Liefde in ijskoude dagen

Zowel haar vader als haar moeder kwamen uit zwaar beschadigde families. Voor schrijfster Julia Franck werd dat de stof voor twee beklemmende romans. Verhalen over kille moeders die hun liefde verloochenen. 'Maar eigenlijk gaan beide boeken over de zoektocht naar God.'

Nooit een gewoon gezin. Niet in het leven van Julia Franck en niet in haar romans. Moeders verwaarlozen hun kinderen, stoppen ze in crèches, tehuizen of pleeggezinnen. Vaders zijn dood, weg of mesjogge. Dat patroon tekent zich nu al drie generaties lang af, zowel aan moeders- als aan vaderskant. Julia Franck, 42 jaar, heeft een dochter van bijna 9 en een zoon van 11. "Het is me gelukt", zegt ze, "om dat fatale familiepatroon te doorbreken."

Haar laatste twee romans, 'De middagvrouw' en 'Rug aan rug', zijn gebaseerd op de lotgevallen van respectievelijk haar vader en haar moeder. Hoe ze werden zoals ze waren: "Beschadigde mensen uit beschadigde families", zegt ze. Het zijn geen romans over hoe het echt was, het is fictie. Slechts een paar elementen zijn biografisch, in 'Rug aan rug' meer dan in 'De middagvrouw'. Maar de beschadigingen waarover beide boeken gaan, kent ze van haar ouders.

Het lot van haar vader is het uitgangspunt van haar bestseller 'De middagvrouw'. Die roman begint met een wrange scène, die haar vader daadwerkelijk heeft beleefd. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog is het achtjarige personage Peter met zijn moeder op de vlucht uit Stettin voor het aanstormende Rode Leger. Op een klein station in de provincie zegt de moeder tegen het jongetje dat hij even op het perron moet wachten. Ze keert niet meer terug.

"De roman is een poging om die schijnbaar koudbloedige daad te doorgronden. Het opvallende is dat die vrouw het kind niet achterlaat om zelf een nieuw en beter leven te beginnen. Haar daad komt voort uit onmacht en onvermogen. Ze denkt dat ze het kind niet goed genoeg zal kunnen verzorgen. Ze heeft zo veel beschadigingen opgelopen in haar leven dat ze meent dat het kind in een andere omgeving beter af is dan bij haar.

"In werkelijkheid heeft de moeder van mijn vader daarna in Berlijn een heel teruggetrokken leven geleid, samen met haar zus. In 'De middagvrouw' beschrijf ik haar leven vóór die tijd, als dochter van een joodse moeder. Ze komt terecht in het frivole Berlijn van de jaren twintig, wordt verliefd, maar haar geliefde komt om bij een ongeluk. Dan begint de Jodenvervolging en vindt ze toevlucht in een ongelukkig huwelijk met een nazi die haar valse papieren bezorgt.

"Dat leidt tot haar identiteitscrisis. Ze mag niet zijn wie ze is. Als de kleine Peter thuiskomt en een spotlied op de Joden zingt dat hij op straat heeft gehoord, verbiedt ze het hem, maar ze kan hem niet uitleggen waarom. Ze is innerlijk gespleten. Ze denkt dat ze haar kind niet kan geven wat het nodig heeft. Maar tegelijk is ze wel zo zorgzaam dat ze het kind op het perron achterlaat met een koffer vol kleren, en met geld en een brief voor wie hem opneemt."

Julia Francks jongste roman, 'Rug aan rug', gaat over de jeugd van haar moeder. Ook in dat verhaal gaat het over een koudbloedige vrouw, gemodelleerd naar Francks grootmoeder, die niet in staat is haar kinderen de liefde te geven die ze nodig hebben. Die kinderen, Thomas en Ella, zoeken daarom hun heil bij elkaar. Met de ruggen tegen elkaar gezeten vertellen ze elkaar verhalen en maken ze elkaar wegwijs in het leven.

"Laat ik het zo zeggen: Ella bevat biografische elementen van mijn moeder. Die heeft me vroeger veel over haar jeugd verteld. Dat waren vaak onthutsende verhalen. In mijn roman is Ella heel onzeker en ontwikkelt ze allerlei symptomen, zoals anorexia nervosa. Ze leunt bij gebrek aan een liefdevolle moeder heel sterk op haar dichterlijke broer. Maar dat loopt tragisch af. In het echt ook: mijn oom pleegde zelfmoord toen hij achttien was."

Trauma's te over in de levens van Francks ouders. Hoe hebben die elkaar leren kennen? "Mijn moeder was actrice en mijn vader filmregisseur. Hij had haar op toneel gezien en wilde haar voor de hoofdrol in een film. Tijdens de opnamen werd ze zwanger van hem, maar hij geloofde haar niet, hij dacht dat hij onvruchtbaar was. En omdat mijn moeder niet met hem wilde samenleven, waren ze al uit elkaar voordat ik en mijn tweelingzus geboren waren."

Dat speelde zich allemaal af in de DDR. Toen de tweelingzusjes acht waren, nam de moeder hen mee naar het westen. Uiteindelijk verhuisden ze naar een plaatsje in Noord-Duitsland. Op 13-jarige leeftijd ging Julia Franck naar West-Berlijn en groeide verder op bij kennissen. Daar voelde ze zich eenzaam en verlaten. De belangrijkste persoon in haar leven werd haar grootmoeder, die ze in 'Rug aan rug' als de liefdeloze moeder van Ella heeft geportretteerd.

Die grootmoeder was de bekende beeldhouwster Ingeborg Hunzinger, een fanatieke socialiste die met hart en ziel de DDR was toegedaan. Franck zocht haar regelmatig op in haar atelier in Oost-Berlijn. Dat atelier vormt nu het decor van haar roman 'Rug aan rug'. "Mijn grootmoeder was een eigenzinnige vrouw, bot, robuust en nogal koel overkomend. Maar tegelijk koesterde ze grote politieke en ideologische hartstochten."

Hunzinger is drie jaar geleden op 94-jarige leeftijd overleden. "Met het schrijven van 'Rug aan rug' heb ik gewacht tot ze dood was. De laatste vijf jaar van haar leven was ze dement. Ze vertelde nog wel veel verhalen over vroeger, maar die kwamen niet overeen met wat ik verder nog over de familie wist. Daar wilde ik haar niet mee confronteren, dat wilde ik haar niet aandoen. Dat betrof met name haar contacten met de Stasi. Die heeft ze altijd ontkend.

"Maar ik heb haar Stasi-dossiers bekeken. Zowel het dossier over de tijd dat ze met de dienst samenwerkte, tot begin jaren zestig, als het veel dikkere dossier van na die tijd, toen ze zelf werd geobserveerd. Tot de val van de Muur werd ze in de gaten gehouden, hoewel ze in feite heel loyaal was aan de DDR en allerlei privileges genoot. Zo'n privilege was bijvoorbeeld dat mijn moeder haar kort na onze verhuizing naar het westen alweer mocht bezoeken."

Net als de grootmoeder van vaderskant was ook de grootmoeder van moederskant van Joodse afkomst. "Ze is opgegroeid in een welgestelde, intellectuele familie. Haar arische vader was professor in de chemie en directeur van een onderzoeksinstituut. Omdat hij met een Jodin was getrouwd, raakte hij al zijn functies kwijt, maar hij weigerde van zijn vrouw te scheiden. Hij heeft toen zijn kinderen naar het buitenland gestuurd en zijn vrouw in Berlijn laten onderduiken.

"Mijn grootmoeder werd van de kunstacademie gestuurd en vertrok in 1938 naar Italië. Daar leerde ze een jonge kunstschilder kennen, een Duitse domineeszoon, leerling van haar grootvader, die een bekende schilder was. Ook die geliefde trok zich niets aan van de Duitse rassenwetten en hielp mijn grootmoeder onderduiken in het Zwarte Woud. Zelf is hij in de laatste maanden van de oorlog aan het front gestorven."

Al die familiegeschiedenissen keren terug in Julia Francks romans. Rond de biografieën van haar ouders en voorouders weeft ze haar literaire personages. Maar die gaan uiteindelijk een eigen leven leiden. Ook al keert daarin veel terug van wat echt gebeurd is. Zo is ook het verhaal over haar grootvader van vaders kant, de nazi die haar Joodse grootmoeder door de oorlog sleepte, waar gebeurd.

"Mijn tweelingzus en ik zijn toen we een jaar of twaalf waren naar die grootvader op zoek gegaan. We wilden graag onze familie van vaderskant leren kennen. We hebben hem in het telefoonboek opgespoord. We schreven hem een brief en toen heeft hij ons uitgenodigd om bij hem langs te komen. Hij maakte een diepe indruk op ons. Een statige man, ingenieur, maar ook een kunstliefhebber, die in zijn vrije tijd schilderde.

"Tegelijk boezemde hij ons ook angst in. Waar we vooral erg van schrokken was dat hij zo kwaadaardig over zijn schoondochter, onze moeder, sprak. We zouden een week blijven maar na twee, drie dagen besloten we ervandoor te gaan. We pakten 's nachts onze rugzakken en zijn 's morgens vroeg het huis uit geslopen. Hij merkte het, kwam achter ons aan en probeerde ons om te praten. Maar wij waren vastbesloten." Julia Franck giechelt als ze dit vertelt.

Het is de eerste keer dat ze een beetje uit haar rol valt. Tijdens de rest van het gesprek is ze heel geconcentreerd, buitengewoon openhartig en zeer waarachtig. Ze vertelt vrijmoedig over haar ouders en voorouders, die weinig bespaard is gebleven van de gruwelen van de twintigste eeuw. Veel daarvan heeft ze in haar romans verwerkt, volgens sommige critici zelfs al te veel. Die noemden de opeenstapeling van rampen goedkoop en zelfs verwerpelijk.

Daarmee geconfronteerd valt ze voor een tweede keer uit haar rol en maakt ze zich echt kwaad. "Een criticus in weekblad Die Zeit wond zich erover op dat ik een overlevende van een concentratiekamp een kind laat verkrachten. Daarmee overschreed ik volgens hem morele grenzen. Maar dacht hij soms dat concentratiekampen verbeteringsinstituten waren, waarvan de overlevenden alleen maar goede mensen waren?! Ik noem zo'n kritiek, tja..., fascistoïde."

Op de vraag hoe ze in het licht van haar familiaire voorgeschiedenis haar eigen leven inricht, antwoordt ze weer heel weloverwogen en rationeel. "Mijn leven begon niet toen ik werd geboren en eindigt niet met mijn dood. Mijn leven begon bij de mensen die mij in de wereld hebben gezet. Zij zijn de dragers van mijn tijd en hebben hun ervaringen aan mij meegegeven. Daar moet ik mee leven.

"Ik leef met een schuldgevoel. Het schuldgevoel dat ik er niet iedere minuut, iedere seconde voor mijn kinderen ben. De uren dat ik werk, dat ik schrijf, moet ik ze ergens onderbrengen, bij een kindermeisje, bij hun grootouders of bij hun vader. Dat schuldgevoel is des te groter omdat ik zelf als meisje bij verschillende mensen en verschillende families ben opgegroeid. En omdat ik net als mijn grootmoeder en mijn moeder niet ben getrouwd."

Dat is een patroon dat zich herhaalt: de vaders zijn altijd weg. "Dat klopt. Ik heb van mijn familie meegekregen dat een huwelijk niet van existentieel belang is. Maar anders dan mijn ouders en voorouders vind ik het wel belangrijk dat ik de vader van mijn kinderen ertoe breng met hen een relatie aan te gaan, ook al vindt hij dat hij niet meer van me houdt en niet met me wil samenleven. Het is gelukt. Een derde van de tijd zijn de kinderen bij hem."

Uiteindelijk gaan Francks laatste twee romans over koudbloedigheid en het verlangen naar liefde. En als lezer voel je dat de liefde niet geheel teloorgaat. "Precies! De kern is dat ondanks alle afwijzingen, alle verlatenheid, alle schijnbare liefdeloosheid de liefde niet ten onder gaat. De liefde tussen de moeders en hun kinderen is verborgen, verminkt, verdraaid en verdrongen. Maar ze is er, hoe mismaakt ook."

En dan komt Julia Franck met een verrassende wending. Uit het niets zegt ze ineens dat de romans niet alleen gaan over het verlangen naar liefde in familiaire omstandigheden die daar niet voor geschikt zijn, maar ook over het verlangen naar God. "Het is nauwelijks door critici opgemerkt dat de Joodse afkomst van de hoofdpersonen heel essentieel is. Hoewel ze hun geloof niet traditioneel, laat staan orthodox beleven, zijn ze toch op zoek naar God."

Volgens Julia Franck is de moeder van haar vader in de roman 'De middagvrouw' voortdurend op zoek naar een teken van God. "Ze vraagt zich steeds weer af waar hij is en hoe hij naar haar kijkt." En in 'Rug aan rug' citeert Franck gedichten van haar tragische oom, waarin de zoektocht naar God een belangrijke rol speelt. "Geen van beiden vinden in die zoektocht uiteindelijk verlossing, maar het is voor hen wel een belangrijke drijfveer."

Welke rol speelt religie voor Franck zelf? "In de Joodse tak van mijn familie speelden Joodse tradities en rituelen altijd een ondergeschikte rol. Dat geldt voor de meeste West-Europese Joden sinds pakweg 1900. In mijn familie deed men hooguit wel eens wat aan de joodse feestdagen. Maar ook een christelijk feest als Kerstmis sloeg men niet over, al was het alleen maar vanwege het lekkere eten en drinken.

"Met mijn Oost-Berlijnse grootmoeder ben ik wel eens naar een synagoge gegaan en naar een avond met Jiddische liederen, maar daar bleef het bij. Na haar overlijden heeft een neefje van me kaddisj gezegd. Iedere nieuwe generatie kijkt weer op een andere manier achterom. Mijn grootmoeder is niet eens op een Joodse begraafplaats ter aarde besteld."

Terug naar Berlijn
Julia Franck werd geboren in 1970 in Oost-Berlijn. Toen ze zeven was verhuisde ze met haar moeder en drie zussen naar een stadje in de West-Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein. Als 13-jarige keerde ze terug naar Berlijn, waar ze nog altijd woont. Ze studeerde in Berlijn en werkte er als schoonmaakster, kindermeisje, serveerster en freelance medewerker bij verschillende media. In 1997 publiceerde ze haar eerste roman. In Nederlandse vertaling verschenen van haar 'De gigolo', 'Buiklanding', 'Kampvuur', 'De middagvrouw' en 'Rug aan rug'.

De stof voor de twee laatstgenoemde romans komt vooral uit haar familiegeschiedenis van moederskant, ook al is de sleutelscène van 'De middagvrouw' een gegeven uit de biografie van haar vader. Haar overovergrootvader van moederskant was de schilder Philipp Franck. Diens zoon, de chemicus Hans Heinrich Franck, was de vader van beeldhouwer Ingeborg Hunzinger. De DDR-getrouwe kunstenares was Julia Francks grootmoeder en stond model voor het personage Käthe in het zojuist in Nederlandse vertaling verschenen 'Rug aan rug'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden