedrag zijn soms nostalgisch, en vaak is dit nogal selectieve en incidentele religieuze gedrag bovenal een uitdrukking van piëteit jegens de voorouders. Bij andere Joden speelt een historisch-cultureel besef een rol bij wat uiterlijk bezien traditioneel joods-religieus gedrag is. Men doet vaak 'iets' aan joodse religieuze gebruiken uit behoefte aan een ritueel met historische lading, of aan een bindend element in het gezin of de groep.

De in religieus opzicht wat meer betrokken Joden, de trouwe synagoge-bezoekers, noemen dit soort mensen enigszins spottend 'draaideur-Joden', omdat zij 'erin en eruit' gaan op religieuze hoogtijdagen en bij cruciale levensmomenten, zoals geboorte, huwelijk en dood. Dit lijkt enigszins op het gedrag van afvallige katholieken en protestanten die toch nog incidenteel met kerstmis de kerk bezoeken, of die - hoewel ongelovig geworden - nog wel hun kinderen laten dopen, en die de dominee of de priester erbij roepen als zij stervende zijn. Maar een groot verschil, zelfs tussen 'draaideur-Joden' enerzijds en afvallige, atheïstisch of agnostisch geworden christenen anderzijds, blijft dat je in de kerk meestal rustig zit te luisteren, terwijl joodse religie bovenal een kwestie is van zelf en in gemeenschap met anderen, actief betrokken iets doen.

Een beetje chargerend gesteld: Joden 'geloven' niet zozeer in hun religie, maar zij 'maken' hun religie. De allerbelangrijkste dag in het jodendom is de wekelijks terugkerende sjabbat. De sjabbat wordt gezien als een voorproefje van de olam haba (de komende wereld) en 'het maken van sjabbat' als een bijdrage aan de voorbereiding van 'de messiaanse tijd'. De juiste term in dit verband is 'sjabbat maken' (niet sjabbat 'vieren', zoals christenen vaak plegen te zeggen). Ook zeg je zelf, samen met de overige leden van de joodse gemeenschap, het kaddisj der rouwenden, als een naaste familielid is overleden. In het jodendom doet niet een kerkelijke functionaris en deskundige, zoals een priester of een dominee, dat voor en namens jou. Bij het sluiten van huwelijken, het leiden van begrafenissen, het voorgaan in diensten is er evenmin sprake van sacramenten die alleen door een priester of dominee zouden kunnen worden 'toegediend'. Iedere Jood die daartoe in staat is, mag zo'n ritueel voltrekken. Om legitiem een ritueel te kunnen voltrekken, is alleen maar minjan nodig: de aanwezigheid van tien joodse volwassenen. Het gebruikelijke grapje in deze context is: 'Negen rabbijnen maken geen minjan; tien schoenmakers wel.'

Jodendom is natuurlijk ook gewoon een religie, maar wel van een heel ander type dan het christendom. Je zou, in een beeldspraak, kunnen zeggen dat 'christendom' een term is die verwijst naar een cirkel met een middelpunt: het christelijk geloof. Jodendom daarentegen is als een ellips met twee brandpunten: volk en religie. En iedere individuele Jood bevindt zich ergens op die ellips, emotioneel dichter bij het ene of het andere brandpunt of toevallig precies even ver van beide verwijderd. (De som van de afstanden tot beide brandpunten blijft wel altijd even groot.)

Het religieuze brandpunt staat in het jodendom bovendien niet voor 'geloof' in theologische dogma's, maar verwijst a) naar kennis, verworven door het liefst levenslang lernen van Tora, Talmoed en overige joodse geschriften, en b) naar het zo goed mogelijk vervullen van de mitswot: de religieuze voorschriften en opdrachten.

Het christendom hecht in het algemeen veel waarde aan het argeloos en onwetend zijn als een kind en het op gezag geloven. In het religieuze jodendom daarentegen is lernen een sacrale bezigheid, en misschien wel de belangrijkste van de talloze religieuze voorschriften. Daarbij wordt veel waarde gehecht aan een eigen kritische inbreng.

Als Joden van andere Joden zeggen dat zij 'heel vroom' zijn, betekent dat dan ook iets totaal anders dan in het christendom. 'Vroom' wordt in het jodendom iemand genoemd die systematisch lernt en die ernaar streeft zich zoveel mogelijk aan de overige mitswot te houden.

HET ONTSTAAN EN DE VROEGSTE STADIA VAN HET CHRISTENDOM

Het christendom is, zoals bekend, ongeveer tweeduizend jaar geleden ontstaan in de zeer woelige tijd dat het joodse volk leefde onder Romeinse bezetting. Aanvankelijk waren de volgelingen van Johannes de Doper en van Jezus niets anders dan joodse leden van een van de talloze joodse sekten uit die tijd die zich groepeerden rond een charismatische rabbi, en die het spoedige einde der tijden verwachtten. De hoop op een messias, die het joodse volk van het zware Romeinse juk zou verlossen, was algemeen. Een eschatologische stemming (de aardse wantoestanden zouden weldra voorbij zijn; de slechten zouden hun gerechte straf krijgen en de goeden hun terechte beloning voor het doorstane onrecht en leed) heerste alom.

Van de waaier van joodse stromingen uit de periode van het ontstaan van de Jezus-beweging (waaruit pas veel later het christendom zou ontstaan, zoals wij dat nu kennen) noem ik hier kort:

- de Phariseeërs: democratisch gezinde Tora-geleerden, religieuze leiders, maar geen priesters, met veel aanhang onder het volk; zij zijn het begin van het rabbijnse, jodendom.

- de Sadduceeërs: een kleine elite-groep, met zowel koninklijke, als priesterlijke als algemeen politieke invloed. Zíj collaboreerden enigszins met de Romeinse bezetters.

- de Samaritanen: een groep, ontstaan na de verwoesting van het noordelijke rijk in de achtste eeuw voor de jaartelling.

- de Essenen: een religieuze commune, zoals die verder niet in het jodendom voorkomt. Zij leefden bij voorkeur celibatair, waren gekant tegen de tempeloffers, waren pacifistisch, en zonderden zich af op verlaten plekken, ver van de algemene samenleving.

- de Qumran-sekte: ook een kloosterachtige orde, mystiek georiënteerd, met een apocalyptische visie. Hun messianistische verwachting lijkt echter niet op die van de latere christenen. De Qumran-leden waren juist sterk gericht op de Tempel en de traditionele joodse priesterkaste en leerden apodictisch (op gezag), in tegenstelling tot de Phariseeërs, wier leer van open discussies uitging en uiteenlopende opvattingen toeliet.

- de Zeloten: een activistische, messianistische vleugel van de Phariseeërs.

- de Chassidim: een mystieke, piëtistische vleugel van de Phariseeërs (niet te verwarren met de Oosteuropese Chassidim uit de achttiende eeuw en later).

- de diaspora-Joden van Babylonië: Van de circa zeven miljoen Joden in de eerste eeuw, woonde ongeveer de helft buiten Erets Jisra'el, of zoals de Romeinse bezetters het noemden: Palestina. De vaak welvarende en zeer geleerde Babylonische Joden ontwikkelden de Talmoed in grote academies van wereldfaam.

- de diaspora-Joden van Egypte: een eveneens welvarende en vaak zeer ontwikkelde gemeenschap. De Joden in Egypte stonden sterk onder invloed van de laat-Griekse ('hellenistische') cultuur en zij legden kiemen voor het jodendom als een wereldreligie. Zij hadden veel uitwisseling met Platonische en Aristotelische filosofie, met gnosticisme, en met oosterse leringen en mystiek. In Alexandrië ontstond de Septuagint: de Hebreeuwse bijbel in Griekse vertaling.

- de overige diaspora-gemeenschappen: in Syrië, in Rome en in Ethiopië waren eveneens geleidelijk joodse gemeenschappen ontstaan. Onder invloed van de hen omringende culturen ontwikkelden zij vaak eigen visies en afwijkende liturgische gebruiken.

Samen met de latere christenen vormen dit al meer dan tien onderscheiden groeperingen, waarvan sommige krachtig met elkaar overhoop lagen, zoals de democratisch gezinde Phariseeërs met de elitaire en soms collaborerende Sadduceeërs, of de zeer strijdlustige, anti-Romeinse Zeloten met de pacifistische Essenen of de devote Chassidim.

VAN JEZUS NAAR CHRISTUS

De 'Jezus-beweging', die later het uitgangspunt werd van het wereld-christendom, onderscheidde zich aanvankelijk niet van het overige, uiterst diverse jodendom van die tijd. Het optreden van Jezus als rondtrekkende religieuze leraar, zijn citeren van teksten uit Tenach (bij voorbeeld: 'Gij zult uw naaste liefhebben als uzelve', uit Leviticus 19 : 18), zijn radicale, maar humane ethische opvattingen, en zijn didactische gebruik van parabels lijken in hoge mate op de methoden van de Phariseeërs.

Jezus' grote nadruk op inkeer, de vergeving van zonden en de nabijheid van het koninkrijk Gods lijken bovenal op de opvattingen van de Qumran-secte. Zijn pacifisme deelt hij met, onder anderen, de Essenen. VERVOLG OP PAGINA 16

VERVOLG VAN PAGINA 15 Zeker had Jezus geen andere hervormingen in de zin ten aanzien van de voor Joden essentiële leefregels en voorschriften (de mitswot) dan die al door de Phariseeërs waren verkondigd, zoals bij voorbeeld: 'De sjabbat is gemaakt voor de mens, niet de mens voor de sjabbat.' Ook op het in het jodendom zo belangrijke punt van rituele reinheid onderscheidde hij zich niet van de Phariseeërs.

Het verschil tussen de Jezus-beweging en de vele andere messianistische joodse groeperingen uit die tijd, was dat zijn groep niet uiteenviel na zijn dood. Duizenden Joden die door de Romeinse bezetters als 'oproerkraaiers' werden gezien, werden in deze periode door hen gekruisigd. De joodse bevolking zag de gekruisigde opstandelingen in het algemeen als martelaren. Maar het voortbestaan van een groep volgelingen was in de praktijk meestal onmogelijk. Bij Jezus echter bleek het geloof in zijn wederopstanding uit de dood een bron van blijvende inspiratie.

Overigens werd Jezus, ongeacht die wederopstanding uit de dood, aanvankelijk nog niet als een goddelijk wezen gezien. De gedachte dat een mens 'God' zou kunnen zijn, of omgekeerd, dat God in een mensengedaante zou kunnen verschijnen, is in tegenspraak met het joodse mens- en wereldbeeld. In het jodendom gold en geldt: God is Eén, God is zuiver geestelijk, God heeft geen voor mensen zichtbare vorm of gestalte. De aanbidding van een mens, als ware zij of hij God, is in het jodendom de grootst denkbare blasfemie. De gedachte dat God tot op zekere hoogte mensen kan inspireren (zoals in het geval van de aartsvaders of de grote profeten) is acceptabel. Maar dat God, de Eeuwige, de Schepper en Instandhouder van het Al, de menselijke gedaante van een joodse man zou aannemen, is voor het religieuze jodendom buiten alle proporties.

Volgens Gamaliel, de toenmalige leider van de Phariseeërs, was het geloof van een kleine minderheid der Joden in de wederopstanding van Jezus nog toelaatbaar. Pas met de vergoddelijking van Jezus door zijn latere volgelingen, met name Paulus, ontstaat er een onoverbrugbare kloof tussen jodendom en wat dan (paulinisch; hellenistisch) christendom gaat worden. Zolang dat nog niet was ontstaan, bleven de 'Nazareeërs' gewoon één onderdeel van het bont geschakeerde joodse volk. Zij namen deel aan de Tempel-rituelen, erkenden de priesterkaste, zij bezochten vrijelijk de joodse leerhuizen (synagoges) en zij hadden (nog) geen eigen priesters, hoewel zij soms aparte bijeenkomsten hielden.

Het christendom werd pas een nadrukkelijk onjoodse en al snel zelfs zeer anti-joodse, zelfstandige religie, toen de leer van Jezus als een goddelijk wezen de overhand ging krijgen, en de overtuiging dat iemands geestelijke redding afhing van het geloof in zijn 'offerdood'. Vanaf dat moment was de kloof tussen het christendom, dat na enkele eeuwen van Romeinse vervolging zelf de staatsreligie werd en het voortaan tempelloze, rabbijnse jodendom onoverbrugbaar geworden.

In de eeuwen rond het begin van de gewone jaartelling stelden de Joden de Mishna en de Gemara (samen vormen zij de Talmoed) op schrift, en honderden overige rabbijnse commentaren, verhalen en bespiegelingen, die de basis werden voor een ingrijpend vernieuwd, in zekere zin totaal getransformeerd diaspora-jodendom. De rabbijnen bewerkstelligden dat in plaats van de functieloos geworden priesterkaste voortaan iedere Jood als een (hoge)priester in eigen huis zou kunnen functioneren, met de tafel als altaar. Het ochtend-, middag- en avondgebed (het smeken tot, en het prijzen en danken van God) kwamen in de plaats van de dagelijkse offers in de Tempel. De synagoge - een gemeenschap van gelijkwaardigen - werd op sjabbat en ook op weekdagen een plaats van samenkomst, waar Joden talmoed Tora (sacrale studie van de Tora) konden leren en beoefenen, gezamenlijk konden bidden en zingen (daarmee de functies van de priesters en de levieten uit de Tempel-tijd overnemend), en waar sociale contacten konden worden onderhouden.

Ten dele in dezelfde eeuwen dat de Joden nieuwe interpretaties schiepen voor aloude religieuze vormen, publiceerden de christelijke kerkvaders hún geschriften en werd de grondslag gelegd voor het christendom als een vanuit Rome centraal geleide wereldgodsdienst met grote politieke invloed en vertakkingen. Er werden verplichtende dogma's en credo's geformuleerd; een uitgebreide christelijke priesterkaste kreeg veel macht; een systeem van kerken, monniksorden en op den duur een Inquisitie ter bestrijding van 'ketterij' kwamen tot bloei.

Terwijl de Joden vaak enige bescherming genoten van pausen en bisschoppen, was het vooral de lagere clerus die eeuwenlang tegen het ongeletterde volk wekelijks van de kansel predikte dat al het kwaad en al het lijden in de wereld de schuld was van de Joden. Joden werden steevast vergeleken met de duivel en tot ver in de Nieuwe Tijd richtte de christelijke agressie jegens 'ketters' en andersdenkenden zich met name ook tegen de Joden. De pogroms uit de tijd van de Kruistochten (honderdduizenden Joden werden bij het optrekken van de kruisridders naar het Heilige Land, in het Rijnland en omstreken vermoord), de martelingen en brandstapels van de Inquisitie, zij waren met name gericht tegen de nazaten van het volk waaruit de Heiland en Verlosser der christenen was geboren. (zie o.a. Hans Jansen: Christelijke oorsprong van racistische jodenhaat, uitg. Kok, Kampen, 1995.)

In onze tijd zijn gelovige christenen veelal mensen die meer dan gemiddeld ethisch en humaan zijn ingesteld. Tot in de recente geschiedenis toe was het christendom echter een van de gewelddadigste godsdiensten. Het heeft, historisch bezien, misschien nog meer doden op zijn geweten dan de zo vaak als gewelddadig geëtiketteerde islam.

Wat Jezus zijn discipelen precies heeft onderricht en hoe hij zichzelf en zijn functie zag, weten wij alleen via de geschriften van het Nieuwe Testament die alle lang na zijn dood zijn opgetekend. Maar zeker is, dat Jezus en zijn vroegste discipelen nog geheel in de joodse traditie stonden. Enerzijds hielden zij zich aan de bijbelse en rabbijnse mitswot. Anderzijds had Jezus kritiek op de joodse samenleving van zijn tijd. Deze kritische traditie is bij uitstek 'joods' en tot zover is er geen sprake van enig essentieel, religieus conflict tussen de Jood Jezus, zijn joodse volgelingen en de rest van de joodse samenleving. Pas met het toekennen van een goddelijke status aan Jezus, met de (niet-joodse) interpretatie van zijn marteldood en met de toevoeging van nog andere on-joodse elementen (zoals de christelijke Triniteit; de christelijke zondeval-gedachte; de geboorte van een als goddelijk ervaren mens uit een maagd) ontstond er een kloof tussen jodendom en christendom die in de loop der eeuwen alleen maar groter werd.

Voor de christenen werden de Joden steeds meer het volk dat de essentie van hun heilsgeschiedenis niet had begrepen en dat de Romeinse kruisdood van hun Messias zou hebben veroorzaakt. Voor de Joden waren de door het hellenisme geïnspireerde christelijke opvattingen en de complexe theologie rond de Triniteit blasfemisch.

Ook het eeuwenlange, agressieve antisemitisme, de pogroms, de tortuur, de brandstapels en de gedwongen bekeringen op de punt van het zwaard bevorderden de behoefte aan contact niet. Desondanks zijn goede individuele contacten tussen geleerde Joden en christelijke filosofen, of tussen mystici van joodse of christelijke overtuiging menigmaal voorgekomen.

In onze tijd maken de algemene matiging van geloofsovertuigingen, de humaan-wetenschappelijke scholing van velen en een zekere neiging tot bescheiden agnosticisme het contact gemakkelijker dan het sinds de tijd van Jezus' optreden in Erets Jisra'el ooit is geweest. Maar wat hun gebruiken, hun mentaliteit, hun sfeer en hun mens- en wereldbeeld betreft, zijn deze twee wereldreligies in de afgelopen millennia uitermate ver uit elkaar gegroeid.

RELIGIE

In het kerkelijke christendom spelen de zondeval, en vervolgens de verlossing van de zondige mensheid door het lijden van de goddelijke Messias, een centrale rol.

De 'zondeval' is een begrip dat als zodanig in het jodendom niet voorkomt. De meest diepzinnige joodse visie op dit punt is, dat bij de oerschepping er een ontregeling heeft plaatsgevonden, een destructieve chaotisering ook van een deel van de bovenmenselijke, zuiver geestelijke wereld. Dit wordt, onder andere, geïllustreerd met het mythische beeld van de Shechina: Gods aanwezigheid op het aardse en menselijke niveau. Men zegt wel dat de Shechina met het joodse volk uittrok bij de bevrijding uit Egypte, maar ook dat zij meetrok met het joodse volk in zijn perioden van ballingschap en dat zij mee-leed en mee-lijdt telkens als de Joden door hun haters worden vervolgd en naar het leven gestaan. De Shechina wordt soms zelfs voorgesteld als een wenende vrouw, die in gescheurde kleren wanhopig over de aarde doolt.

Dat wat het christendom de 'zondeval' is gaan noemen, en wat het primair moralistisch heeft geïnterpreteerd, wordt in de Hebreeuwse bijbel symbolisch beschreven als de verdrijving van de eerste mensen uit Gan Eden: de tuin van het paradijs. In de joodse mystieke traditie wordt die verbanning (de eerste galoet) opgevat als de weerspiegeling op ons niveau van een daaraan voorafgaande kosmische 'val'. De mensen eten, volgens het beeldende bijbelverhaal, van de boom der kennis, en het gevolg daarvan is een grote bewustzijnsverandering. Daardoor verandert hun werkelijkheidservaring. Zij worden zich bewust van zichzelf en zij krijgen een vrije wil, in tegenstelling tot alle andere geschapen wezens. Sindsdien heeft de mens, vanwege diens unieke positie in de kosmos, de taak de harmonie op ieder niveau te helpen herstellen. In het Hebreeuws heet dit: het meewerken aan tikkoen olam: het herstel van de wereld in de ruimste zin.

Ieder volk, iedere religie heeft daarbij een eigen taak. Voor de Joden geldt: elk gebed dat op de juiste manier wordt uitgesproken, iedere liturgische handeling die op de juiste manier wordt verricht, ieder van de vele mitswot die met de juiste intentie wordt vervuld, draagt bij aan het herstel van de wereld, en dat zowel op het menselijke als het bovenmenselijke niveau.

Terwijl in het christendom God de mensheid moet verlossen van een immense schuld en van een lijden dat zij zelf niet kan hanteren, is in de joodse visie juist de mensheid verantwoordelijk voor het herstel van rechtvaardigheid en harmonie in de wereld. Het joodse volk heeft hierbij een speciale taak gekregen. Het is als volk 'uitverkoren', in de zin van geroepen tot het zwaarste werk, bij wijze van spreken. Het lijdt onmatig onder de haat der vijanden van het geestelijke en het goddelijke, het lijdt onder zijn eigen tekortschieten bij de extreem zware taak die het heeft gekregen en het lijdt onder de duisternis en agressie in deze wereld, die nog lang niet zijn opgelost.

Volgens het christendom verlost God de wereld als die zich, door geloof, daarvoor openstelt. Volgens het jodendom (de 'doe-religie') is de mensheid - en daarbinnen, met een speciale taak, het joodse volk - geroepen de 'verlossing' mogelijk te maken.

JODEN EN CHRISTENEN IN DE HUIDIGE TIJD

De kloof tussen kerkelijk christendom en jodendom is in cultureel en metafysisch opzicht gigantisch. Daarbij vergeleken is het verschil in ethisch opzicht minimaal. Beide religies zijn uiteindelijk gebaseerd op joodse ethische opvattingen. Het zijn daarentegen de theologische, metafysische en dogmatische kanten van het christendom die door niet-joodse, hellenistische elementen werden geïnspireerd. Daarmee is jodendom niet verenigbaar.

De meeste van oorsprong christelijke, westerse mensen in onze tijd 'geloven' echter niet meer in de kerken met hun hiërarchische machtsbolwerken en hun mannenstructuren, hun dogma's, hun traditionele, moraliserende houding of hun juist krampachtige pogingen tot modern doen. De katholieke liturgie is vaak troosteloos vervlakt en blijft hoe dan ook onbegrepen; de protestante tradities zijn vaak te eenzijdig verbaal om aan de spirituele behoeften van hedendaagse mensen tegemoet te komen. De concurrentie van vreemde en daardoor nog niet belastende oosterse tradities is groot.

In feite geldt iets analoogs voor het jodendom. Ook daar is de leegloop, de algehele assimilatie aan een vervlakte en vergrofde dominante cultuur een bedreigende factor. En aan de andere kant is er voor spiritueel zoekende westerse mensen, en ook dat zijn er velen, vaak sprake van grote aantrekkingskracht door oosterse stromingen, in het bijzonder het boeddhisme. Soms moeten van nature religieuze mensen uit de joodse of de christelijke traditie zelfs de omweg maken via een oosterse leer, zoals die van het boeddhisme, om te beseffen wat zij zelf, als westerse mensen in huis hebben.

Hoe groot de verschillen tussen wereldreligies ook mogen zijn, uiteindelijk blijven het toch allemaal pogingen om het onbenoembare enigszins te benoemen; om met elkaar, als gemeenschap, iets bij te dragen aan - in joodse terminologie - tikkoen olam; en om onszelf en anderen te helpen niet te vergeten vanwaar wij komen, waarheen wij gaan, en wat de bedoeling is van ons korte, vluchtige bestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden