Liefde langs het IJzeren Gordijn

(Trouw) Beeld
(Trouw)

De val van de Muur heeft de afgelopen twintig jaar het familieleven in Midden-Europa sterk beïnvloed. Op uiteenlopende manieren, belicht een nieuw boek. De West-Duitse Tim en de Poolse Tomek vonden elkaar.

Annemieke Hendriks

Wiesbaden, een zomerse zondagochtend. De peperoni groeien als kool, merkt Tim Wosinski met genoegen. Hij staat op het balkon en rookt. Dat hij, het verwende autocoureurszoontje, nog eens groene vingers zou ontwikkelen! Nu ja, zonder hulp van zijn schoonmoeder was het zeker niet gelukt. Helena Wosinska had naar de pot op de verwarming met de verlepte stekjes gestaard. Wanneer dat nog peperoni moesten worden, had ze gezegd, moest hij ze stante pede ompotten en naar buiten brengen.

Een half jaar geleden heette hij nog Tim Bredhauer. Bij zijn huwelijk met Tomek afgelopen winter heeft hij diens familienaam aangenomen. Dat was een dubbele bevrijding en een prettig scandaleuze: een nieuw leven beginnen en dat belastende ’Bredhauer’, dat iedereen hier kent, inruilen voor een Poolse achternaam.

Verleden jaar trok hij, nog scholier, bij Tomek op diens studentenkamer in. Hij voelde zich als een Paris Hilton die het leven van een arm meisje moest gaan leiden. Er was geen personeel meer, geen tweepersoonsbad en geen geld. Inmiddels hebben ze deze aardige huurwoning, hun warme nest.

Een andere plantenpot op het balkon vormt een stilleven van honderden peuken die rechtop in de aarde staan. Tim steekt er nog eentje bij. Binnenkort maken de peuken plaats voor planten. „Hallo, mag ik u wat vragen?” Hij heeft de buurvrouw op het tegenoverliggende balkon ontwaard. „Mijn man vindt die ene plant daar bij u zo mooi. Weet u toevallig hoe die heet? Nee? Jammer.”

Tim is in dubbel opzicht tevreden met zijn kleine actie. Misschien brengt de buurvrouw een keer een stekje van de betreffende plant langs. Belangrijker: iedereen mag weten dat Tomek zijn man is en niet slechts zijn vriend, of erger nog, een medebewoner. ’Het echtpaar Wosinski’: hij geniet van die titel, ook al geeft die hen geen gelijke rechten met hetero-echtparen in Duitsland.

Onderwijl in Wiesbadens centrum. Tomek Wosinski wandelt graag door het kuurpark naar huis, langs de bronnen en de vorstelijke gebouwen. Op hun huwelijksdag wierp een van die bronnen stromen van licht in de wintertuin waar ze aan het feesten waren. Wat goed dat de Amerikanen Wiesbaden tijdens de oorlog hadden uitgekozen als toekomstig geallieerd hoofdkwartier en de stad daarom niet lieten bombarderen. Dat hij nu zelf in een van de licht hellende straten vol prachtige oude gevels woont, kan hij amper geloven. De schoonheid van een stad straalt op het gemoed van haar inwoners af, daarvan is Tomek overtuigd. Wanneer hij naar de mensen om zich heen kijkt, komen ze hem gelukkiger en daardoor vriendelijker voor dan die in het nabije Frankfurt am Main, waar hij studeert, of in zijn Poolse geboorteplaats Kluczbork.

Rijker zijn de Wiesbadeners in elk geval. Het is hier behoorlijk ’schickimicki’ – dat woord gebruikt Tim altijd. Vlotte ambtenaren van de deelstaatregering en bejaarde kuurgasten gaan dure winkels en restaurants in en uit. Sommige van de mondaine omaatjes, die hier een sanatorium bezoeken, zien er onder hun oranje en paarse haren, gesteund op hun wandelstokken, zo antiek uit alsof ze nog met Dostojevski in het legendarische Kurhauscasino hebben gegokt.

Tomek heeft zojuist vernomen dat Kluczbork, Kreuzburg in het Duits, tot 1945 in Duitsland lag. Dat werd op zijn Poolse gymnasium verzwegen. Het zou nooit in hem zijn opgekomen vrijwillig van het gymnasium te gaan, zoals Tim dat onlangs uit verzet tegen de druk van zijn familie deed. Voor Tomek was een goede opleiding de mogelijkheid zich van zijn omgeving te bevrijden, terwijl Tim zich juist van zijn opleiding heeft bevrijd om zijn omgeving te ontvluchten.

Toen het IJzeren Gordijn was geopend, is Tomeks moeder Helena in Duitsland gaan werken, zoals vele Poolse vrouwen. Sindsdien maakt ze deel uit van het leger Poolsen dat het dure Duitse gezondheidsstelsel overeind houdt. Zijn vader ruïneerde ondertussen werk en huwelijk door de alcohol, zoals menig Poolse vader. Tomek zelf kon psychologie gaan studeren aan de universiteit van Wroclaw/Breslau. Maar hij voelde dat hij uit Polen weg moest om niet doodongelukkig te worden. In 2003 heeft hij zich bij zijn moeder in Frankfurt gevoegd. Hij leerde keihard Duits en haalde de toetsen die hem toegang tot de universiteit verschaften.

Nooit heeft hij meer zo hard gestudeerd, bedenkt hij, als in die dagen. Al gauw diende zich het echte leven aan. Het Frankfurtse Christopher Street Day-team zocht een contactpersoon voor de Poolse gasten tijdens de lokale gayparade. Hij meldde zich aan, ook om iets ’sociaals’ terug te geven voor zijn goede opvang in de Bondsrepubliek. In die CSD-groep vond hij zijn nieuwe thuis en ging hij los.

Juist morgen vindt de jaarlijkse CSD-optocht in Frankfurt weer plaats. Dit jaar krijgt hij het rustiger dan anders. Er rijdt ditmaal geen volgeladen Regenboog-Polenwagen mee met spandoeken waarop Poolse politici worden geciteerd, zoals met ’Strafkamp voor manwijven, euthanasie voor mietjes’. Het worden evengoed scènes om Tim, die het land heeft aan dat ’demonstratieve homocircus’, zoals hij de gayparade betitelt, mee naar Frankfurt te krijgen. Tomek hoort hem al weer jennen: „Ik háát homo’s!”

Alleen hoopt Tomek dat het vaste publiek nu niet denkt dat het wel goed zit met de rechten van homoseksuelen in Polen. De nieuwe premier Donald is net zo homofoob als zijn voorganger, een van de Kaczynski-tweeling. Tomek zegt het zijn Duitse vrienden vaak genoeg: „Van hen valt voor ons niets te verwachten.”

De andere helft van de Kaczynski’s is de staatspresident van Polen. Als burgemeester van Warschau had hij de bevolking zowat aangezet de door hem verboden Gelijkheidsparade met stenen en flessen te bekogelen.

In elk geval is homoseksualiteit in Polen sindsdien een publiek thema. In de Baltische Staten is de situatie veel erger. Zijn kennissen in Letland en Litouwen hebben geleerd te zwijgen, terwijl de homoseksuele Polen lawaai kunnen maken. Niet dat Tomek zelf in zijn geboorteplaats Kluczbork zo’n held is. Tot ergernis van Tim wil hij, als ze daar zijn, voor geen geld hand in hand lopen. Tomek vreest niet zozeer het mogelijke geweld tegen hen als wel de vernietiging van het laatste restje positieve gevoelens over zijn Poolse jeugd.

In de woning, even later. Wanneer Tomek de woonkamer betreedt, ontglipt hem een licht vermoeid gesteun. De tafel is als voor een trouwpartij gedekt, vol met kaarsen en de stoffen rozenblaadjes die werkelijk van hun bruiloftsmaal stammen.

„Zo klaar, alleen de pasta nog”, roept Tim vanuit de keuken. „Pompeus en perfect”, becommentarieert Tomek de tafel hardop. „Ik verwen je nu eenmaal graag”, roept Tim terug.

„Aan de andere kant werkt een dagelijks feestdiner, waarbij elke centimeter moet kloppen, me danig op de zenuwen”, vervolgt Tomek. „Ik denk dat veel van mij je op de zenuwen werkt”, zegt Tim terwijl hij het varkensgebraad met overgave op de borden rangschikt. „Dingen die typisch Duits zijn, zoals mijn perfectionisme.” „Dat geloof ik eigenlijk niet”, anwoordt Tomek een beetje vals. „Kijk maar in de badkamer. Al die crèmes, lotions en tubes die er in de rondte liggen!” Hij krijgt de smaak te pakken. „En waar ik ook een bloedhekel aan heb, zijn die stapeltjes. Bij het opruimen maak je van die stapeltjes rotzooi en stof en die blijven dan dagenlang zo liggen. Daar word ik stapelgek van. En dan je verbruik van kleding en handdoeken – o, die hoeveelheden was!”

Tim en Tomek, de jonggehuwden, kunnen kibbelen als een oud echtpaar. Maar eigenlijk zoeken ze dan in alle openheid naar de juiste omgang met elkaar. „Weet je”, zegt Tim, „ik geloof dat ik mezelf die hele etiquette en al dat huiselijk getrut als beschermlaag heb bijgebracht. Thuis ging het er helemaal niet zo stijlvol en gezellig aan toe. Dat alcoholisme in de familie – het is, samen met die gescheiden ouders, een van de weinige overeenkomsten in onze achtergrond.”

Op het balkon steekt het tweetal er eentje op. De kerkklokken luiden. Tomek kan voor deze klanken weinig waardering opbrengen – juist als Pool. Het grootste bedrog van ’zijn’ katholieke kerk vindt hij het verkondigen dat je in de hel komt wanneer je voorbehoedsmiddelen gebruikt. Hem bevalt alleen die ene kerk in Frankfurt waar elk jaar de slachtoffers van aids worden herdacht. Je gaat daaraan een keer dood, nog steeds, mijmert hij. Maar vele jongeren vrijen onbeschermd, omdat ze geen afschrikwekkende, uitgeteerde mannen op straat zien, zoals vroeger. Dan schiet hem een mop te binnen, en hij richt zich tot Tim: „Een stokoude oma gaat naar de dokter. ’Ik wil graag aids hebben’, zegt ze, ’want daarmee kun je nog twintig jaar leven’.”

De bel gaat. Daar is Helena Wosinska. Tim gaat zijn schoonmoeders haar verven. Hij heeft een elegante lichtbruine tint uitgezocht, die de vlotte vrouw vast goed zal staan. Met een professionele air gaat hij aan de slag, terwijl Tomek de strookjes aluminiumfolie voor een paar lichtere kleuraccenten knipt. „Mamma”, vraagt hij, „jij hebt toch altijd gezegd dat je zondags geen tijd voor de kerk had?” Hij spreekt Duits, niet alleen omdat Tim erbij is, maar ook om te oefenen met zijn moeder, die deze taal zo beroerd spreekt.

Helena weet niet waarop haar zoon aanstuurt. „Nu ja, ik ben geen fanatieke kerkgangster.” „Oma ging toch bijna nooit naar de kerk?” „Babcia had veel werk en geen tijd”, zegt Helena Wosinka ontwijkend. „En later werd ze dik en zwak, toen kon ze ook niet gaan.” „Maar mamma, heeft babcia dan ooit wat goeds over de priesters gezegd? Kom, vertel nou toch.” „Ach, wat doet het ertoe”, antwoordt zijn moeder, en ze probeert Tims blik, schuin achter zich, te vangen. Ze wil niemands gevoelens kwetsen, en je weet maar nooit, in Duitsland. Maar Tomek houdt aan. „Nu goed. Mijn moeder zei: ’Het geloof en de priesters maken in Polen de tweede macht uit. De eerste macht was rood, de tweede zwart. Beide waren erg. En nu is alles zwart’, zei ze. En ook, dat de priesters te veel geld en te veel tijd en derhalve te veel geliefden en kinderen hadden. Dat heeft ze gezegd, en nog meer.”

„Dat vind ik nu cool”, zegt Tomek voldaan tegen Tim, „dat mijn grootmoeder er al net zo over dacht als ik nu.”

Wanneer Tim met Helena in de badkamer is verdwenen, overdenkt Tomek hoe het verder met haar moet. Ze is namelijk ontslagen. Ze had zo veel overgewerkt dat ze drie maanden moest vrij nemen, en dat is prompt tegen haar gebruikt omdat haar contract blijkbaar niet deugde. Ze verzorgde zwaar zieke mensen thuis, die niet in het ziekenhuis of het bejaardenhuis willen sterven. De patiënten waren hartstikke blij met haar, weet hij, en de taal was absoluut geen probleem. Wat aandacht en hulp, een beetje samen babbelen en lachen.

Een fris gekapte Helena Wosinska komt de kamer binnen, met een trotse Tim achter haar aan. „Weet je nog, mamma”, vervolgt Tomek zijn gedachten, „dat ik eens voor je ben ingevallen? Dat was bij een heel aardige oma die een beroerte had gehad. Ik maakte wat te eten, ik waste haar, maar het belangrijkste was, dat ik er gewoonweg was wanneer ze ’s nachts om haar overleden man riep. Handje vasthouden, troosten. Ze vergat alle namen, maar ze wist altijd precies: dit is Tomek, Helena’s zoon. Op onze huwelijksdag kregen Tim en ik nog een boeket van haar.”

Tomek bedenkt dat zijn moeder hun volledige trouwdag heeft betaald. ’Duitsland’ is voor haar synoniem met ’werken’, alleen maar werken. Moeder heeft wat van een hamster. Ze hamstert geld, dat beetje geld, maar toch. Leven, dat heeft ze altijd voor zich uit geschoven, voor als ze weer in Polen zou wonen. Maar ze moet hier in Duitsland een sociaal leven opbouwen. Ze moet ook een cursus Duits doen en het examen Bejaardenverzorging. En dan wordt ze overal met een kushand aangenomen.

Tomek (25, l.) en Tim (19) de jonggehuwden, kunnen kibbelen als een oud echtpaar. Maar eigenlijk zoeken ze dan in alle openheid naar de juiste omgang met elkaar. (FOTO'S WERRY CRONE, TROUW) Beeld
Tomek (25, l.) en Tim (19) de jonggehuwden, kunnen kibbelen als een oud echtpaar. Maar eigenlijk zoeken ze dan in alle openheid naar de juiste omgang met elkaar. (FOTO'S WERRY CRONE, TROUW)
(Trouw) Beeld
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden