Liefde is een moeilijk kunststukje

In het zevende gesprek over denken en dichten buigt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer zich over een beroemd gedicht van Rutger Kopland, pseudoniem van psychiater R.H. van den Hoofdakker. „Je moet dit gedicht niet zien als een vorm van therapie.”

In zijn boek ’Het geheim van het vermoorde geneuzel’ zegt de dichter Ilja Leonard Pfeijffer dat moderne poëzie complex moet zijn omdat de werkelijkheid zelf complex is. „Die gedachte spreekt mij als filosoof zeer aan’’, zegt Theo de Boer. „Mensen denken nooit aan één ding, maar zijn in hun hoofd een vat vol tegenstrijdigheden en ambiguïteiten. Dat wil de poëzie laten zien.’’

Hoe?

„Volgens Pfeijffer kan dat nooit in gewone spreektaal, die is er naar zijn idee al genoeg. Daarvoor heb je een complexe poëtische taal nodig.’’

Rutger Kopland, de meester van de gewone taal, is dus geen dichter voor onze moderne, complexe werkelijkheid.

„Dat lijkt me een te voorbarige conclusie. Ik denk dat Kopland de gewone spreektaal zo ontregelt dat er complexe, meerduidige gedichten ontstaan.’’

Hoe ontregel je taal?

„Dat kan ik laten zien aan de hand van een van zijn kortste gedichten: ’Ga nu maar liggen liefste in de tuin’.

Een lief, eenvoudig gedicht.

„Dat lijkt zo. Maar als je goed leest, blijkt het gedicht twee interpretaties toe te laten, tegengestelde interpretaties. En de manier waarop hij met de taal speelt, maakt die dubbele uitleg mogelijk. Waar gaat dit gedicht volgens jou over?’’

Over een lege plek.

„En die staat voor?’’

Geborgenheid?

„Op het eerste gezicht ligt het voor de hand in deze regels een verlangen naar geborgenheid te lezen. De ik-figuur zegt hier tot de geliefde dat hij ’altijd’ – van jongs af dus – een lege plek heeft willen zijn ’voor iemand om te blijven’. De ’liefste’ kan zich daar neervlijen als op een lege plek in het hoge gras.’’

Zo vult de liefste de lege plek op.

„Inderdaad. Het is dan voor haar een plek om te blijven, althans dat hoopt de ik-figuur. Als je het gedicht zo leest, lijkt de ik-figuur nauwelijks in het verhaal voor te komen. Hij heeft geen eigen inhoud, geen eigen positie.”

Hij wil alleen maar een lege plek zijn.

„Hij wil wel een volle plek zijn, maar gevuld door de ander.”

Waarom zou hij dat willen?

„Zij is toch alles voor hem! Hij verlangt ernaar dat de ander zal blijven, en hoopt dit voor elkaar te krijgen door zichzelf volkomen weg te cijferen. Je zou kunnen zeggen dat de ik-figuur naar een vroege, bijna prenatale geborgenheid verlangt.’’

Freud zou wel raad weten met deze ik-figuur.

„Niet zozeer Freud zelf als wel zijn latere leerlingen. Zij legden de nadruk op de symbiotische relatie uit de allervroegste kindertijd waarin het kind niets en de moeder alles is. Met deze gedachte in je achterhoofd oogt de ik-figuur uit dit gedicht als een heel onvolwassen iemand, die het symbiotische stadium nooit te boven is gekomen.”

Gaat dit gedicht over zo’n figuur?

„Nee. Zo kún je dit gedicht lezen, je kunt het gedicht interpreteren alsof het over zo’n figuur gaat. In een interview met de criticus Reinjan Mulder zei Kopland ooit dat hij dit soort mensen goed kende. Als psychiater is hij ze in zijn praktijk geregeld tegengekomen. Veel van zijn patiënten, vertelt hij daar, zijn mensen die hartstochtelijk terugverlangen naar die vroegere veilige relatie. Zij hebben daarvan nooit geheel afscheid kunnen nemen zonder angst voor onherstelbare schade.

En de beste manier om die relatie veilig te stellen, lijkt dan jezelf ’wegmaken’. Zo iemand zal bijvoorbeeld nooit een echte ruzie aandurven uit vrees voor een breuk. Maar wil er tussen twee mensen een duurzame relatie ontstaan dan moet je elkaar de ruimte geven. Je moet een zelfstandig ’ik’ worden met een eigen identiteit. De puberteit is een periode waarin je die eigen positie moet zien te vinden. Kopland erkent in dat interview dat die problematiek ook in zijn gedichten zit. ’Mijn werk en mijn gedichten hebben veel met elkaar te maken.’”

Maar dan gaat het gedicht toch over zo’n onvolwassen iemand?

„Ja en nee – maar toch vooral nee. Kopland zelf meent dat het niet gaat over een verlangen naar kinderlijke geborgenheid, naar de binding van de navelstreng. ’Dat verlangen naar terug leidt immers onherroepelijk naar een echec.’ Volgens Kopland beschrijft het gedicht ’een volwassen, niet regressief paradijs’.’’

Dit is dus een totaal andere, een veel positievere interpretatie. Hoe kan dat?

„We raken hier aan de complexiteit van het gedicht. Ook als Kopland gelijk heeft – en dat heeft hij volgens mij – blijft de eerste interpretatie meespelen. Als ik een voorbeeld uit dezelfde sfeer mag geven. Over de Mona Lisa van Leonardo is vaak geschreven dat het schilderij moederlijke tederheid belichaamt, die voor Leonardo de essentie van het vrouwelijke zou zijn geweest. Nu kun je concluderen dat Leonardo daar zijn moederbinding geschilderd heeft. Maar Freud zelf heeft zich verzet tegen een dergelijke eendimensionale interpretatie. Hij schrijft dat Leonardo in dat schilderij die binding „artistiek heeft overwonnen”. Daardoor heeft hij, als het ware voor het eerst, laten zien wat een glimlach is. Als hij niets dan een moederbinding uitgebeeld had, zou zijn werk alleen maar voer voor psychologen zijn. Maar die psychologische achtergrond blijft wel meespelen. Dat we daar oog voor hebben gekregen is te danken aan de psychoanalyse.’’

En dat wilt u nu laten zien door de ambivalentie in dit gedicht?

„Ja, maar het blijkt ook uit een analyse van de grammatica. In een mooi artikel wijst de neerlandicus Hugo Brems erop dat je dit gedicht vlot en schijnbaar moeiteloos kunt lezen, maar dat er toch ergens een lichte hapering zit, die ook een beetje irriteert als je het snel leest. En die hapering zit in het stukje ’de lege plekken in het hoge gras’.’’

Het hangt er een beetje los bij.

„Als een leerling zo’n zin maakt, zou de leraar het voorhoofd fronsen. Het is namelijk niet duidelijk waar die ’lege plekken’ nu bij horen. Is het een nadere, preciezere beschrijving van de tuin, zodat je zou moeten lezen: ’Ga nu maar liggen liefste in de tuin, op de lege plekken in het hoge gras’? Of, andere mogelijkheid, horen die lege plekken bij de ik-figuur, bij wat hij altijd gewild heeft te zijn? Dan zou je moeten lezen: ’Er zijn lege plekken in het hoge gras, en ik heb altijd gewild dat ik dat was.’

Ik zie het verschil in betekenis niet.

„Als de lege plekken een bijstelling zijn bij de tuin, dus echt bij de tuin horen, zou je de zin kunnen lezen als een erotische uitnodiging aan de liefste te gaan liggen in de tuin, waar ze in het hoge gras goed afgeschermd zijn. Maar bij de tweede betekenis identificeert de ik-figuur zich met de lege plekken, al formuleert hij dat op een niet erg geloofwaardige manier.’’

Hoezo?

„Verdacht is het woord ’altijd’. Je kunt niet altijd iets willen. Als je iets altijd hebt gewild, heb je het kennelijk nooit gedaan. Je wilt iets, je doet iets, en dan heb je het gewild. Ik denk dan ook niet dat hij altijd een lege plek heeft willen zijn, maar een volle – alleen dan wel een volle die gevuld is door iemand anders.

Als je eenmaal gestruikeld bent over ’altijd’, stuit je op meer ambivalenties. In de eerste regel is er sprake van ’liefste’, dat zou een bepaald iemand zijn, maar in de laatste regel staat ’iemand’ wat juist heel onbepaald is. Er is sprake van meerdere ’lege plekken’ en er is sprake van ’een lege plek’. Je bent geneigd de hoofdpersoon toe te roepen: wat wil je nou, wil je lege plekken zijn, of een lege plek, en dan ook nog eentje om te blijven. Wil je een liefste, of een iemand, zodat je de mogelijkheid van andere geliefden openhoudt? Met andere woorden: ben je op zoek naar vrije en blijvende liefde of ben je op zoek naar vrijblijvende liefde in een gedroomd paradijs?’’

Kopland zei zelf dat het gedicht uiteindelijk over een volwassen liefde gaat, waarin mensen elkaar de ruimte gunnen. Had hij dat niet wat duidelijker kunnen zeggen?

„Kopland was ook hoogleraar en op college drukte hij zich waarschijnlijk uit met alle gewenste duidelijkheid. Maar niet in zijn poëzie. Gelukkig maar, want stond de exacte betekenis na eerste lezing onomstotelijk vast dan was dit nooit een intrigerend gedicht geworden, en dan zou het niet op het kussen gedrukt zijn dat daar, op die bank ligt. De kracht van het gedicht zit juist in wat ik de ontregeling van de taal noemde, terwijl de uiteindelijke strekking na grondige lezing toch duidelijk wordt.’’

Mij nog niet.

„Die wordt bepaald door de komma in de laatste regel: ’plek voor iemand, om te blijven’.

U baseert uw eigen interpretatie op een komma?

„Zonder die komma zou het zinsdeel ’om te blijven’ slaan op iemand. Het verlangen een lege plek te willen zijn, zou dan direct verbonden zijn met die wens, wat betekent dat de ik-figuur blijft blootstaan aan de verleiding zich weg te cijferen. Door de komma drukt ’om te blijven’ het verlangen van de ik-figuur uit. Hij wil een blijvende geliefde zijn. En dat wordt niet bereikt door zichzelf weg te maken maar door zich te bevrijden van romantische verlangens naar eenheid. Dat leegmaken, schept ruimte.

Daarom is de komma in de laatste regel doorslaggevend. In een gesprek dat ik met Kopland had over dit gedicht zei hij: ’Ik herinner me nog heel goed dat ik die komma zette.’

Letterlijk betekent komma ’houw’ of ’snede’ Een komma is om te kappen; hier snijdt de komma de bindingen door om een zelfstandig individu te worden. Zo gelezen betekent een lege plek zijn dat je hierin tot het uiterste wilt gaan, dat je de ander alle ruimte wilt geven omdat je een vrije persoon bent. Deze lezing duidt op een volwassenheid, die ruimte schept voor de toekomst.’’

De ik-figuur komt als patiënt bij psychiater Van den Hoofdakker binnenlopen, en verlaat, nadat hij een komma gezet heeft, zijn bindingen heeft doorgesneden, het gedicht van Rutger Kopland als genezen mens.

„Er zit zeker ook een praktische kant aan. Maar daar gaat het niet om in dit gedicht. Je moet het niet zien als een klein college klinische psychologie en ook niet als vorm van therapie. Ik wil onderstrepen dat het in de poëzie primair gaat om het aan het licht brengen van een complexe realiteit, en dat daar de poëtische middelen op afgestemd zijn. In een interview noemde Kopland dat ooit een ’precieze meerduidigheid’.

Liefde is een moeilijk kunststukje. Daarom moet de poëzie ook moeilijk zijn. Als deze vier regels een lief, eenvoudig gedicht vormden zou het mislukt zijn.’’


Eerdere afleveringen uit deze reeks verschenen op 4/11, 30/12, 27/1, 17/2, 7/4 en 2/6. Zie trouw.nl/denkendichten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden