Liefde voor het spoor

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Reizen per spoor zat Roel Dijksterhuis in het bloed: het hoorde bij zijn baan, het was zijn hobby, het bracht hem rust, want onderweg kon hij zijn zorgen opzij zetten. Hij schreef er ook nog eens een interessant proefschrift over.

Tientallen jaren werkte hij als planoloog bij de Nederlandse Spoorwegen – hij ontwierp ’stationsomgevingen’, zoals hij het zelf noemde. Uit hoofde van zijn functie hadden hij, zijn vrouw Rie en hun vier kinderen vrij reizen per trein, eerste klas, ook in het buitenland. Het gezin Dijksterhuis maakte er uitbundig gebruik van: naar Duitsland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Engeland. Helaas niet naar Scandinavië, want daar was de kaart niet geldig. En het Oostblok was ook wat lastig, want er was nog een IJzeren Gordijn.

Ook voor z’n beroep trok Roel er regelmatig op uit, en nam dan weleens een van z’n kinderen mee. Even in een Belgische of Duitse stad kijken hoe de omgeving van het station erbij lag. Met grote stappen van een meter berekende hij de oppervlakte, schreef de gegevens keurig op, nam een serie foto’s, en had weer inspiratie voor een plein in Nederland. Bij de aanleg daarvan lette hij er goed op dat er niet onnodig bomen werden gekapt; deed de projectontwikkelaar dat toch, dan kon hij laaiend worden.

Als treinreiziger vroeg hij zich in de jaren vijftig al af waarom het spoor tussen Meppel en Assen zo’n rare bocht naar Hoogeveen maakt. Hij zocht het uit, zoals hij ook naging waarom Wageningen en Ede een station moeten delen, terwijl het toch voor de hand had gelegen de spoorlijn door de studentenstad te laten lopen; want Ede, dat was anderhalve eeuw niet meer dan een gat op de hei.

Het duurde zo’n dertig jaar, maar toen had Roel Dijksterhuis van zijn uit de hand gelopen hobby ook zijn dissertatie gemaakt. Midden jaren tachtig, vlak voor z’n pensioen, promoveerde hij op de wisselwerking tussen spooraanleg en stedenbouw, aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij kort na de Tweede Wereldoorlog zijn ingenieurstitel weg- en waterbouwkunde had behaald.

In zijn studententijd woonde hij op kamers bij zijn zus en zwager, de dichter Ido Keekstra. Zij stimuleerden Roel om toch weer eens contact te zoeken met dat leuke meisje Rie, dat hij ontmoet had tijdens de Tweede Wereldoorlog toen hij ondergedoken was in Anjum, het noordoosten van Friesland, en met wie hij zo leuk pimpampet had gespeeld. Hij trok de stoute schoenen aan en belde met een smoes aan.

Het klikte tussen de twee gereformeerde jongelingen. Het stel ging op kamers wonen in Haarlem, waar Roel een baan bij de planologische dienst van de provincie Noord-Holland had. Korte tijd later kreeg hij de droombaan bij de NS. Het gezin (er was inmiddels een zoon geboren) verhuisde naar Utrecht, waar een dochter het levenslicht zag, en later naar dat andere spoorwegknooppunt, Amersfoort, waar nog een dochter en zoon werden geboren.

Roel bracht zijn kinderen niet alleen de liefde voor de trein en het reizen bij, maar, samen met zijn vrouw Rie, ook liefde en respect voor de natuur. Dat dit goed is gelukt, blijkt uit de dagelijkse natuurcolumn van Koos Dijksterhuis in deze krant, de jongste van de vier. Het gezin wandelde en fietste graag in de bosrijke omgeving van Amersfoort waar je, als je geluk had, reeën in het wild kon zien. En een paar keer per jaar gingen ze naar hun huisje op Schiermonnikoog, het autoloze Waddeneiland waar je prachtige natuurtochten kunt maken, in elk seizoen, weer of geen weer.

Roel en Rie leerden hun kinderen ook dat rentmeesterschap geen dode letter mag zijn: doe het licht uit als je de kamer uitgaat, zet de verwarming een graadje lager, en gebruik dat plastic zakje nog een keer. Niet te veel consumeren, maar juist consuminderen.

Het was een klassiek gereformeerd gezin in vrijwel alle opzichten: twee keer per zondag naar de kerk, bidden en danken voor en na het eten, en een stukje uit de Bijbel. En Roel zat vrijwel permanent in de kerkenraad, als diaken of ouderling, en ging op huisbezoek. Leuk vond hij dat niet, het was eerder een plicht.

Bij de verkiezingen ging de stem uiteraard naar de Anti-Revolutionaire Partij. Na de val van Willem Aantjes in november 1978 stapten Roel en Rie over naar de PPR van Ria Beckers en later de Evangelische Volkspartij van Cathy Ubels, progressieve afsplitsingen van de christen-democraten die in GroenLinks zouden opgaan.

Kerkelijk maakten ze de gebruikelijke stap van de gereformeerde kerk naar de PKN. Maar zeker bij Roel sloop af en toe de twijfel binnen, het werd steeds moeilijker om de Bijbel van kaft tot kaft letterlijk te nemen. Hij worstelde zichtbaar met het geloof: hij wilde graag geloven in een hiernamaals, hij hoopte ook dat het er zou zijn, maar zeker weten deed hij het niet.

Hij was een lieve man en zorgzame vader. Maar ook een binnenvetter, die moeilijk zijn emoties kon tonen. Hij gaf seksuele voorlichting op zo’n schutterige, technische manier dat zijn kinderen de voortplantingsdaad als een enorm obstakel zagen. Je moest wel heel graag een baby willen om dát er voor over te hebben.

Af en toe werden de drukke baan en het veeleisende gezinsleven hem te veel, en pakte hij de trein. Dan banjerde hij de hele dag door een of andere stad, in Nederland, of vlak over de grens in België of Duitsland. In z’n eentje. Dat had hij nodig, even een dagje voor zichzelf.

Ook na zijn pensionering (en promotie!) bleef hij dat rusteloze houden. Met zijn vouwfiets sjouwde hij Nederland door, op zoek naar in onbruik geraakte tram- en spoorlijnen. Hij beschreef de routes, hield nauwkeurig bij of je over het oude spoor kon lopen of fietsen, en maakte talloze foto’s. Helaas zijn de manuscripten nooit uitgegeven.

De laatste jaren van z’n leven sukkelde hij met z’n gezondheid. Hij brak een heup, kreeg een paar tia’s, en een lichte vorm van Parkinson. Een aangepaste woning was in Amersfoort moeilijk te krijgen, en om nu op een wachtlijst te gaan staan, dat was ook zo wat. Roel en Rie verhuisden naar een aanleunwoning in Loppersum, in de provincie Groningen waar hij was geboren – als het zo uitkwam, kon hij nog steeds plat Grunnigs praten. Zo kwamen ze ook in de buurt van een dochter en een zoon te wonen. Dat gaf een veilig gevoel.

Hij was zeven keer opa en had alles voor z’n kleinkinderen over. Ook die ene keer dat ze met z’n allen ter ere van zijn verjaardag in een pannenkoekenrestaurant zaten. Roel had een pannenkoek besteld, met in het midden een knoert van een aardbei, waar hij zo gek op was. Netjes begon hij de pannenkoek rond de aardbei weg te eten. Op het moment dat hij die grote, sappige rode vrucht naar binnen wilde werken, zei z’n kleindochtertje van drie: „Opa, mag ik die aardbei?” De teleurstelling droop van zijn gezicht, maar natuurlijk gaf hij haar die.

Door de tia’s, de Parkinson en zijn hardhorendheid verliep de communicatie met Roel moeizaam. Het was de laatste jaren alsof hij zich langzaam uit het leven terugtrok. Twee weken voor zijn dood leek het bijna voorbij, maar in het ziekenhuis knapte hij weer op. Hij mocht naar huis en dacht, hoopte, dat hij beter zou worden. Hij was verward en kreeg slaapmiddelen, maar had desondanks wakkere en heldere momenten. Dan wist hij verrassend goed welk kind of kleinkind hij voor zich had en vroeg hij naar huiswerk, partners en bezigheden. Maar daarna was hij moe en sloot hij zijn ogen. Roel stierf thuis, 87 jaar oud.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden