Liefhebben tot je erbij neervalt

Muzikaal en biografisch haalde Louis Andriessen alles uit de kast voor zijn nieuwe opera ’La Commedia’, gebaseerd op ’De goddelijke komedie’ van Dante. Volgens filosofe Karin Melis is Andriessen onbeschroomd teruggekeerd naar zijn katholieke wortels.

„Toch maar eens navraag bij de componist gedaan. Hij was zo vriendelijk de ganse opera op de piano te spelen.”

’Kom, o bruid van de Libanon.’ Deze versregel uit het Hooglied wordt tot driemaal toe vanaf de zegekar gezongen. Hij luidt de slotakkoorden in van Dante’s loutering. Verbazingwekkend dat Dante Alighieri uitgerekend hier deze woorden aanhaalt. Kondigt het Lied der Liederen, dat de buitensporig zinnelijke liefde bezingt – grimmig als de dood is de liefde, hard als de Hades de hartstocht – de vergeestelijking aan? Preciezer, is de vrouw uit het hoerenliedje, zoals het Hooglied ooit te boek stond, die hier smekend wordt aangeroepen, een verwijzing naar smetteloze maagdelijkheid?

Louis Andriessen (1939), die een filmopera op Dante’s pelgrimage componeerde, heeft er geen enkele moeite mee. In zijn ’La Commedia’ blijft deze beladen lokroep op zijn oorspronkelijke plaats. In het muzikale universum, waarin alles tot op de laatste tel berekend is, kan dit geen toeval zijn.

Nu is Andriessen een man die houdt van tegenstellingen. Neem ’De Materie’, net als ’La Commedia’ tijdens dit Holland Festival te horen. De compositie hangt van polariteit – tussen geest en materie – aan elkaar. Of neem zijn muziekstuk ’De Tijd’: als het over tijd gaat, moet je stilstand laten horen. Maar in ’La Commedia’ wordt de allerfundamenteelste dualiteit vertolkt: het aardse en het hemelse, ofwel het helse en het hemelse. En, als je het nog verder wilt doortrekken: het lichamelijke en het geestelijke.

Wat in het oeuvre van Andriessen nog niet eerder is vertoond, gebeurt hier: er is zicht op verlossing. Terwijl, als hij voorheen ergens een broertje aan dood had, dan was het wel aan narratieve of psychologische ontwikkelingen die naar een hoogtepunt toewerken. Juist daarom is het zo raadselachtig dat de componist blijft vasthouden aan het uitgesproken zinnelijke beeld waarmee de ambassadrice van de geestelijke liefde wordt aangekondigd. Andriessen kennende had hij met enkele kwinkslagen de bruid die van de Libanon moet komen, kunnen wegtoveren. Toch volgt hij hier – als een rechtgeaarde katholiek of beter, als zoon van zijn vader Hendrik die indrukwekkende kerkmuziek componeerde – Dante op de voet. Zo beschouwd heeft het stuk veel weg van een hoogmis. Net als Dante’s ’Goddelijke komedie’ is Andriessens ’La Commedia’ geïnitieerd door het paasverhaal. Met de dissonante bruid dus, die alles op scherp zet.

Waar ging ’De goddelijke komedie’ ook alweer over?

Volgens zijn eigen verslaglegging was Dante, als een soort Imitatio Christi, ter helle gegaan. Erna wachtte hem het Vagevuur, waarin hij, net als in de Hel, werd bijgestaan door zijn geestelijk leidsman, de dichter Vergilius. En nu, nu Dante ongemerkt door deze vaderlijke figuur is verlaten, wordt daar een uitzinnig uitgedoste stoet ten tonele gevoerd. De hoofdpersoon, de autobiograaf Dante zelf dus, weet even niet hoe hij het heeft. De Heilige Schrift wordt vertegenwoordigd door vierentwintig oudtestamentische mannen en de vier evangelisten. Luchters schieten banen van licht de hemel in. Het geheel wordt indrukwekkend afgemaakt door een griffioen die de kar trekt: een mythische gedaante, van voren arend en van achteren leeuw – een verwijzing naar de goddelijke en menselijke natuur van Christus Jezus. De hosanna’s zijn niet van de lucht. En alsof het allemaal niet genoeg is, voegt de schrijver de liturgische woorden ’Gezegend Hij die komt in de naam des Heren’ in. Hier, aan de oever van de rivier de Lethe waar Dante staat, wordt een grootse komst aangekondigd.

Beatrice komt eraan, de vrouw die Dante in zijn jongelingsjaren met hart en ziel aanbeden heeft, maar die niet voor hem bestemd bleek. Beatrice huwde met een ander en stierf op 25-jarige leeftijd. Maar hier verschijnt zij ten langen leste, in al haar majesteitelijkheid, godsdienstig uitgedost in de kleuren van geloof, hoop en liefde. Na alle bittere jaren die Dante afgezonderd van Beatrice geleefd heeft, kan hij zich nu eindelijk met haar verenigen.

Een fantastisch verhaal. Hier wordt de mythe van de liefde tussen Dante en zijn Beatrice geboren, die de tand des tijds doorstaan heeft. Zelfs zó dat we uit het oog zijn verloren dat het Dante zelf is geweest die die liefde vereeuwigd heeft. Uit Beatrice’s mond vernemen we immers geen woord. De vrouw staat wat dat betreft in de eerbiedwaardige lijn van Jezus en Socrates uit wier monden we evenmin een syllabe gehoord hebben. Geboetseerd zijn zij naar de indrukken van hun getuigen. Maar of we het nu over Plato, de evangelisten of de dichter Dante Alighieri hebben: het werkelijkheidsgehalte van hun verhalen is verpletterend en verdringt de realiteit glorieus. De mythe verhult wat wij mensen niet kunnen verdragen. Daardoor spreekt zij ons aan.

Zo verwijst de platoonse mythe, geborduurd rond Socrates, naar het gegeven dat onze ziel last heeft van verlatingsangst. Gekerkerd als zij is in het lichaam kan zij zich niet binden. Net zomin kan zij vertrekken omdat haar vertrek met de dood van haar onderkomen beroofd wordt. Een nogal herkenbare relatieproblematiek. Als ik me aan je uitlever, ben ik verloren. Zoals ik verloren ben zonder jou.

Zo wordt Jezus afgeschilderd als degene die ons verlost van onze zonden, die wij niettemin tot op de huidige dag maar hebben te dragen. Geloven doen we het niet, anders had de wereld er wel anders uitgezien. Wél maakt het verhaal ons verlangen naar verlossing draaglijker.

En het aloude motief hoer-maagd? Wat maakt dat eigenlijk draaglijk? Of beter: welk verhaal vertelt Dante, vertelt Andriessen, opdat hij zich met het leven kan verzoenen?

Nog voordat de gewezen ambtenaar van het stadsbestuur van Florence zijn laatste canti van ’De goddelijke komedie’ in veiligheid kan brengen, blaast Dante zijn laatste levensadem uit. Alsof hij dat zelf zo geënsceneerd heeft. Hemels verenigd nu, tot in de eeuwen der eeuwen, met zijn Beatrice. Voorafgaand heeft Dante zich gelouterd van alle vulgaire, materialistische begeerten opdat hij in zijn geliefde kan opgaan. Dat wil zeggen: in woord en geschrift heeft hij zich ontledigd. Waarom eigenlijk?

Terug naar het moment dat de jonge Dante zijn oog laat vallen op het meisje Beatrice. Een kind van pakweg een jaar of acht. En, net als Jacob die Rachel aan de waterput ontmoet, heeft hij haar binnen één ongedeeld ogenblik lief. Het mocht niet zo zijn. Beatrice trouwt met een ander en de geleerde Dante wordt nog geleerder. Als hoofse minnaar blijft hij Beatrice op afstand aanbidden. Dante heeft haar slechts tweemaal in zijn leven gezien, nimmer een woord met haar gewisseld. En zij, op haar beurt, heeft hem slechts eenmaal haar glimlach geschonken.

Niettemin, of misschien juist daardoor, voedt hij zijn hart met deze liefde. Beatrice wordt de grond van zijn bestaan. Zijn lichaamloze muze. Als zijn aanbedene onverhoeds sterft, is hij ten einde raad. Het verdriet transformeert en verteert hem. Smart wordt het hart van zijn existentie.

Enfin, de hardwerkende ambtenaar van het stadsbestuur trouwt, onder druk van zijn vrienden, met een andere vrouw. Bij wijze van remedie tegen het geleden leed. En hij maakt carrière. Hij tracht het immer verscheurde Florence tot verzoening te bewegen. Tevergeefs. Dante wordt verbannen, met achterlating van vrouw en kinderen.

Het is tijdens die omzwervingen dat Dante zijn meesterwerk schrijft. Dat gaat gepaard met een enorme gestrengheid. De dichter – allround wetenschapper, filosoof én theoloog – weet nog voordat hij aan de slag gaat hoeveel versregels een canto moet bevatten en welke metriek hij zal gebruiken. En dit alles in de volkstaal in plaats van in het elitaire Latijn. Hij wil de Italianen bereiken. Dante is een didacticus.

Net als Louis Andriessen. Ook hij heeft zich altijd sterk willen maken tegen elitair gedrag. Hij probeert de uitvoering van zijn muziek egalitair te houden. Geen orkesten en symfonieën met hun onvermijdelijke hiërarchieën. Hij wilde zich verre houden van elke vorm van corruptie die het kapitalisme aankleeft. Je zou het kunnen afdoen als idealistische prietpraat. Als je hoofd vol zit met allerlei geleerden, hoe volks kun je dan zijn? Juist door experimentele wegen te kiezen, blijft het gewone volk weg. Zo wordt het aanklagen van de elite zelf elitair. Het zijn de paradoxen van het openbare leven waarin een mens zichzelf gaandeweg verstrikt. Dante en Andriessen, ze kunnen elkaar de hand schudden.

Elke keer als Dante een deel van zijn magnum opus voltooid heeft, leert hij het geschrevene uit het hoofd. Opdat het een blauwdruk in zijn hart wordt die geen mens hem kan ontnemen. Dante maakt van de gelegenheid gebruik en gooit alles eruit wat hem dwarszit. Met al het gevoel van esthetica en kennis dat hij in zich heeft. Hij legt de corruptie van de menselijke ziel bloot en er is geen wetenschapper, geen filosoof, geen theoloog die hij niet aanspreekt of becommentarieert. Een omgevallen boekenkast.

Maar hoe smartelijk zijn innerlijke reis ook is, Dante heeft de regie strak in handen. Hij houdt de ogen gericht op zijn verlossing, de vereniging met en in het Eeuwige Licht.

Datzelfde hoor je bij Andriessens ’Commedia’. Van alles wordt er op muzikaal-essayistische wijze aan de kaak gesteld. En tegelijk, juist vanwege het woedende en het meeslepende, bekruipt je het gevoel: deze man keert zichzelf binnenste buiten.

Ooit werd ’De Materie’ Andriessens magnum opus genoemd. En al kun (en mag) je dit nooit beoordelen als iemand nog leeft, het heeft er alle schijn van dat ’La Commedia’ zijn werkelijke magnum opus is. Hij heeft zowel muzikaal als autobiografisch alles uit de kast gehaald. En is daarbij onbeschroomd teruggekeerd naar zijn katholieke wortels.

Ook Dante is een goed en bovendien onderlegd katholiek. Het aardse bestaan is alleen een opmaat tot de heerlijke, hemelse thuiskomst. We moeten het verwarrend lichamelijke en de materiële corruptie van onze ziel overwinnen opdat we werkelijk kunnen liefhebben. Zijn liefde tot Beatrice dient voor deze van oorsprong wellustige man vergeestelijkt te zijn. Typisch christelijk om het lichamelijke tot vijandig gebied te verklaren en daarmee de aarde te versmaden.

Vandaar dat het zo opmerkelijk is dat Dante juist de woorden ’Kom, o bruid, van de Libanon’ uit het Hooglied gebruikt om zijn verheven Beatrice aan te kondigen. Natuurlijk kent de dichter de katholieke uitleg die, verlegen met zoveel zinnelijkheid, haar toevlucht neemt tot een allegorische, vergeestelijkte verklaring. Het verhaal van het hartstochtelijk verlangen tussen een vrouw die de wijngaard bewaakt en een man die schapen hoedt, wordt voorgesteld als de liefde tussen God en de mens. Of als die tussen de kerk en Christus Jezus.

Maar voor de goede lezer van het Hooglied (en we moeten aannemen dat Dante dat was, en dat Andriessen dat is) blijft de erotische liefde van de pagina’s afspatten.

En dan toch die aanhef gebruiken? Dat is toch de goden verzoeken?

Als het nu de aankondiging van de mystica Hadewijch betrof (over wie Andriessen overigens ook een stuk gecomponeerd heeft, opgenomen in De Materie) dan was het nog begrijpelijk. Haar vereniging met de Heer zindert van erotiek. Beatrice is van een totaal andere orde. De stoet die bij Dante stilstaat is zwanger van christelijke, en dus geestelijke symboliek, overeenkomstig de vrouwe die aan hem gaat verschijnen.

Maar eerst moet Dante nog huilen als een klein jongetje als hij ontdekt dat Vergilius van het toneel is verdwenen. Pikant detail: Vergilius is wél de auteur van de zinnelijke verzen omtrent de werking van Venus tussen ons stervelingen. Als Dante dan eindelijk, eindelijk oog in oog staat met de gezegende vrouw laat hij zich straffen door Beatrice als was zij zijn meesteres. Zij is boos vanwege zijn dwaalwegen hier op aarde. Hij zou haar geest verloochend hebben. Hij zou zich op haar uiterlijke schoonheid hebben blindgestaard. Bovendien heeft hij zich ingelaten met wereldse zaken.

Let wel, Dante is regisseur van zijn eigen innerlijke reis en legt Beatrice zelf de woorden in de mond die zij hem vermanend toewerpt. Een vorm van zelfkastijding dus. Ondertussen wringt Dante zich in bochten om in het gelief bij haar te komen. Nog scheidt de rivier hen. Pas schoongewassen door dat water kan zijn bekering tot voltooiing gebracht worden. Maar eerst moet de dichter in gepaste mate berouw tonen.

Waar haalt Beatrice het recht vandaan? Wie denkt ze wel dat ze is? Maar Dante, kennelijk nog steeds chantabel, vergaat van verlangen naar haar glimlach.

Het is verleidelijk om hier een psychologische verklaring op los te laten.

Dante heeft, net als de de platoonse ziel, last van bindingsangst. Honderden pagina’s heeft hij geschreven over hoe lamlendig de condition humaine is. Als het waar is wat hij schrijft over de hel dan hoop je dat je nimmer komt te overlijden. Natuurlijk, de schrijver spaart zichzelf niet. Hij observeert met een scherp oog de gestraften, maar hijzelf moet ook de nodige angsten doorstaan. Ook hij moet zijn eigen falen onder ogen komen. Al op de eerste pagina bekent hij ruiterlijk dat hij de weg kwijt is. Moreel verdwaald.

Er is sprake van een soort verdubbeling. Wat Dante zo tergend aanschouwelijk maakt, fungeert tevens als spiegel van zijn eigen zieleroerselen. Stap voor stap wordt hij vervolgens gelouterd. Gelouterd van het zooitje dat hij en wij er hier op aarde van maken.

Eigenlijk ligt de lat wel heel erg hoog: het ware leven is zuiver en geestelijk. Maagdelijk onaards. Het klinkt als een belediging van de Schepper die de aarde heeft geschapen.

Goedbeschouwd wil Dante zijn handen niet vuil maken. Ook niet aan Beatrice toen zij nog leefde. Maar zelfs het feit dat hij zich laafde aan haar uiterlijke schoonheid blijkt op de grens van het paradijs alsnog een zonde. Het is inderdaad een zonde dat hij haar fysiek op afstand gehouden heeft. Als zondige stervelingen doe je de schepping eer aan door je geliefde lief te hebben tot je erbij neervalt.

Inderdaad, zoals de bruid die van de Libanon moet komen om haar liefste te ontmoeten opdat zij zich aan elkaar kunnen overgeven. Het Hooglied beschrijft de gejaagdheid van verlangen onder moeilijke omstandigheden. Het vertelt over een liefde die de gemeenschap niet kan accepteren. En naarmate het lied vordert voel je hoe de externe druk wordt opgevoerd. De vrouw smeekt de man: „Leg mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm, want grimmig als de dood is de liefde, hard als de Hades de hartstocht.” Het lied eindigt met het bezwijken van de vrouw die haar geliefde toeroept: „Vlucht, mijn liefste.”

Het was beter geweest als de angstige Dante Beatrice gekust had met de hoogliederlijke kussen van zijn mond. Maar dan hadden we ’De goddelijke komedie’ niet gekend. Wellicht was het zinnebeeld van de bruid een laatste flirt met dat wat niet had mogen zijn. Misschien is die verwijzing daarom wel zo krachtig. Misschien is de bruid wel een Eurydice die komend van de Libanon zelf schaamteloos kijkt naar het verhevene. Het zou zo maar eens kunnen dat het aardse hier het hemelse stut. Als een onmisbare pilaar.

Toch maar eens navraag bij de componist gedaan. Hij was zo vriendelijk de ganse opera op de piano te spelen. De aanroep van de bruid klonk als een verheven liturgisch moment. Een ode, verklaarde hij, aan zijn recentelijk overleden vrouw Jeanette, die ooit uit Libanon naar Nederland was gevlucht. En nu dus opgenomen in ’La Commedia’ als een in de Hades verdwenen Eurydice. Wie heeft hier nu precies het nakijken?

Karin Melis is filosofe en publiciste. De filmopera ’La Commedia’, een co-productie van De Nederlandse Opera en het Holland Festival, beleeft haar wereldpremière op donderdag 12/6 in Carré. Voor andere voorstellingen: www.hollandfestival.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden