Review

Liefdesverdriet, tot wijsheid gestold

„Aan wie liefheeft verschijnt de geliefde altijd eenzaam”, schreef de Duitse schrijver Walter Benjamin in 1928 in ’Einbahnstraße’. Daniël Rovers omschrijft dit beroemd geworden werk als „een Enkhuizer Almanak voor intellectuelen met een gebroken hart”.

Werkelijke verandering begint niet alleen in sprookjes met een verliefdheid. Walter Benjamin was 31 – en zeven jaar getrouwd – toen hij in een kruidenierszaak op Capri een jonge moeder die een zakje amandelen wilde kopen vertaalhulp aanbood; de vruchten hadden de vorm van haar ogen. Hij droeg haar boodschappen, die onderweg tot tweemaal toe uit zijn handen vielen, tot aan de deur van haar appartement, en vroeg ter afscheid of hij haar op een later tijdstip nog eens kon opzoeken.

De volgende dag al zat hij met de vrouw en haar dochtertje spaghetti te eten, waarbij hij bekende dat hij hen al twee weken lang had geobserveerd als ze ’s middags in hun lange witte jurken de piazza overstaken. De vrouw heette Asja Lacis, kwam uit Riga en was regisseur, actrice en overtuigd communist. Haar dochtertje heette Daga.

Zij zal al naar bed zijn gebracht toen Benjamin vertelde over zijn Habilitationsschrift, zijn tweede proefschrift over de allegorische treurspelen uit de Duitse Barok. Lacis vroeg zich af waarom een wereldwijze intellectueel zich anno 1924 met dode literatuur zou willen bezighouden. Benjamin antwoordde dat hij zo het culturele isolement wilde doorbreken waarin Duitsland was beland na de Eerste Wereldoorlog. Bovendien wilde hij de allegorie redden, een door de modernisten gehekelde stijlfiguur die volgens hem juist een grote artistieke zeggingskracht bezat.

Zijn reactie miste overtuiging. Lacis had het vuur van de twijfel aangewakkerd dat al langer in Benjamin smeulde. Zijn onderzoek vlotte niet, en als beginnend academicus was hij nog altijd afhankelijk van zijn vader, een speculant die door de economische crisis zwaar getroffen was. Benjamin besloot tot een radicale ommezwaai. Vurig als een jongeling schreef hij aan zijn vriend Gershom Scholem over zijn ontmoeting met Lacis en kondigde aan dat hij voortaan vanuit de maatschappelijke actualiteit zou schrijven. Hij wilde de politieke impulsen die in zijn academische werk besloten lagen aan de oppervlakte brengen. Hij wilde, kort gezegd, de beste literatuurcriticus worden in het Duitse taalgebied.

Zijn proefschrift diende hij een jaar later al in. De studie werd niet geaccepteerd, simpelweg omdat de manuscriptcommissie haar niet begreep. Benjamin verliet de universiteit en werd broodschrijver. Drie jaar later, in 1928, verscheen zijn prozadebuut ’Einbahnstraße’, dat hij opdroeg aan Asja Lacis, die ’als ingenieur’ de weg heeft gebaand in de auteur. In datzelfde jaar werd alsnog, bij dezelfde uitgever, zijn proefschrift gepubliceerd; het bevatte een opdracht (’vroeger, net als nu’) aan zijn vrouw Dora, van wie Benjamin twee jaar later zou scheiden.

’Einbahnstraße’ legde de basis voor Benjamins wereldwijde faam vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw – met dank aan zijn vriend Theodor Adorno, die zich tot zijn dood in 1969 altijd is blijven inzetten voor Benjamins literaire en intellectuele nalatenschap. Met onverwacht groot succes. Aan de man die niet goed genoeg werd bevonden door zijn professoren, zijn inmiddels duizenden academische artikelen en studies gewijd. Zijn uitgesproken ideeën over fotografie en film zijn nog altijd verplichte kost voor studenten cultuurwetenschap en media. En wie als historicus over de negentiende eeuw wil nadenken, kan niet om Benjamin heen.

Het zal een belangrijke reden zijn waarom uitgeverij Suhrkamp een volledige nieuwe versie van het verzamelde werk uitgeeft, de ’Kritische Gesamtausgabe’. Nóg vollediger, nog uitvoeriger geannoteerd, nóg gründlicher dan de duizenden pagina’s ’Gesammelte Schriften’, die in de jaren zeventig en tachtig verschenen. Met de nieuwe donkergrijze band van ’Einbahnstraße’ staat de teller voorlopig op acht delen; rond 2015 hoopt de uitgever het oeuvre van Benjamin in 21 kloeke banden te kunnen overleveren aan de eenentwintigste eeuw.

Elke hoogleraar die politieke betrokkenheid wenst in de literatuur, kan van Walter Benjamin leren dat het vruchtbaar is de eigen academische carrière op een zijspoor te rangeren. Dan blijkt dat er geen politieke inzet in literatuur kan bestaan zonder tezelfdertijd de autonomie van literatuur – die haar eigen wetten schept – te koesteren. In 1934 zou Benjamin zich op een antifascismecongres keren tegen die intellectuelen die het autonomiebegrip wilden opgegeven, en daardoor zowel artistiek als politiek machteloos dreigden te worden. Benjamin stelde dat de vraag niet zou moeten luiden of er geëngageerde romans moeten worden geschreven, maar waar effectief literair engagement uit kan bestaan.

Benjamins antwoord op die vraag was tweeledig. Ten eerste zouden auteurs zich niet tevreden moeten stellen met het aanleveren van materiaal (vandaag: content) aan het productieapparaat (de mediaconcerns); zij moesten zelf belangrijke posities innemen binnen dat apparaat. Vergelijk de slogan: Don’t hate the media, be the media, door de oprichters van de recensiewebsite ’De Reactor’ onlangs nog in de praktijk gebracht. Of denk aan Dave Eggers, die met de opbrengsten van zijn bestseller een eigen tijdschrift, uitgeverij en schrijfschool oprichtte.

Ten tweede propageert Benjamin artistieke innovatie: „Een auteur die zijn collega-schrijvers niets leert, leert niemand iets.” Een auteur zou zich niet moeten beperken tot wat zijn voorgangers al hebben gedaan; hij moet de verandering van de maatschappij anticiperen in zijn geschriften. Benjamin roept op tot het omvormen van de literaire genres, wat hij voorbeeldig gerealiseerd acht in het toneelwerk van Bertolt Brecht, en spreekt letterlijk van het revolutionair klinkende ’omsmelten’.

’Einbahnstraße’ is zo’n omgesmolten genre. Vaak wordt het boek getypeerd als een bundel aforismen, maar daarmee wordt het eigenlijk tekort gedaan. Wat is het dan wel? Een verzameling beknopte droombeschrijvingen, reisherinneringen, schrijftips en tot wijsheid gestold liefdesverdriet. En dat alles puntig als een ijspriem geformuleerd. „Aan wie liefheeft verschijnt de geliefde altijd eenzaam”, schrijft Benjamin. Ook dit is ’Einbahnstraße’: een Enkhuizer Almanak voor kosmopolitische intellectuelen met een gebroken hart.

Hoofdstukken dragen titels alsof het uithangborden zijn, zoals ’Erste Hilfe’ en ’Zum Planetarium’. De neonverlichting mag de lezer er zelf bij denken. Het eerste hoofdstuk heet ’Tankstelle’ en sluit af met wijze raad voor auteurs die de waarheid in pacht denken te hebben (lees: columnisten). „Meningen zijn voor het reusachtige apparaat van het maatschappelijk leven wat olie is voor machines; men gaat niet voor een turbinemotor staan en overgiet die met machineolie. Men spuit een beetje ervan in verborgen nippels en naden, die men moet kennen.”

En dit doet Benjamin: hij strooit zand in de machine, terwijl hij pretendeert de boel draaiende te houden. Hij raakt de lezer daar waar het hem heilig is: in zijn geloof en overtuigingen. Zijn proza loopt uiterst soepel, het is citeerbaar als Jesaja, en precies hierin schuilt het aforistische van het werk. Benjamins woorden geven te denken; voortdurend voelt de lezer de neiging om zinnen te noteren, bijvoorbeeld de uitspraak dat men alleen nieuwe inzichten verwerft door zijn lectuur in een notitieboekje over te schrijven; wie zonder aantekeningen probeert te lezen, geeft zich volgens Benjamin te veel over aan dromerijen; wie overschrijft laat zich bevelen door de tekst.

Maar waarin is ’Einbahnstraße’ nu, buiten zijn experimentele vorm, precies geëngageerd te noemen? Het antwoord daarop lijkt makkelijk. Wie een middagje heeft gespit in de containerladingen secundaire literatuur over Walter Benjamin, zal verwijzen naar het hoofdstuk ’Kaiserpanorama’. Dat schreef Benjamin oorspronkelijk in 1923 voor zijn vriend Gershom Scholem, die dat jaar emigreerde naar Palestina en die graag had gezien dat Benjamin hem vergezelde. Benjamin, zoals vaker, twijfelde. De crisis, de moord door extreem-rechts op Walther Rathenau, minister van buitenlandse zaken, het opkomende antisemitisme in de Duitse steden: de tijden waren niet hoopvol voor geassimileerde Duitse Joden zoals hijzelf. Maar hij was teveel gehecht aan het oude Europa om de stap naar de verre kolonie te wagen. In ’Kaiserpanorama’, de tekst die Scholem ontving, schreef Benjamin armoede onder landgenoten nooit te willen accepteren. Iedere burger zou zich moeten disciplineren opdat „zijn lijden niet meer de dalende straat van de haat volgt, maar het stijgende pad baant van het gebed”.

In de versie die vijf jaar later in ’Einbahnstraße’ terechtkwam, verving Benjamin ’haat’ door ’bitterheid’ en ’gebed’ door ’revolte’. Niet langer volstond een levensovertuiging om wonden te helen. Benjamin pleitte voor radicale stappen. Het werd tijd voor een revolutie.

In hoeverre is dit engagement van Walter Benjamin nu voorbeeldig? De radicaal socialistische-stellingname mag in 1928 wellicht spannend, zo niet hoopvol hebben geklonken, in 2010 doet ze archaïsch aan, als een oude Griek die oproept naar het orakel te luisteren. Benjamin toont betrokkenheid bij de armoede die hij om zich heen waarneemt; hij merkt op dat hij eerder schaamte dan medelijden voelt, oog in oog met wat in het Duits ’naakte ellende’ heet. Maar die oproep tot revolutie klinkt wat hol, en is bovendien een overtreding van het eigen maxime, dat onder het kopje ’Für Münner’ het kleinste hoofdstuk uit het boek vormt, namelijk: ’Overtuigen is vruchteloos’. Hoeveel scherper is dan de suggestie om in het debat over de doodstraf drieduizend burgers van de Berlijnse Kurfürstendamm te plukken, ze 24 uur op te sluiten en ze een enquête te laten invullen over de doodstraf, met als laatste vraag: „Hoe zou u het liefst zelf ter dood worden gebracht?” Benjamin concludeert: „Nog voor het eerste ochtendgloren, dat van oudsher heilig, maar hier te lande gewijd is aan de beul, zou de kwestie van de doodstraf zijn opgehelderd.”

Ach, engagement – wantrouw woorden die maar met moeite je strot willen verlaten. Het woord roept weerzin op, in de eerste plaats door de pretentie die eruit spreekt. Wat is vervelender dan te moeten luisteren naar intellectuelen die de wereld met louter woorden denken te kunnen veranderen? Van literatuur mag bovendien meer verwacht worden dan een stellingname. Natuurlijk, een auteur kan vertellen hoe de wereld eruit zou moeten zien, maar interessant wordt dat pas als hij eerst bij zichzelf te rade gaat. Of dat zelfonderzoek de vorm aanneemt van een essay, een roman of een toneelstuk, dat is een vraag van tweede orde, daar zal enige tijd overheen moeten gaan. Daar heeft een schrijver in het beste geval ook de mogelijkheid toe, anders dan de journalist wiens bureaustoel langzamerhand onder zijn billen wordt wegbezuinigd, anders dan de geesteswetenschapper, die onder het mom van de Tweede Geldstroom tot feitenchecker wordt gedisciplineerd.

Zo gemakkelijk gaat dat nou: in een paar woorden zeggen wat de anderen fout doen, daarbij de eigen positie zorgvuldig buiten beschouwing latend. In ’Einbahnstraße’ kiest Benjamin voor een andere, radicaal eigen vorm. Hij schrijft niet voor de boze buitenwereld, noch voor een grote lezersschare, maar voor vrienden; oorspronkelijk werden de hoofdstukken in het boek zelfs voorafgegaan door de namen van Benjamins kameraden. Zo kan hij zich met volle energie op de waarheid werpen. Vrienden hoef je namelijk niet eerst te overtuigen; je legt hun zaken voor, je vraagt om hun mening, je verrast hen met een nieuwe visie op bekende standpunten. Aan je vrienden vertel je je dromen, je politieke overtuigingen, je meest persoonlijke waarheden. Aan je vrienden vertel je over je aankomst in Riga; twee uur lang liep je alleen door de straten, en elk moment kon zij om de hoek komen, uit de poort stappen, in de tram zitten. En koste wat koste wilde je van jullie beiden de eerste zijn die de ander zag. „Want had zij de lont van haar blik aan mij vastgemaakt – dan had ik als een munitiedepot de lucht in moeten vliegen.”

„Er bestaat niets armzaligers dan een waarheid die is uitgedrukt zoals ze gedacht werd”, schrijft Walter Benjamin. Deze paradox verwoordt de kracht van zijn schriftuur en, meer algemeen, geeft een pijnlijk heldere definitie van literatuur. In de recente uitgave van ’Einbahnstraße’ zijn fragmenten toegevoegd die Benjamin zelf beschouwde als latere aanvullingen op zijn prozadebuut. Daarin schrijft Benjamin onder meer over Herodotus, die verhaalde over de Egyptische Koning Psammenitos, die gevangen is genomen door de Perzische koning Kambyses. Om hem te vernederen wordt Psammenitos samen met andere overwonnenen buiten de vestingmuur opgesteld, waarna zijn dochter in slavenkleren, met een kruik op haar hoofd, langs hem wordt geleid, enige tijd later gevolgd door zijn zoon, met een touw om zijn nek en een bit in zijn mond. Terwijl alle Egyptenaren beginnen te roepen en huilen, vertrekt Psammenitos geen spier. Tot hij in een groep gevangen een arme bejaarde man herkent. Dan slaat de koning opeens met zijn vuisten op zijn hoofd en geeft alle tekenen van het diepste verdriet.

Deze vertelling, oordeelt Benjamin, legt het wezen bloot van de literatuur. Ze bewaart op wonderlijke wijze haar kracht, zodat eeuwen later nog beweerd kan worden door Montaigne dat de koning kennelijk zó verdrietig was, dat er slechts een laatste druppel in de emmer van zijn gemoed moest vallen om die te laten overstromen. Benjamin schrijft dat er natuurlijk nog andere verklaringen denkbaar zijn. En daarom heeft hij het vraagstuk aan enkele van zijn vrienden voorgelegd. De een meende dat de koning bij het zien van de oude man door theatrale emoties werd overmand; een ander dacht dat het verhaal vandaag de dag voorpaginanieuws zou zijn: ’Koning houdt meer van zijn onderdanen dan van zijn kinderen!’ Een derde stelde dat de koning het lot van zijn kinderen niet kon bewenen, omdat het zijn eigen lot was. Benjamin besluit: één ding is zeker, Herodotus geeft geen enkele verklaring voor de handelswijze van de koning. En precies daarom kan dit verhaal nog altijd met zoveel vrucht gelezen worden. „Het lijkt op de graankorrels, die eeuwen lang luchtdicht afgesloten in de kamers van de piramides lagen en hun kiemkracht tot op de dag van vandaag bewaard hebben.”

Het sprookje tussen Asja Lacis en Walter Benjamin kende geen gelukkig einde. Lacis bleef bij haar oude minnaar, de acteur Wilhelm Reich. Benjamin bezocht haar in de winter van 1926 in Moskou, waar hij meer tijd met Reich doorbracht dan met Lacis, naar wier aanrakingen hij hunkerde. In 1928 deelden Benjamin en Lacis twee maanden een woning in Berlijn, maar als ze samen in één ruimte waren maakten ze voornamelijk ruzie. Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen, vertrok Benjamin hals over kop naar Parijs, de stad waaruit hij in 1939 werd verbannen richting een interneringskamp voor Duitsers. Lacis was al uit zijn leven verdwenen.

In juni 1940 moest Benjamin opnieuw vluchten, toen de nazi’s richting Parijs marcheerden. Hij probeerde via Spanje naar Amerika te ontkomen, maar kon dat fysiek niet bolwerken. Op 25 september maakte Benjamin in het grensdorpje Port Bou met behulp van morfinepillen een einde aan zijn leven.

Lacis zat op dat moment opgesloten in een van Stalins kampen in Kazachstan. Zij zou in 1948 vrijkomen en keerde terug naar Riga, waar ze lid werd van de communistische partij. De engel van de geschiedenis, wist Walter Benjamin, wordt door een storm uit het paradijs geblazen. Wat wij als gebeurtenissen beschouwen, is voor de engel een enorme puinhoop die tot de hemel rijst. Soms blijven een paar graankorrels achter; die paar korrels moeten we zorgvuldig blijven lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden