Liedjes zat. Zet die voorlopig maar op Internet

Een grote vergissing. Een lied kan de ene gelovige verrukken, de andere koud laten, een derde doen walgen om tekst, muziek of beide.

PIETER VAN DER VEN

Na een kwart-eeuw heeft het Liedboek voor de kerken geen monopolie, wel een centrale positie in de vaderlandse lofzang Gods. Mensen zijn zelden tégen het Liedboek, maar het kan toch niet nog eens 25 jaar mee met zijn gebreken: de brave strofevorm, de mannelijkheid, de tale Kanaüns, de geloofszekerheden alsof die niet algemeen betwijfeld worden.

Dr. Anton Vernooij, r.-k. priester en kerkmusicus, sinds kort bijzonder hoogleraar liturgische muziek in Tilburg:

“Bij het verschijnen van het Liedboek heb ik in een recensie kritiek geleverd dat er zo weinig van Huub Oosterhuis was overgenomen. In mijn colleges sindsdien heb ik veel met het Liedboek gewerkt en door het intense gebruik is het me dierbaar geworden. Criteria voor een goed kerklied zijn moeilijk. Goed van tekst en van melodie, vakmatig, evocatief, maar ook dat is subjectief. Liederen nemen hun geschiedenis, hun traditie mee. Sommige zijn goed, omdat ze een ritueel lied zijn geworden: 'Stille nacht'. Dat zing je niet om de tekst, maar omdat het anders geen Kerstmis is”.

“Lokale producten, liederen van huisvlijt mogen hun plek hebben, maar ik ben wel voor het uitzuiveren ervan door professionele begeleiding. Veel huisvlijt is aftreksel van wat vaklui hebben gedaan; als het vakwerk maar goed is kan de huisvlijt ermee door.”

“Toon is meer dan een verplechtiging van tekst; het is gezongen taal. Muziek schept liturgie, want liturgie is kunst: de kunst van het vieren.”

“Het Liedboek kent alleen maar strofeliederen, terwijl de katholieke liturgie traditioneel de open vormen gebruikt. Dat onderscheid is aan het wegvallen. De kerkmuzikale scheidslijnen lopen niet meer tussen Rome en de Reformatie, maar tussen de diverse geestelijke stromingen.”

“De mooiste liederen? Dat is zo persoonlijk. Ik kan wel een voorbeeld geven. Tijdens de rellen indertijd in Amsterdam met Beatrix reed ik in de auto en hoorde op de radio het geluid van de sirenes en de rookbommen; en in de kerk rondom Beatrix klonk op dat moment krachtig gezang 293: Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand. Ik was zeer ontroerd.”

“Je wordt als kerkmusicus gauw in een hokje geduwd, in een bepaalde school”, zegt Geke Bruining-Visser. kerkmusicus te Harlingen. Ze is christelijk-gereformeerd, leidt een hervormde cantorij, waarmee ze ook wel in anglicaanse kerken optreedt.

“Als je kritiek levert op de meesters zit je in de evangelicale hoek. Het schijnt niet mogelijk om diverse stijlen te bekijken. Christelijk-gereformeerden zingen àlle psalmen. Ik vind dat geweldig.”

“De kwaliteit van liederen beoordelen is moeilijk. Soms breek je je tong, omdat de tekst niet goed op de melodie past. Goed is een tekst die na 25 jaar nog iets nieuws te zeggen heeft. Vaak verkiezen mensen de liederen die meteen duidelijk zijn; ze willen niet hoeven nadenken op zondag, want daar worden ze zo moe van.”

“Het is goed om je aan je eigen traditie te houden, maar je hoeft over het andere niet negatief te doen. Velen doen laatdunkend over de uitbundige liederen in bepaalde kerkdiensten. Wees positief over elkaar, probeer één keer per jaar iets samen te doen. Alleen maar 'Oosterhuis' verveelt ook. Vroeger was ik zelf vreselijk anti-Taizé. Maar in hun eenvoud en herhaling hebben deze liedjes een bepaalde kracht. Goede liturgie kan heel wat hebben, ook een lied dat op zich niet zo sterk is.

Pieter Endedijk, predikant te Scherpenzeel, kerkmusicus, voorzitter interkerkelijke commissie voor de kerkzang geeft toe dat na 25 jaar blijkt dat sommige liederen het niet hebben gedaan. Ze waren te moeilijk of men kon ze geen zinvolle plek in de liturgie geven.

Endedijk: “Criteria zijn toch in hoge mate subjectief; ook onder vakgenoten is verschil van mening. Wel moeten we de poëtische en muzikale kracht van een kerklied goed afwegen. Een goed lied moet een geheim in zich dragen; je moet erin kunnen wonen.”

“Kwaliteit? Elke maand verschijnt er wel iets als een liedbundeltje en vaak is dat toch niet meer dan huisvlijt. Een tekort van het Liedboek is dat het alleen maar de strofische vorm kent. Men is het er wel over eens dat dat anders moet. Overigens zal het nog wel tien jaar duren voordat het 'Liedboek 2000' er is.”

“Moderne, atonale kerkmuziek zie ik niet voor het Liedboek; het moet op te pakken zijn voor de gemeente. Zulke muziek kan wel een plaats hebben in de dienst, bij koor of organist.”

“Het nieuwe liedboek moet zo ruim mogelijk. Taizé-liederen? Qua tekst en melodie zijn ze niet sterk, maar ze functioneren en in de liturgische context kunnen ze groeien. De grenzen moeten we ontdekken. Bij de opwekkingsliederen ligt het moeilijker; daar speelt een andere geloofsstijl, een andere theologie.”

“Er bestaat een afstand tussen de landelijke kerk en de plaatselijke gemeente. De laatste gaat haar eigen gang. Toch zou ik wensen dat men verder zingt dan voor de eigen muren alleen. Het lied heeft een oecumenische waarde.”

Christa Hijink, pas afgestudeerd aan het conservatorium, weet als cantor-organist van de Bergkerk te Amersfoort wat zo'n plaatselijke functie voor eisen stelt. Zij zegt:

“Het Liedboek is me met de paplepel ingegoten. Ik gebruik het intensief, maar het is de basis en je vindt er niet alles van je gading. Bijvoorbeeld voor de veertigdagentijd ligt de klemtoon teveel op Goede Vrijdag. Wij gebruiken dan ook nieuwere bundels, als Zingend geloven. Ik streef naar één nieuw lied in elke dienst; met een cantorij gaat dat vanzelfsprekend.

Om een lied te beoordelen kijk ik naar zowel tekst als melodie. De tekst moet niet te subjectief zijn; Oosterhuis gaat me soms te ver. Tekst en melodie mogen wel iets vergen van de mensen; er zit een opvoedingsaspect in, een lied moet geen fast food zijn. Taizé-liederen spreken me niet echt aan, maar het mag wel een keer. Persoonlijk gruwel ik van de bundel van Johan de Heer, maar ik verkeer in de luxepositie van een liturgisch bewuste gemeente, die daar niet om vraagt.

Ik geloof in onze traditie, in aparte muziek voor de kerk, die je moet leren kennen en waarderen, al spreekt die mijn generatie misschien niet meteen aan. Popmuziek moet pop blijven; dat hebben we in de kerk niet nodig.''

Ook rooms-katholieken zingen uit het Liedboek. Meestal indirect, doordat Liedboek-liederen ook hun weg vonden in bundels Liturgische Gezangen, Gezangen voor Liturgie, de Bavo-bundel of de Petrus en Paulus-bundel. Siem Groot, directeur van de Sint Gregorius-vereniging ter bevordering van de gewijde muziek in de rk kerk, zingt ze met zijn koor in de parochie van Huizen.

“Ik put ook uit het Liedboek. Protestanten hebben vier eeuwen voorsprong in Nederlandstalige liturgie. In een goed lied moet je de bijbelse inspiratie voelen èn het moet zijn geschreven op de huid van vandaag. Voor onze parochie zijn de liederen van Huub Oosterhuis meer op de huid geschreven dan liederen in de tale Kanaüns. Muzikaal vind ik dat een goed lied dynamisch moet zijn; een aantal melodieën in het Geneefse psalter is statisch en dat zie ik niet zo voor de katholieke dienst. Ik houd van soepelheid in de melodie.”

“Het maakt verschil of de liturgie er is voor toevallige passanten, zoals bij rouw en trouw, of voor de mensen die wekelijks samenkomen. Voor die laatsten kan er meer, die kun je op zondag in het liturgische materiaal iets te puzzelen geven. Sommigen verkiezen hapklare brokken die ze kennen; ik ben voor een bundel met veel keuze erin.”

“Er is geen uniformiteit in de lofzang. Ik vind dat niet erg. Ik zie het als de taak van de kerkmusicus om zijn gemeenschap haar eigen stem te laten ontdekken. Maar ook kun je door uitwisseling elkaars taal leren verstaan, er kennis van nemen en gemeenschappelijke dingen vinden.”

Toen indertijd de katholieke bundel Gezangen voor Liturgie wat van het Liedboek wilde overnemen, luidde eerst de eis: alles of niets. Nu ligt dat veel opener. Ik ben niet zo voor: dit is het liedboek. Meer: dit is de basis, leg het niet terzijde. Maar laten mensen die voor eigen kring liedjes maken daarin toch wel enige ascese beoefenen. Doe het niet in je eentje, zeg ik, leg het nog eens voor aan een liturgist, een voorganger, een musicus, zeker voordat je het laat verschijnen.''

“Ik verwacht wat van het nieuwe Liedboek 2000; ik hoop dat in de titel iets van 'liturgie' staat. Ik ben voor meer open vormen, voor samenhang tussen de riten en de muziek, muzikale vormen waarin je doet wat je zingt.”

Met zijn katholieke achtergrond heeft Kees Kok van huis uit geen binding met taal, muziek en beleving van het liedboek. Maar als studiesecretaris van de stichting Leerhuis en Liturgie in Amsterdam, nauw verbonden met de ecclesia in De Rode Hoed rond Huub Oosterhuis, houdt hij zich met meer bezig dan alleen het hem zeer vertrouwde repertoire-Oosterhuis.

Kok: “Probleem van het Liedboek vind ik de manier waarop het met taal en geloofsinhoud omgaat. Qua tekst en gedachte is het van vóór de jaren zestig. Het vragenstellen, het zoeken waar het nu eigenlijk om gaat, zo eigen aan de jaren zestig, is aan het Liedboek voorbijgegaan. Ook Willem Barnard, niet de minste, blijft in zijn kerkliederen klassiek, strak-kerkelijk, dogmatisch, gesloten. Schulte Nordholt vertaalde veel oude hymnen en vast heel verantwoord, maar je moet méér doen: in de vertaling de aansluiting zoeken bij de geloofsbeleving van nu.”

“De 'schat der eeuwen'? Ja, maar in hoeverre kan die nu geldig zijn? Het Liedboek biedt ook een soort poëzie met weinig ruimte voor emotie, voor protest, voor de samenleving. Het lied in de liturgie is een voertuig om de traditie dichterbij te brengen. In viering en lied eigen je je die traditie toe. Als een lied alleen maar de traditie herhaalt gebeurt er niets.”

Kees Kok constateert als probleem dat veel kerken theologisch stil staan. Vaak worden volgens hem liederen van Huub Oosterhuis gezongen omdat de melodie wel aanspreekt. Maar als er met de tekst niets gebeurt valt zo'n lied dood.

“Het grootste probleem wordt onderschat: de geweldige kloof tussen degenen die nog enigszins gevormd zijn in liturgische taal en de grote groep jongeren die van niets meer weten. Taizé? Dat is iets tijdelijks, dat verdwijnt weer als ze er niets relevants voor in de plaats krijgen. Je krijgt ze ook niet voor Oosterhuis, weet ik. Ook daar moet je ingroeien en daar is geen kader voor, geen zicht op inhoudelijke vorming.”

“Het gaat erom de kloof met die jonge generatie serieus te nemen. Ik weet ook niet hoe, in ieder geval helemaal opnieuw beginnen, op kleine schaal, zoals het ooit begonnen is - het gesprek met ze aangaan om de werkelijke vragen. Het nieuwe kerklied kan ik daar niet los van zien. Liedjes zat. Zet die voorlopig maar op Internet; dat is beter dan nu een Liedboek 2000. Daarvoor is het nog veel te vroeg. Het moet zich nog uitkristalliseren. Niemand kan met gezag de beslissingen nemen in zo'n conflictueuze operatie.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden