Licht en tegenlicht in het landschap

Bij Claude zie je licht in allerlei toonaarden, van helder zonlicht dat het landschap in een gouden gloed zet, tot een heel mistig toontje dat de einder in een waas van schimmen doet opgaan. Tegenlicht maakt zijn landschappen niet dramatisch, het lijkt altijd natuurlijk, zo'n mooie zonsondergang aan het einde van de dag waarin het land nog ligt na te sidderen van de hitte. 'Claude: The Poetic landscape', t/m 10 april National Gallery, Trafalgar Square in Londen, ma-za 10-18, wo tot 20, zo 14-18 uur, gesloten Goede Vrijdag. cat. illen 12.95 (ca. f 38,20) en illen 25 (f 73,75) resp. ingen. en ingeb. LEAD: In de Engelse taal bestaat de afwijkende gewoonte om de grootste kunstenaars bij hun voornaam te noemen. In Nederland is die eer alleen aan Rembrandt gegeven, maar in het Engels komen er tal van buitenlandse schilders voor in aanmerking. Vreemd genoeg zijn het niet de beroemdste Britse schilders wier naam afgekort tot enig begrip leidt: wie het over John, Thomas, Joshua of Joseph heeft, zal misverstanden wekken als Constable, Gainsborough, Reynolds of Turner wordt bedoeld. De namen Vincent of Leonardo zeggen daarentegen genoeg; Van Gogh en Da Vinci horen tot de onbetwiste top. Zo ook Claude, een naam die in dit land weinig zegt. Met Claude wordt buiten Engeland en zelfs in zijn geboorteland Frankrijk natuurlijk Claude Gellee bedoeld, beter bekend als Claude Lorrain, zijn bijnaam die verwijst naar de streek Lotharingen waar hij in 1604 of 1605 werd geboren.

Vanwaar deze faam die Engeland voor Claude reserveert? Het gaat toch om een Franse schilder die het grootste deel van zijn leven in Italie doorbracht en daar ook zijn meeste werk heeft afgezet, aan pausen, kardinalen en koningen uit alle windrichtingen. Maar een fors deel van zijn schilderijen en, in kwaliteit zeker niet de minste, is in Engeland terechtgekomen. Zo komt zijn naam voor in de collectie van de Britse vorstin, maar wordt hij ook gewaardeerd door een imponerende rij adellijke figuren die, anders dan in dit land, nog altijd als een culturele elite kan worden gezien. Belangrijke musea als de National Gallery in Londen en het Fitzwilliam Museum in Cambridge hebben Lorrain verworven, maar ook in kleinere verzamelingen in Schotland en Wales zijn zijn werken doorgedrongen. Bij de oprichting van de National Gallery in 1824 waren de Lorrains een wezenlijk deel van de overvloedige schenking, waarmee het museum werd gevormd. Een van de weldoeners, Sir George Beaumont, ging het allemaal te ver. Hij had zijn geliefde Lorrain (met een voorstelling van Hagar en de Engel) veel te vlug aan het museum geschonken. Terug er mee, zei hij, jullie kunnen het krijgen, maar pas na mijn dood. “Hij vond het bestaan zonder het schilderij onverdraagbaar en leende het voor de rest van zijn leven”, merkt museumdirecteur Neil MacGregor op.

Engeland heeft dus wat met Claude, misschien wel meer dan zijn geboorteland Frankrijk waar hij altijd is vergeleken met zijn landgenoot en mede-Italianisant Nicolas Poussin. Beiden behoren tot de 17de eeuwse stroming van het klassicisme, beiden hebben het landschapsschilderen ingrijpend vernieuwd en van een geheel eigen thematiek voorzien, maar Poussin is altijd net iets 'klassicistischer' geweest. Hij haalde meer drama in zijn werk binnen en heeft daarom ook meer theater te bieden.

Bij Claude niets van dat alles en dat is wel zo prettig. Geen moment wekt hij de indruk dat het leven theater is, een decor waartegen 's mensen leven zich afspeelt. Het leven is bij Claude niet eens te vinden, het leven is de natuur, een zonsondergang, een stadsgezicht met veel mooie klassieke runes uit een tijd die allang voorbij is. Claude gebruikte die runes niet eens als decorstukken, ze dienen gewoon om de schoonheid van de Antieken te laten zien, dezelfde Oudheid die in het Rome waar hij als jonge koekebakker rondliep nog op elke hoek van de straat te vinden was.

Met die architectonische fragmenten kon hij naar believen een schaakspel opzetten, elk stuk komt wel eens in de zoveel tijd in zijn doeken voor, hetzij als een typering van een stad, hetzij om een verhaal in een bepaalde sfeer te situeren. Architectuur staat bij Claude altijd in een natuurlijke context, zijn bomen overwoekeren het land, sluipen de stad binnen, zorgen er voor dat het licht diffuus wordt. Natuur staat versus cultuur, dat is het drama waar Claude mee bezig is. Het is het licht dat deze schilderijen zo fascinerend maakt. Licht in landschappen is een 17de eeuwse 'inventie', die teruggrijpt op Caravaggio en op enkele Nederlandse schilders die naar Italie waren gekomen. Bij Claude zie je licht in allerlei toonaarden, van helder zonlicht dat het landschap in een gouden gloed zet, tot een heel mistig toontje dat de einder in een waas van schimmen doet opgaan. Tegenlicht maakt zijn landschappen niet dramatisch, het lijkt altijd natuurlijk, zo'n mooie zonsondergang aan het einde van de dag waarin het land nog ligt na te sidderen van de hitte. Sereen, dat is een kwaliteit die voor Claude opgaat. Is het dat gebrek aan drama dat de Engelsen zo aantrekt, een flegmatieke houding, schijnbaar onaangedaan, maar daaronder, bijna introvert verborgen, het suggestieve, datgene waarin je je zo snel kunt verliezen? In Nederland heeft Claude zijns gelijke niet gehad. Cuyp, Ruisdael, Wouwerman en Hobbema, ze zijn oneindig veel dramatischer. Philips Koninck misschien, die in zijn beste doeken het etherische, diffuse en ongrijpbare van het licht oproept, komt bij Lorrain in de buurt.

Van wie had Lorrain dat landschapsschilderen? Er zijn aanwijzingen dat hij in zijn jonge jaren door Italie heeft gezworven in het gezelschap van Nederlandse Italianisanten. Jan Both, misschien Paulus Bril, Cornelis van Poelenburgh en Bartholomeus Breenbergh zouden zijn compagnons zijn geweest, die hem er wezen dat het landschap als een zelfstandig gegeven geschilderd kon worden. Dat moet ergens in de jaren twintig van de 17de eeuw zijn geweest.

Niet bekend

Weinig is bekend over het feit of Claude na zijn tweede aankomst in Rome succes had bij het publiek. Italie, Rome in het bijzonder, werd door een groot aantal buitenlandse kunstenaars gefrequenteerd, Bijna elke nationaliteit had er zijn eigen 'bent', landgenoten die bij elkaar hokten, gezamenlijk optrokken, schilderden en zich groepsgewijze ook vermaakten. Claude Lorrain was bij de Hollanders te vinden, struinde het platteland af (dat trouwens in de omgeving van Rome heuvelig genoeg was) en was meer buiten dan in de stad te vinden. Hij was direct na zijn aankomst al behoorlijk produktief, veel schilderijen die in Brits bezit zijn gekomen - en dat zijn er vele - dragen als datum de jaren dertig. Ze hebben dan al de kenmerken die Claude nooit zou kwijtraken: een diffuus belicht landschap met architectonische elementen, gestoffeerd met kleine, op het oog onbelangrijke figuurtjes.

Na 1630 werden die figuurtjes van veel groter belang in het geheel van de voorstelling, zo heeft recent onderzoek uitgewezen. Want de optiek van waaruit we Claude Lorrain tot nu toe hebben beoordeeld, moet drastisch veranderd worden. Zo willen de samenstellers van de overzichtstentoonstelling in de Londense National Gallery het. Ze hebben niet gekeken naar de fascinerende landschapsschilder die hij is, maar naar zijn figuren die hij bijna achteloos laat opdraven. Nooit heb ik ze echt interessant gevonden, zo onbenullig lijken ze. Slecht geproportioneerde soldaten, dunne, wezenloze vrouwefiguren, bijbelse figuren die aan niets van de archetypes voldoen die je op grond van de verhalen verwacht. Nee, die figuren waren even onbelangrijk als de argeloze burgers die in de kerken van Saenredam rondlopen, in de Hollandse binnenhuisjes van Pieter de Hoogh of de bloterikjes die bij Lucas van Leyden uit de hemel komen tuimelen. Bovendien, ze staan toch altijd in de marge van de voorstelling.

Ze ogen niet alleen veel kleiner dan het omliggende land, de gebouwen, de natuur, maar ze staan daar ook enigszins onaangedaan, alsof ze met de voorstelling niets te maken hebben. Pardon, zegt catalogusauteur en conservator Humphrey Wine, het zijn nou net de figuurtjes die het onderwerp van het schilderij bepalen. Vrijwel alle doeken die Claude na 1630 heeft geschilderd, en dat is het leeuwedeel van zijn immense oeuvre, gaat hetzij over bijbelse vertellingen, hetzij over allegorische verhalen uit de pen van de klassieke Griekse schrijvers Ovidius en Virgilius. Neem nu het havengezicht waarop de ontscheping van de Heilige Ursula is te zien. Het gezicht op de kade wordt gedomineerd door een ronde kerk, die de Tempietto di San Pietro in Rome blijkt te zijn, de kerk die aan de martelaar Petrus is gewijd. Uit de kerk stroomt een gezelschap dat afscheid neemt van de Heilige Ursula. Zij zou later sterven toen ze bij een inval van de Hunnen in Duitsland, weigerde met de leider te trouwen en met een pijl gedood werd.

Claude maakt er een mooie optocht van waarin niets te zien is van het lot dat de heilige vrouw zal treffen: zeelieden peddelen hun sloepjes in de richting van de kade, proviand wordt overgeslagen, zelfs van de zo straks zeegaande schepen zijn de zeilen nog niet eens gehesen. Alleen de zon zet het tafreel in een fel licht. Is het nu een ondergang of een zonsopgang? Vanuit een symbolische duiding zou je voor het laatste kiezen, maar vreemd is dan wel dat de schaduwen niet zo lang zijn als op dit tijdstip verwacht zouden kunnen worden.

Juist omdat het drama zo opvallend afwezig is, lijkt het literaire onderwerp in deze schilderijen er helemaal niet toe te doen. Als Claude van Ovidius diens verhaal over Narcissus en Echo leent, schildert hij de eerste terwijl hij zijn spiegelbeeld in het water bekijkt en de alreeds stemloze Echo in een hoekje van het landschap ligt gedrapeerd. Geen spoortje van de pogingen die Narcissus ondernam om zich van het water los te maken, noch van de strijd die Echo voerde om het woord tegen Narcissus te voeren. Ze lijkt te slapen, een bezigheid die vreemd aan het verhaal is. Of neem het landschap dat Aeneas op Delos laat zien. Het heet dat Claude in dit schilderij, dat tot zijn latere werken behoort, dichter bij zijn tekstbronnen zou blijven. Delos was, naar Virgilius heeft geschreven, het eiland waar Aeneas aankwam toen hij het brandende en verslagen Troye was ontvlucht. Claude schildert Aeneas en zijn gezelschap, terwijl ze het landschap in ogenschouw nemen. Volgens het verhaal moeten daarin de heilige bomen, de palm en de olijf staan, die door de schilder inderdaad zeer centraal in het land zijn neergezet. Maar verder was er toch aanleiding genoeg om de thema's uit het verhaal naar eigen hand te zetten. Voor de tempel die in de stad stond waar Aeneas een veilig onderkomen vond, koos hij een kerk die verdacht veel lijkt op het Pantheon in Rome, waarachter een al even Italiaans aandoende wacht- of vuurtoren ligt. Weer is het die combinatie van antieke gebouwen en natuur, beide gelijkwaardig afgebeeld, in de eeuwige competitie tussen natuur en cultuur.

Het is een bekend feit dat in de 17de eeuw het schilderen van een klassiek onderwerp in een veel hoger aanzien stond dan 'zo maar' een landschap. In een landschap, dat altijd als fictief werd beschouwd, kon de schilder naar de natuur werken, maar voor een klassiek, literair onderwerp had hij kennis en inzicht nodig. Voor die kunst konden ook veel betere prijzen worden bedongen, een reden dat menig schilder voor het onderwerp koos. Claude begon literaire onderwerpen te schilderen toen hij, voor de tweede keer dat hij in Italie arriveerde, naar emplooi zocht. Het ligt voor de hand dat hij zich richtte op dat deel van de markt dat kunst zocht die naar de eisen van de tijd was gemaakt. Toen hij eenmaal had gekozen voor het literaire onderwerp, bleef het succes niet uit. Het zou hem tot zijn dood toe bij blijven; toen hij in 1682 stierf, stonden er slechts vier doeken op zijn atelier, al het andere was al verkocht. Maar Lorrain was niet zozeer een vanwege zijn literaire onderwerpen gezochte schilder. Hij werd gewaardeerd, zoals ook tijdgenoten hebben opgemerkt, om het licht, de diffuse landschappen, die prachtige combinatie van antieke gebouwen in de natuur. Dat er aan zijn schilderijen vaak een verhaal ten grondslag ligt, was mooi meegenomen, maar daar ging het ten diepste niet om. Om Claude nu opeens als een allegorische schilder op te voeren, doet aan de landschapsschilder afbreuk. Wetenschappelijke interpretaties mogen ver gaan, maar in dit geval wordt de betrokken schilder gewoon dood-geanalyseerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden