Review

Liefde voor Oranje: wél in de West, maar niet in de Oost

Op de Antillen en in Suriname is het Huis van Oranje populair – het zou zelfs de afschaffing van de slavernij hebben bewerkstelligd. In de Oost was de houding veel gereserveerder. In een charmant boekje legt Oostindie uit hoe dat te verklaren is.

Het was het beeld van de gelukkige onderdaan dat het televisiescherm vulde als Juliana de ABC-eilanden aandeed. En ook al bezocht deze koningin de West maar een enkele keer, dat beeld van de allermoederlijkste soeverein tussen ’haar’ kinderen is toch het eerste wat in de Nederlander opkomt als hij denkt aan het koningshuis en de koloniën. Een dergelijk beeld siert ook de omslag van ’De parels en de kroon’, het boek waarin historicus Gert Oostindie ontstaan en vergaan van de koloniale Oranjemythe beschrijft.

Dat is geen toeval. In de westelijke koloniën overzee scheen op volmaakte wijze gestalte te krijgen wat in het moederland aan slijtage onderhevig was: de droom van een groot koninkrijk, ofwel van de familie Nederland, verzameld rond de troon. De geschiedenis van de Oranjes in de West en de Oost is nauw verweven met het ontwaken uit die droom. Leek Nederland rond 1813 een ondeelbaar en machtig rijk, nog geen honderdvijftig jaar later was het een klein land geworden. Heel moeizaam ontdekten de Nederlanders dat niet alleen het opstandige Belgische volk in 1830 niet van hen hield: ook aan de liefde voor het vaderland van slaven, koelies, en contractarbeiders overzee bleek wat te ontbreken. Het Nederlandse volk was voor deze waarheid partieel blind; de Oranjes hadden in deze ronduit oogkleppen op. Althans, tot en met Wilhelmina, de ijzeren koningin die ’Ons Indië’ niet af wilde staan.

Oostindie, die al veel over het in Nederland zo opvallend onbekende en onbeminde koloniale verleden schreef, heeft in zijn nieuwste boek de ignorantie wederom tot een van zijn hoofdthema’s gemaakt. Ditmaal gaat het om de welhaast georkestreerde onwetendheid van het vorstenhuis inzake het overzeese volksdeel, dat op zijn beurt geen idee had van de werkelijke rol van de Oranjes. Op geen moment is dat duidelijker dan in 1863, toen in de West de slavernij werd afgeschaft. Willem III had een jaar daarvoor, in 1862, de daarop betrekking hebbende Emancipatiewet als een soort routinehandeling ondertekend –- het lot van de slaven, in heel christelijk-liberaal Europa een kwestie, interesseerde hem absoluut niet, schrijft Oostindie. Desondanks werd de persoon van de koning de verzinnebeelding van een vorst die het beste met zijn arme zwarten onderdanen voor had. ’Hij maakte ons arme Negers vrij’, en ’Lang leve Heer Wimpie’ zong men in Suriname en op Curaçao. Het beeld van de goede Oranjes is er sindsdien onuitroeibaar. ,,Juliana, maar vooral Wilhelmina, waren goden voor ons. Je moet niet vergeten dat Wilhelmina’s vader de slaven in Suriname heeft vrijgemaakt.” Zo zei een oudere Surinaamse dame het in 1975.

Dankbaarheid kenmerkte de koloniale relatie met de West, waar veel Surinaamse ouderen Juliana maar op één fout konden betrappen: het ondertekenen van de onafhankelijkheid in 1975.

In de Oost daarentegen begint de geschiedenis die Nederland eigenlijk niet wil kennen – die van de ondankbaarheid en desinteresse. Op een toplaag van bestuurders, inheemse vorsten en christenen na, had niemand er veel op met het koningshuis. De vaak verordonneerde rijkseenheid, verpersoonlijkt door de vorst, werd er nauwelijks gevoeld.

,,Wij moeten den eenvoudige inlander nog ontmoeten, die geheel uit zich zelf zijn penninkske wil offeren uit liefde voor de Koningin der Nederlanden”, schreef een bekend Oranjegezind journalist in 1901 bij het huwelijk van Wilhelmina. Het is een van de vele citaten die Oostindies conclusie onderstrepen. De droom van één volk, blank en gekleurd, onder één vorst heeft in Ons Indië nauwelijks bestaan; alle pogingen deze te construeren ten spijt.

Over het verschil in Oranjeliefde tussen de West en de Oost heeft Oostindie een charmant, klein boek geschreven. Dat de kaft ervan gesierd wordt door Juliana en juichende Surinaamse rijksgenoten, is een daad van weldenkendheid tegenover de eerste Oranje die, zoals Oostindie laat zien, daadwerkelijk interesse toonde voor de onderdanen overzee. Tegelijkertijd herinnert het ons Nederlanders aan ons grootse verleden dat nog in ere werd gehouden door inlanders die wisten wat de vorst toekwam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden