Liefdewerk / Hier ben ik en ik blijf

Ooit vormden kloosterzusters hét sociale vangnet van rk Nederland. Maar anderen kwamen het beter doen. Het liefdewerk raakte in diskrediet. De nonnen werden oud en geloofden er zelf niet meer in. Maar Annelies van Heijst is kritisch op alle kritiek voor de vrouwelijke liefdadigers.

Uitgekomen in dezelfde week: de film The Magdalene Sisters en 'Liefdewerk', een zorg-ethische studie over Nederlandse zusters, van dr. Annelies van Heijst. Wie naar de film gaat moet daarna eigenlijk het boek lezen.

In de bioscoop is het ditmaal machtig simpel. Een zestal absoluut sadistische etterwijven van nonnen heerst er over enkele tientallen meisjes die een misstap hebben begaan of die bruut verkracht zijn, dat maakt niet uit. Dezen moeten een levenlang sloven en boeten voor hun doodzonde. Dankzij de vrome nonnen die hun deze hel op aarde bezorgen maken ze dan voor de hemelpoort toch nog een kansje. Ook in Ierland is dit nu verleden tijd, maar korter dan je denkt en de film heet gebaseerd op feiten.

Annelies van Heijst, rooms-katholiek theologe met flink wat feminisme in haar bagage, verdiept zich al jaren in de vrouwelijke kloosterordes. Tussen 1800 en 1970 hebben alleen al in Nederland tienduizenden zusters ('nonnen') zorg geleverd aan honderdduizenden in onderwijs en verpleging, in de zorg voor wezen, bejaarden, krankzinnigen, doven, blinden.

Caritas, noemde je dat, 'liefdewerk- oud papier'. Het heeft geen positieve klank meer, klinkt kwalijk, ook zonder het exces of de karikatuur van de Ierse Magdalene Sisters. Van Heijst heeft een van die typisch 19de-eeuwse congregaties 'Zusters van De Voorzienigheid' als case study gekozen. Zij bestudeert en analyseert bronnen van de congregatie zelf, van de 'zorgontvangers' en komt tot opmerkelijke conclusies.

Onder invloed van de tijdgeest en de kritiek op hun liefdewerk en hulpbetoon, zo valt te begrijpen, zijn de zusters hun verleden als het ware gaan beschuldigen én vergoelijken (de vorige generatie deed haar best en ze wist niet beter). Zo raakten ze van hun eigen geestelijke roots vervreemd. Wat was die diepste drijfveer? Van Heijst zegt het zo: Niet 'ik geef om te krijgen' (dankbaarheid, macht, nieuwe katholieken, een goed salaris) maar: 'ik geef om niet, omdat ik om niet gekregen heb'. Een religieus, maar volgens Van Heijst niet exclusief een religieus motief. Een zorgfilosofie van rechten en professionaliteit maar zonder de dynamiek van liefde en betrokkenheid levert schrale zorg op, denkt en ziet ze.

Liefdewerk? ,,Deze man is een liefdadiger!'', riep Heer Bommel machteloos uit, toen hij oplichter Brekel wilde laten inrekenen. En hilarisch als gênant is wat Godfried Bomans verhaalt van zijn tochten met zijn moeder en later als 'vincentiaan' langs de arme mensen en hoe ze daar bij elk gezin Versterkende Middelen, warme borstrokken en een Bemoedigend Woord achterlieten.

Tot zover de kwinkslagen. Over 'de Voorzienigheid', althans over zijn moeder die haar kinderjaren in dit nonnenweeshuis in Noordwijkerhout moest slijten, schreef Gerard van Westerloo een gedreven novelle. De zusters komen er slecht vanaf. Een interessante bron, want in de geschiedenis van de nonnenzorg zijn documenten vanuit het perspectief van de zorgontvangers heel schaars. Dank dus aan Van Westerloo, maar dan gaat zijn relaas ook meteen onder het fileermes. Waarom zo boos op de nonnen die (op hun manier) deden wat zijn waardeloze grootvader en de rest van de samenleving nalieten: voor het meisje en haar zusje zorgen? Het kind kreeg brood met niks te eten, klaagt de zoon - maar waarom niet erbij vermeld, vraagt Van Heijst zich af, dat de zusters het zelf met nog minder deden (en moesten doen) omdat er niet meer was?

Van Heijst wijst Van Westerloo's beschuldigingen niet bij voorbaat af. Voedden de nonnen de kinderen op als doel op zichzelf of ging het hun erom op die manier dichter bij het Kindje Jezus te komen? De zusters moesten immers, zo stond in hun regel, in elk kind het Goddelijk Kind Jezus zien. Zorgen voor de ander of egoïstische zelfverrijking? Een karikatuur of de vinger op de zere plek?

Van Heijst gaat tamelijk breed op deze zaken in en er passeert heel wat wetenschappelijke literatuur. Ze verbaast zich over alle kritiek op de wijze van liefdadigheid en de onverschilligheid voor het feit dat sommigen voor hun overleven niet zonder zorg als zodanig konden. ,,De morele verontwaardiging geldt dan de 'weldoeners', niet degenen die niets ondernamen.''

Het was in de jaren zeventig links en progressief om tegen de betuttelende, confessionele liefdadigheid van de heren van welstand en van de nonnen te zijn. Opium van het volk, bestendigen van de standenmaatschappij. Van Heijst keert dit betoog van de politicoloog Siep Stuurman tegen hemzelf. Het verraadt een betuttelende en denigrerende kijk op arme mensen, vindt ze, alsof zij zelf niet kunnen uitmaken of godsdienst iets voor hen betekent en alsof de rijken hun willekeurig gedachten en discipline konden opleggen.

Het zint Van Heijst allerminst dat de vrouwencongregaties en haar werk tot dusver vrijwel ontbreken in de geschiedschrijving - zowel in de vrouwengeschiedenis als in de sociale geschiedenis. In beide hoort het 'liefdewerk' van de zusters thuis, betoogt zij. Trouwens ook in de rk kerkgeschiedenis hebben de kloosterzusters ondanks hun kolossale aantal nauwelijks aandacht.

Streven naar gelijke rechten, de ethiek van de rechtvaardigheid, dat was in feministisch perspectief vernieuwend, verkieslijk; daartegenover heette de toeleg op zorg, óók die buiten de eigen familie, 'rolbevestigend'. Zeker waren kloosters in de 19de eeuw en nog lang daarna voor de vrouwen die er hun leven aan gaven burchten van infantilisering en benepenheid. Maar daarbuiten kwam je helemaal geen vrouwen tegen als ziekenhuisdirecteur, schoolhoofd, manager voor tientallen medezusters en honderden aan haar toevertrouwde zielen.

Toen tientallen jaren later het 'sociaal werk' oprees uit sociaal-liberale initiatieven leek het of men Amerika ontdekte, alsof anderen niet hier al hun sporen hadden uitgezet. Hadden de nonnen en hun liefdewerk conservatief de zaak tegengehouden die later door de sociale rechten werd behartigd? Van Heijst gelooft dat niet en ziet er eerder een voorbereiding in.

In zekere zin komt Van Heijsts betoog nog een keer terug als ze de jubileumboeken van de congregatie doorneemt (50, 75, 100 en 125 jaar), waarin gaandeweg en uiteindelijk radicaal het zelfbeeld en de kijk op de eigen geschiedenis en het geloof van de (nu oude tot zeer oude) zusters verschuift.

Het was een moeilijk begin voor het huis met de roomse Amsterdamse weesjes. Voor de zorg strikte de pastoor een nicht, de dochter van een kennis, een meisje uit de provincie - maar de juffrouwen vertrokken weer snel, de een na de ander. Tot op zekere dag in 1852 een juffrouw Mientje Stroot zich meldde, voorheen hulp huishoudster van een Twentse pastoor. ,,Ik kom voor de kinderen'', zei ze, ,,en ik blijf.'' En zo geschiedde.

Volgens Gerard van Westerloo was die juffrouw Stroot niet goed snik. Nu is het al heel wat voor een halve zool om een orde te stichten en te leiden, die het 150 jaar uithoudt, met honderden leden en tientallen projecten in vier continenten, maar God weet. Van Heijst verheerlijkt haar studieobject niet en verklaart ook Mientje niet heilig. Maar een moderne zorgethiek, waarbij dat 'ik kom, ik blijf' in diskrediet is geraakt, heeft volgens haar iets van grote waarde verloren. Ze noemt het - en dat geeft het krediet niet per se terug - het 'surplus van de liefde'.

Annelies van Heijst: Liefdewerk - Een herwaardering van de caritas, Uitgeverij Verloren, geïllustreerd, 317 blz, ISBN 9065507418, €25,00.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden